Connect with OKKERSE on Linkedin

Workshop Familiebedrijf anno 2017

09-06-2017

Denken in generaties, niet in kwartalen




 Maandag 3 juli 2017  16:45 – 19:00

Bij familiebedrijven vermengen de belangen en rollen van eigenaren, bestuur en familieleden. Zeker wanneer zich bijzondere situaties voordoen, staan deze verhoudingen onder druk. In deze workshop wordt nader stilgestaan bij de actualiteiten en bijzonderheden bij een familiebedrijf. Wanneer wilt u het bedrijf overdragen? Is de aanstaande opvolger ook de beoogde opvolger en ook de meest geschikte persoon? Maar ook andere aspecten komen aan de orde. Kan de overdracht binnen de familie wel worden gefinancierd? En wat betekent dit voor de verschillende eigendomsbelangen? Welke factoren zullen het succes en het falen bepalen? Bent u klaar voor overdracht?

Tijdens de workshop Familiebedrijf anno 2017 op 3 juli a.s. worden deze vragen door een multi-disciplinair team van experts beantwoord. Een interactieve workshop waarbij u kennismaakt met de wijze waarop diverse specialisten naar uw familiebedrijf kijken en hoe u de kans op succes vergroot!

 Voor welke (Almeerse) ondernemers is de workshop interessant?
-    Informatie en vragen: Bij het overdragen van uw onderneming loopt u tegen een aantal juridische, organisatorische of financiële vragen aan.
-     Juridisch: U heeft vragen over de inbreng, splitsing en wat de meerwaarde kan zijn van een levenstestament.
-     Organisatorisch: Welke factoren zijn bepalend voor een succesvolle overdracht aan bijvoorbeeld een jonger familielid?
-     Financieel: Aan de hand van enkele praktische vuistregels komt bedrijfsfinanciering aan de  orde.

Experts van verschillende organisaties laten u tijdens de workshop kennismaken met hun kijk op familiebedrijven. Hierbij wordt aandacht geschonken aan de beoordelingscriteria waar een succesvolle overdracht aan moet voldoen. Een waardevolle kennismaking waardoor u goed voorbereid aan een eventuele overdracht kunt starten.

Na afloop van de workshop is er gelegenheid om aan de sprekers uw vragen te stellen.

Programma:

16.45 - 17.00 uur Ontvangst met koffie en thee

17.00 - 17.05 uur Welkom en toelichting programma
Constance Buyne, Kenniscentrum Bedrijfsfinanciering Almere,  Economische Zaken, Gemeente Almere

17.05 – 17.45 uur Juridische aspecten rondom een familiebedrijf
Phuong Nguyen, Advocaat Partner bij Okkerse & Schop Advocaten. Phuong is o.m. gespecialiseerd in het ondernemingsrecht.

17.45 – 18.10 uur Bent u klaar voor overdracht?
Karin Kleingeld, Founding partner van Next Level MKB. Karin  is ondernemer, docent, onderzoeker en investeerder, zij staat midden in de MKB praktijk.

18.10 - 18.35 uur Wat zijn de do’s & don’ts bij bedrijfsfinancieringen?
Ralph Vaessen, Adviseur Corporate Finance Extendum. Ralph Vaessen is voormalig bankier en adviseert tegenwoordig MKB-accountantskantoren en hun relaties hoe zij hun bedrijfsfinanciering geregeld krijgen.

18.35 – 19.30 uur Netwerkborrel
Gelegenheid tot het stellen van vragen en netwerkborrel

19.30 uur     Afsluiting workshop Familiebedrijf anno 2017

Aanmelden:
U kunt zich aanmelden via e-mailadres: b.vanderschaal@okkerse-schop.nl of Kenniscentrum-Bedrijfsfinanciering@almere.nl
Aan deelname zijn geen kosten verbonden.

Locatie:
De workshop vindt plaats op het Ondernemersplein , Landdroststraat 1, 1315 RV Almere.

Organisatie:
Okkerse & Schop Advocaten organiseert onderhavige workshop in samenwerking met het  Kenniscentrum Bedrijfsfinanciering Almere (KCBF). Het KCBF adviseert ondernemers bij het opstellen van hun financieringsvraag, geeft advies bij het vinden van de juiste financieringsmogelijkheden en organiseert workshops en informatiesessies.


Algemene Verordening Gegevensbescherming - belangrijke aanpassing

08-06-2017
Per 25 mei 2018 is de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) van toepassing

Algemene verordening gegevensbescherming (AVG)
Zwolle, 09-05-2017 - Per 25 mei 2018 is de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) van toepassing. Dat betekent dat er vanaf die datum dezelfde privacywetgeving geldt in de hele Europese Unie (EU). De Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) geldt dan niet meer. Activium houdt deze ontwikkelingen nauw in de gaten.

(Activium is een organisatie op het gebied van bedrijfssoftware voor het MKB en middelgrote organisaties.)Activium.nl

Als de algemene verordening gegevensbescherming (AVG) van toepassing is, hebben organisaties die persoonsgegevens verwerken meer verplichtingen. Er wordt in de AVG meer nadruk gelegd op de verantwoordelijkheid van organisaties zelf om te kunnen aantonen dat zij zich aan de wet houden (accountability). Organisaties moeten waken voor een datalek, dat is enerzijds een inbreuk op de beveiliging van persoonsgegevens voorkomen en oppassen dat persoonsgegevens niet worden blootgesteld aan verlies of onrechtmatige verwerking. Boetes liegen er niet om, een overtreding van de meldplicht datalekken kan leiden tot een boete van maximaal € 820.000,- of 10% van de jaaromzet.

Documentatieplicht
Organisaties hebben daarom een documentatieplicht. Dit houdt in dat zij met documenten moeten kunnen aantonen dat zij de juiste organisatorische en technische maatregelen hebben genomen om aan de AVG te voldoen.

Hulp bij naleving wet
Maar de AVG biedt organisaties tegelijkertijd meer instrumenten die hen helpen om de wet na te leven. Bijvoorbeeld modelbepalingen voor de relatie tussen de verantwoordelijke en de verwerker (in de Wbp heet dit de bewerker) en voor doorgifte van persoonsgegevens.

Veranderingen per 25 mei 2018
Per 25 mei 2018, als de AVG van toepassing is, verandert er onder meer het volgende voor organisaties:
  • zij hoeven verwerkingen van persoonsgegevens niet meer te melden bij de Autoriteit Persoonsgegevens;
  • zij kunnen verplicht zijn een privacy impact assessment (PIA) uit te voeren;
  • zij kunnen verplicht zijn een functionaris voor de gegevensbescherming (FG) aan te stellen.
Wat betekent dit in positieve zin? Als de algemene verordening gegevensbescherming (AVG) van toepassing is, geldt er nog maar één privacywet in de hele Europese Unie (EU) in plaats van 28 verschillende nationale wetten. Organisaties kunnen nu al beginnen met de voorbereiding.

De komende periode informeert Activum haar relaties over de gevolgen van de wetgeving op de software. Ook organiseren wij later dit jaar een webinar en kennissessie over dit onderwerp in samenwerking met de specialisten van Okkerse & Schop Advocaten. Volg onze berichten over dit onderwerp om op de hoogte te blijven.

Bron en meer informatie Autoriteits Persoonsgegevens.nl.


Cursus Huwelijksvermogensrecht in schuldsituaties

30-05-2017
Cursusmiddag - Donderdag 6 juli 2017 -  Centraal in het land

HET HUIDIGE EN TOEKOMSTIGE STELSEL
Huwelijksvermogensrecht in schuldsituaties
Het Wetsvoorstel beperking wettelijke gemeenschap van goederen, dat onlangs is aangenomen door de Eerste Kamer, gaat verandering brengen in de gemeenschap van goederen. Beperkte gemeenschap wordt de norm: alleen tijdens het huwelijk opgebouwd vermogen valt in de gemeenschap, de rest blijft privé.

Dit nieuwe huwelijksvermogensrecht heeft gevolgen voor de afwikkeling van schuldsituaties.

Door het volgen van deze cursus leert u:
•    Het huidige en nieuwe wettelijk stelsel Huwelijksvermogensrecht begrijpen
•    Hoe in het minnelijk en wettelijk traject wordt omgegaan met zowel kinder- als partneralimentatie
•    De globale regels van de kosten van rechtsbijstand
Deze cursus is geschikt voor gevorderde schuldhulpverleners en (beschermings- en Wsnp-) bewindvoerders,  die over meer kennis van het huwelijksvermogensrecht willen beschikken.

mr. Marleen Falkena - Advocaat, Okkerse & Schop Advocaten

Bernd Menting - Bewindvoerder Wsnp, Okkerse & Schop Advocaten

Graag tot ziens op 6 juli!
Met vriendelijke groet,
Esmee van den Berg, Uitgeverij-Studiecentrum Kerckebosch

Datum:

Donderdag 6 juli

Locatie:

Centraal in het land


Accreditatie:

- BPBI - in aanvraag
- Kiwa-NEN - in aanvraag
- NBPB - in aanvraag
- VeWeVe - in aanvraag
- Wsnp - in aanvraag

Investering:

€ 375,00 excl. BTW per persoon.
€ 350,00 excl. BTW per persoon bij gelijktijdige aanmelding van 2 of meer collega´s



Uitgeverij-Studiecentrum Kerckebosch
3708 BB Zeist


IN Congres 2017 - Workshop 'Privacyregelgeving'

30-05-2017
IN Congres 2017

Als úw kennispartner organiseert Stratech op donderdag 1 juni voor de vierde maal het IN Congres. Dit kennisevent biedt beschermingsbewindvoerders, budget- en inkomensbeheerders, schuldhulpverleners, kredietverstrekkers en Wsnp bewindvoerders een informatieve en inspirerende dag!

Als professional weet u als geen ander dat het helpen van cliënten met financiële moeilijkheden topsport is. Waar anders dan op locatie van het topsport trainingscentrum Papendal kunt u beter geïnspireerd worden om het beste uit uzelf en uw cliënt te halen? Op donderdag 1 juni bent u van harte welkom op het IN Congres bij Congrescentrum Papendal te Arnhem!

13.00 - 14.00 uur Workshop 'Privacyregelgeving door Mirjam Davelaar en Phuong Nguyen (Okkerse & Schop Advocaten)

Privacy is aan de orde van de dag. Het verzamelen van data gebeurt steeds vaker voor verschillende doeleinden en de drempel om dit te doen lijkt steeds lager te worden. Dat geldt ook voor het delen van gegevens met andere partijen. Dat breng met zich mee dat ook de privacyregelgeving aan verandering onderhevig is. Toezicht en regelgeving worden steeds strenger. Dit raakt bijna elke organisatie; van (semi-)overheidsinstellingen tot private ondernemers. Met name ook in het sociaal domein worden veel persoonsgegevens verwerkt die volgens (inter-)nationale wetgeving moeten worden beschermd. Van belang is dan ook dat beveiliging en bescherming van deze gegevens binnen een organisatie goed op orde is. Dat begint bij een goede kennis van de privacyregelgeving.



Phuong Nguyen en Mirjam Davelaar (beiden advocaat bij Okkerse & Schop Advocaten en gespecialiseerd in het privacyrecht en ook zeer bekend in het sociale domein) nemen u mee in de relevante regelgeving op het gebied van privacy en zullen u ook op de hoogte brengen van de belangrijkste veranderingen die op korte termijn zullen plaatsvinden. Naast de theorie, hebben Phuong en Mirjam een interactief programma samengesteld zodat u naar huis gaat met de relevante basiskennis van het privacyrecht.


Homostel moet baby na twee weken weer afstaan aan draagmoeder nadat haar man toch de biologische vader blijkt te zijn

29-05-2017
Het was volop in het nieuws: een homostel koos ervoor om via een draagmoeder hun kinderwens te vervullen. De vrouw verrichte de inseminatiebehandeling zelf met zaad van een van het stel. Van tevoren was overeengekomen dat de vrouw in deze periode beschermde gemeenschap zou hebben met haar eigen echtgenoot. Ook was afgesproken dat na de geboorte wel een DNA-test zou worden afgenomen. 8 mei 2017 werd de baby geboren, de twee vaders waren aanwezig bij de bevalling.

17 mei jl. werd de uitslag van de DNA-test bekend: de echtgenoot van de vrouw bleek toch de biologische vader te zijn van het kindje: een complete verrassing! Dit was voor de draagmoeder reden om de baby zelf te willen houden. Op 19 mei vond een zitting plaats, die reeds ingepland stond om het toezicht voor de baby definitief vast te leggen, bij de rechtbank Almelo. Hierbij waren tevens vertegenwoordigers van de Raad voor de Kinderbescherming en Jeugdzorg aanwezig. De rechter bepaalde dat de baby nog een nacht bij het stel mocht blijven en dat Jeugdzorg haar de volgende dag op zou komen halen.

Hoe treurig ook, juridisch heeft het stel amper een poot om op te staan, omdat ze op geen enkele wijze vader zijn geworden van de baby. Je kunt biologisch ouder zijn door een kind te baren of verwekken. De mannen, althans een van hen verkeerde in de veronderstelling biologisch vader te zijn, maar uit de DNA-test bleek dat dat niet het geval was. Vaderschap ontstaat ook in het geval van een zaaddonor. Als uit de test wel was gebleken dat een van hen de biologische vader was, had dit gerechtelijk vastgesteld kunnen worden. Over deze procedure kunt u meer lezen op de website rechtspraak.nl.

Vaderschap ontstaat ook wanneer een kind tijdens een huwelijk of geregistreerd partnerschap wordt geboren. Dat was in deze zaak dus het geval voor de echtgenoot van de draagmoeder. Omdat zij (de vrouw) getrouwd was, kon het stel de baby ook niet voor de geboorte erkennen.

Als de vrouw niet getrouwd zou zijn had (een van) het stel de baby wel kunnen erkennen. Iets wat vaak door de biologische vader van een kind wordt gedaan wanneer hij niet met de biologische moeder is getrouwd of een geregistreerd partnerschap heeft gesloten.

Tot slot is er de mogelijkheid een kind te adopteren. Dat is in deze zaak alleen mogelijk als de biologische ouders van de baby bereid zijn haar af te staan en dat lijkt dus niet het geval te zijn.

Als de draagmoeder zich niet had bedacht, had het stel de Raad voor de Kinderbescherming toestemming moeten vragen om het kind gelijk na de geboorte in huis te mogen nemen.

Mocht u meer willen weten over dit onderwerp, dan kunt u daarvoor contact opnemen met onze sectie personen- en familierecht.

Mr. Marleen Falkena - sectie personen- en familierecht - mei 2017


Mag een kind kiezen als deze 12 jaar of ouder is?

29-05-2017
Geheel ten onrechte denken vele mensen dat kinderen mogen kiezen als zij twaalf jaar of ouder zijn. Dit betreft een groot misverstand en een ieder zou niet moeten willen dat een kind überhaupt moet kiezen tussen zijn/haar ouders.

In de wet is geregeld dat indien er een procedure bij de rechtbank loopt die betrekking heeft op een kind, dat kind, indien het 12 jaar of ouder is, door de rechtbank in de gelegenheid gesteld dient te worden om door de rechter gehoord te worden. U dient hierbij te denken aan een echtscheidingsprocedure, omgangsprocedure, ondertoezichtstelling etc. Voor een kinderalimentatieprocedure geldt een afwijkende regeling, namelijk dat het kind 16 jaar of ouder dient te zijn. De term horen klinkt zwaarder dan het is, want het betreft een gesprek op kindniveau tussen kind en de rechter. De ouders mogen niet aanwezig zijn bij het kindgesprek. Wel kan de Raad voor de Kinderbescherming of een jeugdhulpverlener (gezinsvoogd) bij het kindgesprek aanwezig zijn.

Het horen door de rechtbank, betekent niet dat een kind het recht heeft om te kiezen. Een rechter zal nimmer aan een kind vragen om te kiezen. Want ongeacht welke discussie zich voordoet (hoofdverblijfplaats, omgangsregeling, vakantieregeling etc.) het is de verantwoordelijkheid van de ouders van het kind om gezamenlijk in het belang van het kind een beslissing te nemen en deze verantwoordelijkheid dient niet op de schouders van een kind te worden neergelegd. Per rechtbank verschilt de gang van zaken bij het horen van kinderen. Zo wordt het kind bij de ene rechtbank vooraf aan de mondelinge behandeling tussen de ouders van het kind door de rechter gehoord en bij de andere rechtbank wordt het kind op een andere dag dan waarop de mondelinge behandeling tussen ouders plaatsvindt door de rechter gehoord. Als het kind vooraf aan de mondelinge behandeling wordt gehoord is het vaak dezelfde rechter als de rechter die met de ouders spreekt. Wordt het kind op een andere dag gehoord dan is de kans aanwezig dat het kind niet door zelfde rechter wordt gehoord die met de ouders spreekt. De meeste rechters hebben geen toga (zwarte lange jas) aan als ze met kinderen spreken, maar sommige rechters wel. Tijdens het kindgesprek krijgt het kind de gelegenheid om te vertellen wat hij/zij van de situatie vindt. Het gaat om een kort, informeel gesprek, waarin het kind zijn/haar eigen mening mag geven. Het kind is niet verplicht om gebruik te maken van de uitnodiging van de rechtbank om gehoord te worden. Het kind mag ook een brief schrijven aan de rechtbank waarin hij/zij haar mening  weergeeft. Als het kind wel gebruikt maakt van de uitnodiging, zal de rechter met het kind afspreken wat wel en niet door de rechter met de ouders van het kind gedeeld mag worden.

Verder is in de wet geregeld dat een kind van 12 jaar en ouder een rechtstreekse ingang bij de rechtbank heeft. Dat betekent dat als een kind van 12 jaar en ouder een meningsverschil heeft met zijn ouders, hij/zij een briefje kan schrijven en de rechter kan vragen om hierin een beslissing te nemen. Het verschilt per rechtbank hoe met een dergelijk briefje wordt omgegaan, maar het is de bedoeling dat de rechtbank het kind uitnodigt om zijn/haar verhaal te doen en afhankelijk daarvan zal de rechtbank actie ondernemen, zoals het uitnodigen van ouders voor een hoorzitting op de rechtbank.

Een kind van 12 jaar en ouder mag dus niet kiezen en vergeet u ook alstublieft niet dat een vraag aan een kind om te kiezen tussen ouders een onmogelijke vraag is voor een kind en daarmee een vreselijke belasting voor een kind is. Als u het idee heeft dat uw kind klem zit in een situatie, zorg dan voor een onafhankelijke derde, bijvoorbeeld een kindercoach, die uw kind daarin op een onafhankelijk en neutrale manier kan ondersteunen,

Mr. Sasja Flantua - sectie Personen- en Familierecht - juni 2017


Schending zorgplicht tussenpersoon, geen aansprakelijkheid voor schade omdat realiseren van hogere dekking effectief onmogelijk was

24-05-2017
Een juwelier spreekt zijn assurantietussenpersoon aan. Na een overval is de assurantietussenpersoon tekortgeschoten in diens zorgplicht jegens de juwelier. Kort na de eerste overval licht de tussenpersoon de juwelier voor, de vraag rijst of deze voorlichting toereikend was. Bij tussenvonnis stelde de Rechtbank vast dat in onvoldoende mate de belangen van de juwelier zijn behartigd door hem onvoldoende in te lichten omtrent de verhoging van zijn polis en de vergoeding bij overvalschade. Uit de processtukken volgt dat de juwelier de bedoeling had om juist voor overvalschade beter verzekerd te zijn. Uit verschillende correspondentie als gevoerd met de verzekeraar volgt dat bij verhoging van overvaldekking zeer wel aanvullende beveiligingsmaatregelen verplicht zouden worden gesteld. Voorlopige dekking verleent de verzekeraar bij verhoging niet, dekking gaat pas in nadat te stellen aanvullende eisen zijn gerealiseerd. Kort na de voorlichting door de assurantietussenpersoon vindt nogmaals een overval plaats. De vraag ligt nu voor of het vastgestelde schenden van de zorgplicht tot gevolg had dat de juwelier schade leed. Voor de  beoordeling van die vraag dient de Rechtbank de hypothetische situatie waarbij de juwelier volledig zou zijn voorgelicht te vergelijken met de werkelijke situatie.

Het komt ‐ aldus de Rechtbank ‐ bij de vaststelling van de hypothetische situatie in de kern hierop neer; is het aannemelijk dat zowel een opdracht tot verhoging van de dekking als het daadwerkelijk ingaan van die dekking in de korte periode die volgde op de voorlichting na de eerste overval en het moment de tweede overval plaatshad indien de voorlichting wel volledig was? De vragen die de Rechtbank in verband met deze kwestie voorlegt leiden tot de vaststelling dat na volledige voorlichting de juwelier opdracht zou hebben gegeven tot verhoging van de relevante rubriek en de dekking. De verzekeraar zal vervolgens aanvullende eisen stellen. Gelet op het tijdsverloop dat volgde na de tweede overval blijkt dat de juwelier tussen het overleg met de tussenpersoon en de  tweede overal niet zou hebben kunnen realiseren dat de dekking van kracht zou zijn geworden. De Rechtbank concludeert dan ook dat zelfs indien de juwelier volledig en juist zou zijn ingelicht én hij op dat moment op basis van die informatie opdracht zou hebben gegeven tot verhoging van de dekking, die verhoging desondanks nog niet zou zijn gerealiseerd, zodat ook in dat hypothetische geval nog sprake zou zijn geweest van onderverzekering en de schade gelijk zou zijn aan de schade die in de werkelijke situatie is geleden. De schade die de juwelier vordert ontstond daarom niet als gevolg van de met de handelwijze van de assurantietussenpersoon. De Rechtbank wijst de vorderingen af en compenseert de kosten.

Mr. Robert Lonis, mei 2017


Omvang dekking onder polis; omvat koopprijs schip tevens de erfpachtcanon van de ligplaats?

18-05-2017
Na een brand bij Jachthaven De Koeweide spreekt een aantal eigenaren van Starline comfortships (pleziervaartuig) verzekeraar Amlin Insurance aan. Partijen hebben allen een jacht bij Koeweide gekocht waarbij tegelijkertijd eveneens een ligplaats in ondererfpacht is verkregen. De betrokkenen hebben allen een pleziervaartuigenverzekering afgesloten bij Amlin. De polissen zien onder andere op brand en ontploffing en bij total‐loss in dekking voor het verschil in dagwaarde en restwaarde. Bij schade binnen drie jaar na aanschaf geldt als dagwaarde de aanschafwaarde van het vaartuig zoals vermeldt op de aankoopnota. De nieuwwaardegarantie is voor deze verzekerden verlengd. Uit onderzoek en verklaringen als afgelegd na de brand volgt dat meerdere partijen veronderstellen dat in de aanschafprijs van het jacht tevens de waarde van de erfpachtcanon, van ongeveer € 30.000,‐, van de ligplaats was begrepen. Volgens de verzekeraar volgt dit ook uit diverse bepalingen in de respectievelijke koopovereenkomsten en notariële akten. Amlin betwist daarom dat verzekerden de ligplaats om niet zouden hebben verkregen en is van mening dat de verzekerde aanschafwaarde bestaat uit de op de factuur vermelde koopprijs, verminderd met de waarde van het recht van ondererfpacht op de ligplaatsen. Die waarde is (per ligplaats) getaxeerd op € 45.000,‐, welk bedrag de verzekeraar in mindering brengt op de uitkeringen.

De verzekerden vorderen elk afzonderlijk een bedrag van € 45.000,‐, vermeerderd met wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten. In de kern stellen zij dat Amlin ten onrechte dat bedrag in mindering op de uitkering bracht en dat zij is gehouden om op grond van de polisvoorwaarden de aanschafwaarde te vergoeden, welke aanschafwaarde gelijk is aan de totale koopprijs die door verzekerden is betaald. Tussen partijen is niet in geschil dat de vaartuigen verloren zijn gegaan en dat er sprake is geweest van een verzekerd evenement. Ook zijn partijen het er over eens dat het recht van ondererfpacht niet onder de verzekering is meeverzekerd. Het verschil van mening ziet op de (werkelijke) hoogte van de aanschafwaarde van de vaartuigen. De rechtbank oordeelt dat het in beginsel aan verzekerden als eisers is om te stellen en zo nodig te bewijzen wat de omvang van de door hen geleden schade is. De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 150 Wetboek van Rechtsvordering het aan verzekerden als eisers is om te bewijzen dat de verzekerde aanschafwaarde van de vaartuigen gelijk is aan de totale koopprijs die elk van hen betaalde. Wanneer zij in dat bewijs slagen, dan staat vast dat de verzekerde aanschafwaarde gelijk is aan die  koopprijs en hebben zij recht op vergoeding van het te weinig uitgekeerde bedrag. De verzekerden betwisten gemotiveerd de juistheid van de taxatie van de waarde van de ondererfpacht, zodat niet zonder meer van de juistheid van dat rapport kan worden uitgegaan. Voor het geval verzekerden niet er niet in de eerst genoemde bewijsopdracht, zullen zij in de gelegenheid worden gesteld te bewijzen dat en hoeveel de waarde van de ondererfpacht minder bedroeg dan de getaxeerde waarde. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan, laat verzekerden toe tot het leveren van bewijs hun stellingen en verwijst de zaak voor uitlating akte in verband met de verstrekte bewijsopdracht.

Mr. Robert Lonis, mei 2017


Geen buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd vóórdat incassohandelingen zijn verricht

17-05-2017
B+M Baustoff en Metall BV levert tweemaal zaken aan een vennootschap onder firma. Zij stuurt in dat verband begin november en begin december facturen aan de afnemer. De vennootschap onder firma voldoet de facturen op 15 februari 2015, het betreft een totaalbedrag van € 2.226,74. B+M Baustoff en Metall BV vordert, uitvoerbaar bij voorraad, hoofdelijke veroordeling tot  betaling van een bedrag van € 446,04 te vermeerderen met wettelijke handelsrente, proceskosten en rente en nakosten. De grondslag voor de eis betreft wanprestatie. De vennootschap onder firma voldeed de facturen niet binnen de betalingstermijn, zodat op grond van artikel 6:96 lid 4 BW buitengerechtelijke kosten en de rente daarover verschuldigd is. De vennootschap onder firma betwist de vordering en stelt de facturen binnen de afgesproken termijn te hebben voldaan.

De eerste sommatie brief dateert van de dag dat betaling door de vennootschap onder firma plaatsvond. In geval van een handelsovereenkomst bepaalt artikel 6:96 lid 4 BW dat de schuldenaar een bedrag van minimaal € 40,‐ aan buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd is zodra een factuur niet binnen de wettelijke of overeengekomen betalingstermijn is voldaan. De kantonrechter overweegt dat op geen enkele wijze is gebleken dat door B+M Baustoff en Metall BV vóór de betaling door de vennootschap onder firma handelingen zijn verricht om aanspraak te (kunnen) maken op buitengerechtelijke incassokosten.  Evenmin stelt B+M Baustoff en Metall BV dat betaling is verricht naar aanleiding van de start van incassowerkzaamheden. De kantonrechter wijst de gevorderde hoofdsom af. De nevenvorderingen wijst de kantonrechter eveneens af en veroordeelt B+M Baustoff en Metall BV in de kosten van het geding, welke de kantonrechter begroot op nihil.

Mr. Robert Lonis, mei 2017


Kantonrechter: “Dieven houden in het algemeen geen rekening met verzekeringsovereenkomsten en hun ingangsdata”

15-05-2017
Een man koopt bij de autohandel van zijn zoon een tweedehands Audi A4 Quattro. Een dag later sluit hij een  verzekerings-overeenkomst, onder andere tegen diefstal. De polis bepaalt dat verzekerde geen vergoeding krijgt als hij niet eerlijk is geweest of als niet de juiste informatie is verstrekt. Enkele weken na de aanschaf deed de man aangifte van diefstal van de auto. De verzekeraar laat onderzoek doen naar de toedracht, waarbij de door verzekerde ingeleverde sleutel wordt uitgelezen. De sleutel blijkt geen originele audi‐sleutel, uitlezen kan niet. Het blijkt een in het buitenland gemaakte kopie‐sleutel te zijn, de insnijdingen zijn te breed uitgefreesd en de transpondercode van de sleutel hoort niet bij een audi. Bovendien zijn er voor het voertuig twee sleutels ingeleerd en is er maar een (nagemaakte) sleutel ingeleverd. De man stelt dat hij bij de aanschaf van de auto één sleutel kreeg en dat hij deze gewoon voor de auto heeft gebruikt. Pas naderhand blijkt dat het een kopie is, die niet of nauwelijks van echt is te onderscheiden. De man vordert € 16.000,‐‐, de aanschafwaarde tot een jaar na aankoop, conform de polisvoorwaarden en verwijdering van zijn registratie bij diverse registers.

De verzekeraar weigert uitkering en betwijfelt of de auto is gestolen. Uit onderzoek blijkt dat de (normaal) auto niet start met de sleutel van verzekerde. Deze zou elektronisch noch mechanisch gebruikt kunnen worden. Verzekerde trof geen braaksporen aan, hoorde het alarm niet. De verzekeraar beroept zich op artikel 7:941 lid 5 BW en stelt dat de verzekerde onwaar heeft verklaard met als bedoeling de verzekeraar te misleiden. Ook voert de verzekeraar aan dat er twee sleutels ingeleverd moeten worden. De  kantonrechter overweegt dat het op de weg van verzekerde ligt om te stellen en bewijzen dat er zich een verzekerd voorval heeft voorgedaan. Bij diefstal mag aan deze bewijslast niet al te hoge eisen worden gesteld. De verzekerde kan volstaan met aanvoer van feiten doe voldoende aannemelijk maken dat diefstal heeft plaatsgevonden. De reden daarvoor is dat heimelijk gepleegde feiten doorgaans zijn omgeven met onduidelijkheden. Een gedane aangifte is een voldoende concrete omstandigheid die diefstal aannemelijk maakt. De kantonrechter overweegt ook dat vaker diefstal plaatsheeft zonder braaksporen en dat het niet horen van het alarm niet veel zegt. De kantonrechter overweegt dat het vreemd zou zijn indien de man niet een auto bij zijn zoon had gekocht maar ook dat het niet verwijderen van advertentie op Marktplaats door het bedrijf van de zoon niet aan verzekerde kan worden tegengeworpen. De verzekeraar betwist niet dat er maar één sleutel is geleverd aan verzekerde, evenmin betwist zij voldoende dat verzekerde met de auto wegreed na levering. Voldoende aannemelijk is dat de auto is gestolen. Met dat oordeel staat ook vast dat niet voldoende is gesteld om de conclusie te rechtvaardigen dat verzekerde onwaar heeft verklaard. Op de gestelde gronden kan verzekeraar niet weigeren tot uitkering over te gaan. De verplichting om twee sleutels in te leveren geldt alleen bij total‐loss, niet bij diefstal. De kantonrechter wijst de hoofdvordering en de nevenvorderingen (rente, dwangsom en kosten) toe.

Mr. Robert Lonis - mei 2017


Schadestaatprocedure na beroepsfout, concrete onderbouwing vordering ook dan noodzakelijk

03-05-2017
Een accountant trad in 1989 uit als maat bij zijn toenmalige maatschap. De uittreedsom bedroeg ƒ 1.235.000,‐. Zijn voormalig kantoor adviseerde hem omtrent de fiscale consequenties van zijn uittreden, met als doel de belastingdruk te beperken. Een gerechtelijke procedure, tien jaar na het uittreden, resulteert in de vaststelling (na cassatie) door het Hof dat er sprake was van een beroepsfout bij de advisering. Om de omvang van de schade te kunnen vaststellen volgt verwijzing naar de(ze) schadestaatprocedure. Een vergelijking dient te worden gemaakt tussen de belasting die de accountant feitelijk heeft betaald en de belasting die hij zou hebben betaald indien er gebruik zou zijn gemaakt van de fiscale faciliteit van de ruilarresten. De beroepsfout betreft de omstandigheid dat over de mogelijkheid van toepassing van die ruilarresten niet is geadviseerd. Het Hof oordeelde dat de kans dat de accountant zich zou hebben beroepen op de bedoelde fiscale faciliteit 60% zou zijn geweest en dat dit percentage over de schade (het verschil in belasting) vergoed dient te worden. De accountant vordert € 5.967.608 als schade,  enerzijds door verkeerd advies en anderzijds vanwege het niet geven van het juiste advies.

De rechtbank overweegt dat in deze schadestaatprocedure vast moet komen te staan hoeveel belasting de accountant zou hebben betaald indien hij gebruik zou hebben gemaakt van de fiscale faciliteit. Hij voert echter het bedrag als schade op dat in het kader van een compromis aan de belastingdienst werd voldaan. Deloitte komt met een uitgebreide en onderbouwde berekening uit op een veel lager bedrag, namelijk € 90.703,24. De berekening bestrijdt de accountant niet concreet, evenmin draagt hij aanknopingspunten aan voor het kunnen vaststellen van de belasting die hij bij toepassing van de ruilarresten had moeten betalen. Zonder concrete cijfermatige toelichting is het gevorderde bedrag onvoldoende onderbouwd en kan niet vastgesteld worden hoe groot de fiscale schadepost is. Aan het nadere bewijsaanbod van de accountant gaat de Rechtbank voorbij, dat is vijf jaren na het (eind)arrest van het Hof tardief. De eerdere uitspraken bevatten tevens eindbeslissingen welke niet bij arrest van de Hoge Raad zijn vernietigd. Deze beslissingen staan, als in cassatie niet bestreden, in de verdere loop van het geding vast. De Rechtbank oordeelt ten aanzien van diverse afzonderlijk gevorderde schadeposten dat deze (mede daarom) niet toewijsbaar zijn. Voor toewijzing van werkelijk gemaakte advocaatkosten dient sprake te zijn van buitengewone omstandigheden. vergoeding van immateriële schade wijst de Rechtbank eveneens af, geen van de limitatieve gronden uit artikel 6:106 BW doet zich voor. Verder oordeelt de Rechtbank dat te vergoeden schade in (niet te ver verwijderd) conditiosine‐qua‐non verband moet staan met een beroepsfout. Ook als dat verband bestaat komt alleen schade voor vergoeding in aanmerking voor zover die – gezien de aard van de aansprakelijkheid – als een gevolg van de beroepsfout kan worden toegerekend. Het niet wijzen op de ruilarresten had niet als logisch en voorzienbaar gevolg dat de accountant zich niet (ten belope van de volledige uittreedsom) inkocht bij een ander kantoor. De accountant onderbouwt ook niet voldoende waarom het onjuiste advies hem daar 21 jaar lang van heeft  weerhouden. In redelijkheid kan de gestelde schade als gevolg van de beroepsfout niet aan Deloitte worden toegerekend, nu die schade niet objectief voorzienbaar was. De Rechtbank wijst de vorderingen af.

Mr. Robert Lonis, mei 2017


Reminder: Wijziging van de publicatietermijn jaarrekeningen

01-05-2017
Inmiddels is 2017 alweer een paar maanden oud en moeten over een tijdje de jaarcijfers over 2016 worden gepubliceerd. De publicatie termijnen hiervoor zijn nog niet verstreken, maar voor boekjaren die zijn aangevangen op of na 1 januari 2016 is de publicatietermijn wel gewijzigd.

Het oude regime van publicatietermijnen van de jaarrekening tot 2016 was:
  • De jaarrekening dient binnen vijf maanden na het einde van het boekjaar te worden opgemaakt en te worden voorgelegd aan de Vergadering van Aandeelhouders;
  • De aandeelhouders kunnen het bestuur van de vennootschap maximaal 6 maanden uitstel verlenen voor het opmaken van de jaarrekening;
  • De aandeelhouders hebben na het opmaken van de jaarrekening nog twee maanden de tijd om de jaarrekening vast te stellen en te publiceren bij de Kamer van Koophandel.

Jaarrekeningen opstellen door bestuur binnen 5 maanden na afloop boekjaar

                                                                         

Verlenging van de termijn met maximaal 5 maanden vast te stellen door Algemene Vergadering

                                                                         

Vaststelling van de jaarrekening door de Algemene Vergadering

                                                                                                   

Alle aandeelhouders zijn ook bestuurder:

Binnen 8 dagen deponeren na vaststelling

Dus maximale termijn:

10 maanden en 8 dagen

 

Niet alle aandeelhouders zijn ook bestuurder:

Binnen 2 maanden deponeren na opstelling van de jaarrekening

Dus maximale termijn:

12 maanden


Het niet tijdig publiceren van de jaarcijfers brengt met zich dat dit kwalificeert als onbehoorlijk bestuur wat kan leiden tot bestuurdersaansprakelijkheid voor het gehele tekort op het moment dat de vennootschap failliet gaat.


Okkerse & Schop Advocaten brengt in samenwerking met het Agora Theater een documentaire festival.

20-04-2017



Opzettelijke misleiding van verzekeraar niet lichtvaardig aan te nemen

20-04-2017

De eigenaar van een pleziervaartuig heeft bij Unigarant een verzekering afgesloten. Tijdens een storm ontstaat schade aan de kuiptent en het winterdekkleed. De boot is gestald achter een loods, de deuren daarvan zijn open gewaaid, waardoor schade ontstaat. De schade meldt de verzekerde telefonisch, vervolgens zend hij een schadeformulier toe met als bijlage een offerte ten bedrage van € 2.400,‐ voor een vergelijkbare/nieuwe kuiptent. Verzekerde stelt met een medewerker van Unigarant te hebben besproken dat hij een prijsopgave toe zou zenden van een vergelijkbare kuiptent van zijn broer. De medewerker was daarmee  akkoord. Unigarant schakelt een expert in. Deze stelt de schade na inspectie vast op een lager bedrag en meldt dat het geclaimde dekzeil niet in de schadebegroting is opgenomen. Verzekerde zou het bezit noch de schade hebben aangetoond. Unigarant stelt zich vervolgens op het standpunt dat verzekerde haar onjuist heeft geïnformeerd en dat tot tweemaal toe een te hoge offerte voor vervanging van de beschadigde kuiptent is ingediend. Verzekerde reageert met verwijzing naar het met de medewerker gevoerde gesprek en hetgeen daarbij werd afgesproken. Unigarant bericht – op basis van de beschikbare gegevens – dat verzekerde haar opzettelijk heeft geprobeerd te misleiden. Er volgt geen uitkering, de lopende verzekering eindigt en verzekerde wordt aangemeld bij het Incidentenregister. De gegevens van verzekerde meldt Unigarant aan bij het Externe Verwijzingsregister.

Verzekerde vordert herbeoordeling van de schadeclaim, vergoeding van de geclaimde stormschade en het ongedaan maken van de door Unigarant getroffen maatregelen. Volgens verzekerde is Unigarant tekort geschoten in de uitvoering van de verzekeringsovereenkomst. Hij voert daartoe aan dat het toezenden van een offerte voor een vergelijkbare kuiptent ook goed was. Verzekerde heeft Unigarant niet misleid. Unigarant verweert zich met een beroep op art. 7:941 lid 5 BW, welk artikel bepaalt dat het recht op uitkering vervalt indien de verzekerde zijn verplichting – met opzet de verzekeraar te misleiden ‐ niet nakomt om alle inlichtingen en bescheiden te verschaffen die van belang zijn om de uitkeringsplicht te beoordelen. De Commissie oordeelt dat, vanwege de verstrekkende gevolgen van de vervalvan‐recht sanctie, hoge eisen dienen te worden gesteld aan de gronden voor een geslaagd beroep daarop. De verzekeraar dient concrete feiten te stellen en bij betwisting te bewijzen waaruit de opzet tot misleiden blijkt. De Commissie, overweegt met verwijzing naar het gevoerde overleg met de medewerker, dat niet vaststaat dat de verzekerde die opzet heeft gehad. Het afwijken van de prijs op de offerte en de schadevaststelling door de expert, maakt niet dat er sprake is van opzettelijke misleiding. Er is niet voldaan aan de vereisten voor een geslaagd beroep op verval van recht op uitkering. Het is aan verzekerde om te bewijzen dat sprake is van een verzekerd evenement. Het is niet duidelijk of de expert navraag heeft gedaan naar het dekzeil, terwijl verzekerde aangaf dat het dekzeil beschikbaar is voor inspectie. Aldus is de verzekeraar voldoende gelegenheid geboden om de schade daaraan vast te stellen. Voor opname in het Extern Verwijzingsregister dient te verzekeraar een proportionaliteitsafweging te maken. De Commissie oordeelt dat er geen gegronde verdenking van fraude c.q. misleiding bestaat. Unigarant is ten onrechte overgegaan tot registratie van de gegevens van verzekerde. Eenzelfde oordeel velt de Commissie ten aanzien van de opname in het Incidentenregister. Unigarant dient voorts de schade te vergoeden.

Mr. Robert Lonis, april 2017


Een scherpe offerte en matige uitvoering blijkt voor de opdrachtnemer een dure grap

13-04-2017
De Gier Maritiem BV komt met de eigenaren van een schip – de Lady Quaeso ‐ overeen om schilderwerken te verrichten aan het schip. De offerte beliep € 8.865,‐ ex BTW. Of aan de uitvoering van de werkzaamheden gebreken kleven verschillen partijen van mening. De eigenaren vorderen schadevergoeding tot een bedrag van € 22.635,21, waaronder herstelkosten, expertisekosten, huisvestingskosten en gederfde inkomsten. Na een aantal tussenvonnissen wordt een deskundige benoemd, die vervolgens een rapport uitbrengt. Op basis van de geformuleerde vragen concludeert de deskundige dat de laagdikte van het aangebrachte verfsysteem niet voldoende is. Deze dient minimaal een voorgeschreven 30 micrometer dik te zijn, afwijkingen tot onder die dikte zijn niet toegestaan in verband met een negatief effect op de levensduur van de topcoating. De deskundige heeft afwijkende diktes gemeten, waarbij 3 metingen onder de minimale dikte uitkwamen. De Gier bestrijdt het oordeel van de deskundige en verzoekt de kantonrechter dat oordeel niet te volgen. De verfproducent heeft aangegeven dat opgegeven minimale laagdikte als gemiddelde wordt geadviseerd en dat 10% meer of minder laagdikte kan en mag. De Gier’s eigen deskundige oordeelt dat de coating wel voldoet. De Gier beroept zich nog op eigen schuld en door eisers genoten voordeel op grond van nieuw voor oud, maar vindt geen gehoor.

De kantonrechter overweegt met betrekking tot het deskundigenbericht en de daartegen opgeworpen bezwaren dat er geen aanleiding bestaat om het rapport van de deskundige terzijde te leggen. Het rapport is onderbouwd en daarin is gemotiveerd weergegeven hoe er is gemeten en waarom afwijkingen niet zijn toegestaan. Naar het oordeel van de kantonrechter staat vast dat De Gier tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst. Niet noodzakelijk acht de kantonrechter dat overige tekortkomingen ook vast komen te staan, nu voor het overige niet blijkt dat deze tekortkoming de door eisers gevorderde schadevergoeding niet rechtvaardigt. De werkzaamheden zullen opnieuw moeten gebeuren om ervoor te zorgen dat de prestatie aan de overeenkomst beantwoordt. De Gier verkeert in verzuim en heeft geweigerd te herstellen. Een beroep op uitsluiting van garantie in verband met toepasselijke voorwaarden passeert de kantonrechter omdat geen van de uit te sluiten oorzaken van toepassing is. Het beroep op eigen schuld gaat niet op omdat de daaraan ten grondslag gelegde omstandigheden slechts de
tekortkoming hebben blootgelegd en geen invloed hebben op de hoogte van de schade. De expertisekosten wijst de kantonrechter toe. Niet vast staat dat deze door een verzekeraar zijn voldaan, bovendien betreft het schade in de zin van art. 6:96 lid 2 BW. De Gier stelt onvoldoende om voordeel, te weten profijt vanwege een aantal jaar gebruik van het schip, aan de zijde van eisers aan te kunnen nemen. Het ontbreken van een verdere specificatie van herstelkosten staat – onder verwijzing naar de eigen, niet beter gespecificeerde, offerte van De Gier ‐ niet in de weg aan toewijzing van het ter zake gevorderde bedrag. De gevorderde
huisvestingskosten van een derde die op het schip woont wijst de rechter af wegens onvoldoende grondslag om deze voor rekening van De Gier te brengen. Dit geldt ook voor de omzetderving wegens exploitatiegemis van het zeilschip, voor het aan kunnen nemen van causaal verband is niet voldoende gesteld. De kantonrechter veroordeelt De Gier tot voldoening van (in totaal) € 29.180,54, waarvan € 8.000,‐ kosten deskundige.

Mr. Robert Lonis, april 2017


Vermogensrechtelijke gevolgen van trouwen

06-04-2017
In Nederland trouwt men in gemeenschap van goederen of op huwelijkse voorwaarden. De meeste mensen trouwen in gemeenschap van goederen. Vermoedelijk omdat aan de gang naar de notaris voor het laten opmaken van huwelijkse voorwaarden kosten verbonden zijn, als onnodig wordt beschouwd of de mogelijkheid niet bekend is.

Trouwen in gemeenschap van goederen heeft tot gevolg dat alle baten en lasten gezamenlijk worden. Dus niet alleen alle goederen worden gezamenlijk, maar ook alle schulden. Dat geldt ook voor baten en lasten die na het aangaan van het huwelijk worden gekocht, aangegaan of verkregen. Er zijn niet veel andere landen die het stelsel van trouwen in gemeenschap van goederen kennen en de afgelopen jaren heeft dan ook volop discussie plaatsgevonden of het stelsel trouwen in gemeenschap van goederen niet aangepast dient te worden.

Door D66, VVD en PvdA is op 14 juli 2014 het wetsvoorstel Beperking gemeenschap van goederen ingediend. Dat voorstel is op 19 april  2016 met een grote meerderheid in de Tweede Kamer aangenomen. Op 28 maart 2017 heeft de Eerste Kamer met een zeer beperkte meerderheid (38 stemmen voor en 37 stemmen tegen) het wetsvoorstel als nieuwe wet aangenomen. Zoals het er nu naar uitziet is het de bedoeling dat deze nieuwe wet met ingang van 1 januari 2018 in werking zal treden. Dan trouwt met in Nederland niet meer in gemeenschap van goederen, maar in beperkte gemeenschap van goederen. De mogelijkheid om te trouwen onder huwelijkse voorwaarden blijft.

Trouwen in beperkte gemeenschap van goederen houdt in dat alleen wat de echtgenoten gedurende het huwelijk opbouwen in de gemeenschap van goederen valt en dus gemeenschappelijk is. Al wat de echtgenoten voor het aangaan van het huwelijk hadden, en erfrechtelijke verkrijgingen en giften ontvangen tijdens het huwelijk, vallen buiten de gemeenschap van goederen. Dit geldt ook voor schulden die reeds aanwezig waren voor het huwelijk. En de onderneming(en) van de echtgenoot die deze al had bij het aangaan van het huwelijk, valt niet in de gemeenschap van goederen. Indien het onverhoopt tot een echtscheiding komt, wordt enkel datgene verdeeld wat de echtgenoten tijdens het huwelijk gezamenlijk hebben verdiend. Ieder van de echtgenoten behoudt bij echtscheiding dus hetgeen hij/zij voor het huwelijk al had.

Helaas is het voeren van een administratie niet verplicht gesteld, maar het is wel zeer verstandig om voor het aangaan van het huwelijk schriftelijk vast te leggen wie welk vermogen en/of schulden heeft en vervolgens na het aangaan van het huwelijk een goede administratie bij te houden. Immers, als tussen de echtgenoten een verschil van mening bestaat van wie iets is en geen van beiden zijn/haar recht op dat goed kan bewijzen het goed dan als gemeenschapsgoed dien te worden aangemerkt.

Als u in gemeenschap van goederen gehuwd bent voor de nog vast te stellen ingangsdatum van de wet Beperking gemeenschap van goederen, dan is en blijft het oude huwelijksvermogensrecht van toepassing en verandert er niets voor u. Het voorhuwelijkse vermogen is dan al in de gemeenschap van goederen gevallen en dat blijft zo.

Mr. Sasja Flantua – personen- en familierecht – april 2017


The corporate veil; voor persoonlijke aansprakelijkheid bestuurder moet (steeds) voldoende en concreet worden gesteld

22-03-2017
Achmea vordert op grond van onrechtmatige daad schadevergoeding van de oud‐bestuurder, voormalig middellijk bestuurders en de huidige (middellijk) bestuurder van Taxi‐Polis BV, een vennootschap die tot haar ontbinding actief was als assurantietussenpersoon. Deze vennootschap bemiddelde – na overname van de verzekeringsportefeuille en  intermediairovereenkomst – namens Achmea bij de totstandkoming van verzekeringsovereenkomsten, verzorgde de incasso van premies en handelde schades af. Tussen de vennootschap en Achmea bestond in dat kader een rekening‐courant verhouding. Na eerdere problemen in verband met de rekening‐courant verhouding is tussen partijen een vaststellingsovereenkomst gesloten en een betalingsregeling getroffen. Ook is pandrecht gevestigd ten gunste van Achmea. De betalingsregeling werd niet nagekomen. Vervolgens is eind november 2010 nogmaals een nagenoeg gelijke vaststellingsovereenkomst gesloten. Eind december 2010 worden de aandelen in en het bestuur over Taxi‐Polis overgenomen. De vordering van Achmea bedroeg toen tussen de € 101.949,81 en o € 136.802,77, kennelijk was de administratie niet geheel eenduidig. In 2012 heeft Achmea de premie‐incasso op zich genomen. Taxi‐Polis is vervolgens ontbonden. Achmea spreekt partijen aan omdat men volgens Achmea wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat Taxi‐Polis niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden. Daarbij wordt tevens een beroep gedaan op diverse bepalingen uit de WFT.

Achmea vordert op grond van onrechtmatige daad schadevergoeding van de oud‐bestuurder, voormalig middellijk bestuurders en de huidige (middellijk) bestuurder van Taxi‐Polis BV, een vennootschap die tot haar ontbinding actief was als assurantietussenpersoon. Deze vennootschap bemiddelde – na overname van de verzekeringsportefeuille en  intermediairovereenkomst – namens Achmea bij de totstandkoming van verzekeringsovereenkomsten, verzorgde de incasso van premies en handelde schades af. Tussen de vennootschap en Achmea bestond in dat kader een rekening‐courant verhouding. Na eerdere problemen in verband met de rekening‐courant verhouding is tussen partijen een vaststellingsovereenkomst gesloten en een betalingsregeling getroffen. Ook is pandrecht gevestigd ten gunste van Achmea. De betalingsregeling werd niet nagekomen. Vervolgens is eind november 2010 nogmaals een nagenoeg gelijke vaststellingsovereenkomst gesloten. Eind december 2010 worden de aandelen in en het bestuur over Taxi‐Polis overgenomen. De vordering van Achmea bedroeg toen tussen de € 101.949,81 en o € 136.802,77, kennelijk was de administratie niet geheel eenduidig. In 2012 heeft Achmea de premie‐incasso op zich genomen. Taxi‐Polis is vervolgens ontbonden. Achmea spreekt partijen aan omdat men volgens Achmea wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat Taxi‐Polis niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden. Daarbij wordt tevens een beroep gedaan op diverse bepalingen uit de WFT.

Mr. Robert Lonis, maart 2017


Waar er twee vechten om een been, loopt een derde er mee heen

16-03-2017
In 2013 sluit Market Food Group BV (MFG) een franchiseovereenkomst met Le Perron UK Ltd. Doel is om de Le‐Perron formule, bestaande in het verkopen van broden en patisserie op markten en in winkels, uit te rollen in het Verenigd Koninkrijk. De middellijk bestuurder van Le Perron UK Ltd. voert, tegen een managementvergoeding en aanvullende kostenvergoeding, de plannen uit. De rechtsverhoudingen zijn in een franchiseovereenkomst vastgelegd. De daarin opgenomen aanloopperiode, in welke periode de operationele risico’s voor rekening van MFG komen, eindigt eind december 2014. De bestuurder stelt een bedrijfsleider aan en opent september 2013 een winkel in Londen. MFG stelt een verkoopwagen ter beschikking aan Le Perron UK om op markten te plaatsen. Eind november 2013 maakt MFG kenbaar per 1 december 2013 te zullen stoppen met het project. Na diverse correspondentie over en weer, waarbij door de bestuurder retentierecht is ingeroepen, schriftelijk op te zeggen en verzocht is om financiële tekorten van de Ltd’s te dekken. Ook is verzocht om de vergoedingen van de bestuurder volledig te betalen. In die periode geeft de bestuurder opdracht aan de bedrijfsleider om de verkoopwagen t verplaatsen. Deze stalt de wagen in een gehuurde locatie. De bestuurder ontbindt uiteindelijk de overeenkomst met MFG, de Ltd’s worden opgeheven. De bestuurder vindt een nieuwe baan en laat de boel, inclusief de verkoopwagen, de boel. De verkoopwagen heeft MFG niet meer kunnen traceren.

De bestuurder vordert € 74.633,‐ schadevergoeding op grond van wanprestatie, MFG heeft de overeenkomst onregelmatig opgezegd. MFG vordert schadevergoeding wegens onrechtmatige daad; de bestuurder beriep zich ten onrechte op retentierecht en weigert de verkoopwagen terug te geven. De rechtbank wijst de vordering van de bestuurder toe, maar corrigeert de vordering wegens inkomsten uit arbeid tot € 45.658,‐. De vorderingen van MFG wijst de rechtbank af. In het recht is geen steun te vinden voor het aannemen van risicoaansprakelijkheid van een retentor die de zaak waar retentierecht op werd uitgeoefend niet (meer) in zijn invloedsfeer heeft. MFG stelt dat de verkoopwagen ook persoonlijk aan de bestuurder ter beschikking was gesteld. De bestuurder betwist, de verkoopwagen was overeenkomstig de franchisestructuur aan Le Perron UK Ltd. ter beschikking gesteld. Het Hof herstelt de feiten en acht het standpunt van de bestuurder logisch; in de overeenkomst valt niet in te lezen dat de wagen aan de bestuurder persoonlijk ter beschikking werd gesteld. Het enkele feit dat de bestuurder ook betaling vroeg van overeengekomen fees rechtvaardigt niet de conclusie dat hij opdracht tot verplaatsing van de verkoopwagen als privépersoon gaf. Als bestuurder mocht hij de opdracht tot verplaatsen geven omdat MFG onregelmatig opzegde en omdat betaling van verplichtingen waarvoor MFG in diende te staan uitbleef. Daarmee kwam de Ltd’s een opschortingsrecht toe, waarbinnen het opslaan van de verkoopwagen paste. Nadien verdween de verkoopwagen. In het licht van deze omstandigheden neemt het Hof
niet aan dat sprake is van aansprakelijkheid op grond van art. 6:171 BW en evenmin van risicoaansprakelijkheid als door MFG gesteld. MFG stelde ook niet dat de bestuurder nog de beschikking heeft over de verkoopwagen of dat hij zelfs maar weet waar deze is. Dit mag mogelijk onzorgvuldig zijn, bestuurdersaansprakelijkheid levert dat niet op. Bovendien was de vordering van MFG daar niet op gebaseerd. In incidenteel beroep corrigeert het Hof nog een rekenfout in eerste aanleg, en vernietigt in zoverre het vonnis. MFG moet de bestuurder betalen en ziet haar verkoopwagen niet terug.

Mr. Robert Lonis - maart 2017


Status wetsvoorstel aanpassing gemeenschap van goederen

16-03-2017
In augustus 2016 schreef ik een stukje op de website over het wetsvoorstel tot inperking van de gemeenschap van goederen. Ik schreef toen dat het voorstel bij de eerste kamer lag en dat het de bedoeling was dat de wet in werking zou treden per 1 januari 2017. Dat is echter niet gelukt. De plenaire behandeling in de eerste kamer zal plaatsvinden op 21 maart 2017.
Wanneer er nieuws is over de laatste ontwikkelingen van het wetsvoorstel zal ik dat op onze site plaatsen.

Mr. Marleen Falkena - maart 2017


Dwangakkoord mogelijk bij schuldenaar met slechts één schuldeiser

15-03-2017
Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 9 maart 2017 voor het eerst expliciet bepaald dat het mogelijk is om een dwangakkoord op te leggen wanneer de schuldenaar slechts één schuldeiser heeft (ECLI:NL:GHARL:2017:2007). Deze uitspraak staat haaks op de jurisprudentielijn van de rechtbanken, waarin uitdrukkelijk is bepaald dat deze mogelijkheid in strijd zou zijn met de systematiek van de Faillissementswet (zie bijvoorbeeld een recente uitspraak van de Rb. Den Haag, 15 september 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:12967).

De rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, is van deze lijn afgeweken. Zij oordeelt op 29 november 2016 dat de gemeente  ten onrechte het minnelijke aanbod op basis van een saneringskrediet heeft geweigerd. De rechtbank beveelt de gemeente vervolgens om alsnog in te stemmen met het voorstel. Het verzoek tot dwangakkoord wordt toegewezen. Omdat de gemeente zich met dit oordeel niet kan verenigen, stelt zij hoger beroep in bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Verweerster wendt zich vervolgens tot Okkerse & Schop Advocaten.

In hoger beroep neemt de gemeente primair het standpunt in dat verweerster niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard bij de rechtbank, omdat de gemeente de enige schuldeiser van verweerster is. Namens verweerster wordt dit standpunt succesvol betwist. Als de lijn van de rechtbanken zou worden gevolgd, dan zou iemand met meerdere schuldeisers worden beloond ten opzichte van de schuldenaar met slechts één schuldeiser, hetgeen ongewenst is. Daarbij is het voorstelbaar dat een schuldenaar een extra schuld creëert, enkel om een verzoekschrift tot dwangakkoord bij de rechtbank te kunnen indienen. Door het Hof wordt het dwangakkoord gezien als een alternatief voor de wettelijke schuldsaneringsregeling, bij die regeling is het eveneens mogelijk om te worden toegelaten als er slechts één schuldeiser is, zodat deze lijn moet worden doorgetrokken.

In het arrest schept het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden eindelijk duidelijkheid over dit – in de praktijk veel voorkomende – vraagstuk. Het is nu zeker dat het opleggen van een dwangakkoord mogelijk is als de schuldenaar slechts één schuldeiser heeft.

Heeft u over dit onderwerp vragen? Neem dan vrijblijvend contact op met het kantoor via 036-534 6220 of advocaten@okkerse-schop.nl.

Mw. mr. Vera Hartkamp - maart 2017


Minnelijk traject mislukt; de schuldhulpverlener aansprakelijk stellen? De kantonrechter doet daar niet aan mee

09-03-2017
Een schuldhulpverlener sluit een overeenkomst van opdracht met een aantal partijen. De opdracht ziet op het bemiddelen bij een saneringsplan. Indien dat niet lukt voorziet de opdracht in het opstellen van een verzoekschrift ten einde te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling natuurlijke personen. De schuldenlast beloopt € 47.612,25. Na aanschrijving van de schuldeisers, waarbij een percentage van 4,5% is aangeboden blijkt dat een schuldeiser niet is aangeschreven. Deze was kennelijk niet gemeld aan de schuldhulpverlener, met die schuldeiser maakte de schuldenaar zelf afspraken. Diverse schuldeiser laten weten niet akkoord te gaan. De schuldhulpverlener stelt vervolgens voor om het traject voor de WSNP op te starten. Een van de betrokken schuldenaren gaat niet akkoord met een WSNP‐traject en ontbindt de overeenkomst van opdracht. Ook stelt hij de schuldhulpverlener aansprakelijk voor alle schade. In rechte vordert de schuldenaar een bedrag van € 25.000,‐ De schuldhulpverlener hield hem aan het lijntje, het minnelijk traject is door toedoen van de schuldhulpverlener mislukt en de schuldenaar heeft zelf de schuldeisers tot een bedrag van € 25.398,11 voldaan.

De kantonrechter overweegt dat door de schuldenaar niet is gesteld wat de schuldhulpverlener gedaan of nagelaten heeft waardoor het minnelijk traject niet het door hem gewenste gevolg had. Schuldeisers zijn niet verplicht mee te werken aan een minnelijk akkoord. Niet blijkt dat het niet slagen van een minnelijke regeling aan de schuldhulpverlener is te wijten. Een toelichting op de stelling dat de schuldhulpverlener niet voortvarend zou hebben gehandeld en niet snel genoeg reageerde op emails
ontbreekt. De kantonrechter overweegt daarnaast dat de schuldenaar niet zonder meer recht heeft op een minnelijke regeling waarbij (slechts) 4,5% van de schulden wordt voldaan. Dat de schuldenaar geen gebruik wenst te maken van de wettelijke schuldsaneringsregeling en daarom zijn eigen schulden moet voldoen kan hij niet afwentelen op de schuldhulpverlener. De stellingen van de schuldenaar kunnen niet tot de conclusie leiden dat de schuldhulpverlener is tekortgeschoten in zijn
uit de overeenkomst voortvloeiende verplichtingen. De kantonrechter wijst de vorderingen af.

Mr. Robert Lonis - maart 2017


Bewust misleidende zekerheidsstelling; aansprakelijkheid bestuurder vennootschap wegens onrechtmatige daad

06-03-2017
Een bestuurder geeft een in rechte aanhangige sterke vordering in zekerheid aan het UWV. Achteraf blijkt deze vordering op het moment van zekerheidsstelling al te zijn afgewezen door de rechtbank. Het UWV komt daar pas zeer laat achter. Aansprakelijkstelling van bestuurder en diens advocaat volgt. In eerste aanleg worden de vorderingen afgewezen, na cassatie en verwijzing luidt het oordeel alsnog dat het handelen van de bestuurder onrechtmatig was.

De vraag is aan de orde gesteld of de bestuurder zich in de gegeven omstandigheden persoonlijk (verwijtbaar) schuldig maakte aan onrechtmatige daad en of het UWV daar dan schade door heeft geleden. De rechtbank in eerste aanleg wijst de vorderingen van het UWV af, in appél bekrachtigd het Hof. Tussen een eventuele aansprakelijkheid en de gevorderde schade bestaat geen causaal verband. De Hoge Raad casseert en verwijst naar het Hof Amsterdam. Het verschaffen van een pandrecht laat zich niet anders verklaren dan dat het bedoeld was om te voorkomen dat het UWV de incasso zou voortzetten. Het karakteriseren van de vordering als aanhangig en redelijk kansrijk voor toewijzing. Het UWV werd aldus bewogen om af te zien van verdere incassomaatregelen, terwijl er reeds een afwijzend vonnis lag. Het Hof neemt aan dat indien het UWV niet op het verkeerde been zou zijn gezet, er geen schade zou zijn geleden omdat in dat geval tot verhaal van de vordering zou zijn overgegaan. Dat het UWV eerder had kunnen informeren naar de uitkomst van de procedure van de vennootschap, zodat de vorderingen op grond van de destijds geldende wetgeving niet zouden zijn verjaard, levert geen eigen schuld op voor het UWV. Op grond van de omstandigheden van het geval volgt dat het pandrecht slechts aan het UWV is verstrekt met het doel het UWV te misleiden met betrekking tot verhaalsmogelijkheden op de vennootschap. De schade is een gevolg van voortdurende misleiding. Het Hof vernietigd het vonnis van de rechtbank en veroordeelt de bestuurder tot schadevergoeding, bestaande uit het restant van de
onbetaald gebleven werkgeverspremies vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2008.

Mr. Robert Lonis, maart 2017


Ondernemerschap mede maatgevend voor het kunnen veronderstellen van inhoudelijke kennis en strekking van polisvoorwaarden?

03-03-2017
Een handelaar in exclusieve auto´s, tevens directeur‐grootaandeelhouder van een vennootschap die handelt in klimmaterialen, is tegen het risico van brand verzekerd bij ASR. De polis vermeldt een specifiek adres als risicoadres. De polis biedt enerzijds dekking voor een drietal Chevrolette Corvettes voor een bedrag van € 147.500,‐ en anderzijds voor motorrijtuigen handelsvoorraad tot een totaalbedrag van € 672.300,‐. De polis vermeldt voorts, als bijzondere voorwaarde voor dekking buiten het gebouw, een beperking van dekking tot een maximum van € 25.000,‐ indien de zaken gedurende een aaneengesloten periode van drie maanden zich elders in Nederland bevinden. Voor zijn bedrijfspand van de klimmaterialenvennootschap (elders) heeft de ondernemer een brandverzekering bij Reaal. Er breekt brand uit in dat pand. De drie Corvettes zijn daar gestald en raken beschadigd. De handelaar spreekt ASR aan, maar die vergoedt slechts € 25.000,‐. De handelaar spreekt de verzekerings‐tussenpersoon aan wegens schending van de zorgplicht omdat deze ermee bekend was dat niet al de auto´s op het risicoadres waren gestald en in dat verband niet op het risico van beperking van de dekking had gewezen. De verzekeringstussenpersoon was volgens de ondernemer‐handelaar op de hoogte van het feit dat auto´s op een ander adres waren gestald, hij stelt dat zij is tekortgeschoten in haar zorgplicht.

De Rechtbank overweegt dat een verzekeringstussenpersoon tegenover haar opdrachtgever de zorg dient te betrachten die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend beroepsgenoot mag worden verwacht. Zij dient te waken voor de belangen van de verzekeringnemer, waaronder valt het opmerkzaam maken op haar bekend geworden feiten die gevolgen voor de dekking kunnen hebben. Als de verzekeringstussenpersoon goede grond heeft erop te vertrouwen dat de verzekerde voldoende inzicht heeft in de aard en omvang van de dekking, begrenst dat de zorgplicht. Dat de verzekerde niet de verklaring door hem afgelegde verklaring bij
verzekeraar Reaal ondertekende, baat hem niet. Zijn bezwaren daartegen zien op andere feiten dan voor de beoordeling van de onderhavige zaak relevant zijn. De verzekeringstussenpersoon sprak voor het laatst ruim voor de schadegebeurtenis en was er niet mee bekend dat er auto´s waren verplaatst. Dit is ook niet betwist. De Rechtbank gaat daar dan ook van uit. Verder overweegt de Rechtbank dat er geen misverstand kan bestaan over de polisvoorwaarden. Deze zijn duidelijk en er is geen speciale kennis vereist voor het begrip daarvan. De brandverzekering is afgesloten voor het risicoadres, waarbij een omschrijving van de  constructie is vermeld en bijzondere eisen zijn gesteld aan beveiliging en brandveiligheid. De Rechtbank neemt tot uitgangspunt dat de ondernemer er mee bekend was dat het stallen van voertuigen op een ander adres gevolgen had voor de omvang van de dekking. Ook overweegt de Rechtbank dat een ondernemer in staat moet worden geacht de verzekeringsvoorwaarden te kunnen lezen en doorgronden. Dat hij daarvoor geen tijd heeft genomen, is zijn eigen risico. Door verplaatsing van de auto´s niet te
melden, heeft verzekerde het risico genomen dat onvoldoende dekking onder de verzekering bestond. De Rechtbank wijst de vordering jegens de verzekeringstussenpersoon tot betaling van het niet gedekte schadebedrag van ruim € 104.000,‐ af.

Mr. Robert Lonis - februari 2017


Limitering partneralimentatie

03-03-2017
Limitering partneralimentatie


In de wet staat op dit moment nog steeds dat een verplichting tot het betalen van partneralimentatie - indien sprake is van een huwelijk van 5 jaar of langer of een huwelijk waaruit kinderen geboren zijn - eindigt na het verstrijken van een termijn van twaalf jaren, waarbij de termijn aanvangt op datum inschrijving van de echtscheiding in de burgerlijke stand van de gemeente waarin u destijds gehuwd bent. Als het huwelijk korter dan 5 jaar heeft geduurd en er geen kinderen uit het huwelijk zijn geboren is het recht op partneralimentatie qua duur gelijk aan de duur van het huwelijk. Veel mensen denken dat bij een huwelijk van langer dan 5 jaar of een huwelijk waarin kinderen zijn geboren de alimentatieverplichting dus automatisch twaalf jaar is, dat is onjuist, de verplichting is maximaal twaalf jaar. De duur van de partneralimentatie hoeft dus niet twaalf jaar te zijn. De alimentatieplichtige kan de rechtbank verzoeken de alimentatieduur vast te stellen op een kortere termijn. Uiteraard kunnen partijen ook in onderling overleg een kortere duur overeenkomen. De rechtbank kan dit niet uit zichzelf (ambtshalve) beslissen.


Omstandigheden die relevant zijn bij de afweging van de rechtbank bij het vaststellen van een kortere termijn zijn:
-    Duur van het huwelijk: bij een relatief kort huwelijk/ korte periode van samenwonen / wederzijdse verzorging is de kans groter op een kortere termijn;
-    De leeftijd van partijen ten tijde van het huwelijk: als de alimentatiegerechtigde nog vrij jong is, kan deze vaak gemakkelijker weer in zijn/haar eigen behoefte voorzien;
-    Of het een eerste huwelijk is voor (een van de) partijen of niet, wanneer het niet het eerste huwelijk is, met name in het geval van de alimentatiegerechtigde, is de kans op een kortere termijn ook groter;
-    Of uit het huwelijk kinderen zijn geboren: als dit niet het geval is, is de kans op een kortere termijn ook groter;
-    Of de alimentatiegerechtigde door het huwelijk is geschaad in diens verdiencapaciteit;
-    Of de alimentatiegerechtigde eigen vermogen heeft.


De rechtbank schat aan de hand van onder meer bovenstaande factoren in op welke termijn de alimentatiegerechtigde in staat is om (weer)  volledig zelf in zijn/haar levensonderhoud te voorzien. Het is aan de alimentatiegerechtigde om omstandigheden aan te tonen die een belemmering vormen om de werkzame uren uit te breiden en op die manier een hoger inkomen te verwerven, om zelf in de kosten van levensonderhoud te voorzien. Of, als de alimentatieplichtige een beroep doet op limitering, dan is het aan de alimentatiegerechtigde om aan te tonen dat om zijn/haar moverende redenen niet afgeweken dient te worden van de termijn gelijk aan de duur van het huwelijk of 12 jaar.


Mocht u als partneralimentatiebetaler of als partneralimentatiegerechtigde advies willen, neem dan vrijblijvend contact op met Sasja Flantua in Lelystad of met Marleen Falkena in Almere

Marleen Falkena – maart 2017







 







Eenzijdig door verzekerde genomen maatregelen; zijn risico is bewijsnood bij nog niet definitief vastgestelde schade

20-02-2017
in verband met de nieuwbouw van een varkensstal is tussen Interpolis Schade NV en verzekerde een Construction‐All‐Risks verzekeringspolis afgesloten. De polis biedt onder meer dekking voor schade die verzekerde lijdt als gevolg van beschadiging van het werk, ongeacht door welke oorzaak. Art. 7:951 BW wordt terzijde gesteld. Beschadiging betreft fysieke aantasting die zich manifesteert in een blijvende verandering van vorm of structuur. Een medewerker van een door de verzekerde ingeschakelde aannemer rijdt kort nadat in de vloer van de nieuwe stal betonroosters zijn geplaatst met een laadschop de stal in en uit. Meerdere betonrooster raken beschadigd, de laadschop vormt een te zware belasting. Op verzoek van de verzekeraar – inmiddels Achmea – onderzoekt Technoconsult de schade. Zij rapporteert dat bij een element de beschadiging dusdanig is dat vervangen – wegens wezenlijke bedreiging van de levensduur ‐ de beste keuze is. Overige  beschadigingen bestaan in haarscheurvorming, het merendeel van de elementen vertoont geen beschadiging. De producent trekt wegens de gestelde overbelasting de garantie in. De verzekerde laat vervolgens 870 betonroosters vervangen en (deels) op schade onderzoeken door BAS Research & Technology. BAS rapporteert dat van 166 roosters er 79 haarscheurvorming vertonen en concludeert daarop dat naar verwachting 400 elementen zichtbaar beschadigd zijn. Als gevolg van de overbelasting kan de constructieve veiligheid niet worden gegarandeerd.

Verzekerde vordert van Achmea vergoeding van de schade tot een bedrag van € 40.917,38, zijnde materiaalkosten, arbeidskosten en kosten deskundigen. De Rechtbank oordeelt dat een redelijke uitleg van de polisvoorwaarden met zich brengt dat onder schade in de zin van de polis moet worden volstaan een beschadiging waardoor het werk niet meer voldoet voor het gebruik waarvoor het is bestemd. De rechtbank stelt bij tussenvonnis behoefte te hebben aan deskundigenonderzoek. Dit onderzoek vindt echter niet plaats omdat de roosters/elementen zijn verwijderd. De rechtbank oordeelt bij eindvonnis dat causaal verband vaststellen tussen het over de elementen rijden met de laadschop en de schade feitelijk onmogelijk is, schade kan ook zijn ontstaan door verplaatsing en de wijze van opslag. Dit rechtvaardigt abstraheren van de concrete omstandigheden van het geval. De deskundige bevestigde dat door het rijden over de roosters met de laadschop tot schade heeft geleid. De Rechtbank veroordeelt Achmea tot betaling van € 34.867,45. Vanwege het vervangen van 870 roosters oordeelt het Hof dat deze zich afzonderlijk
laten verwijderen. Per rooster kan daarom worden beslist of schade daartoe noodzaakt. Op grond van de inhoud van de polis hoeft Achmea alleen beschadigde roosters te vergoeden. Het is aan de verzekerde zijn stelling te bewijzen dat al de verwijderde roosters vergoedt dienen te worden omdat deze beschadigd zijn. Indien onderzoek fysiek nog mogelijk is, dient dat zoveel mogelijk te gebeuren. Het verplaatsen en opslaan van de roosters laat onverlet dat het zinvol is om de roosters (alsnog) afzonderlijk te laten onderzoeken. Niet is uit te sluiten dat roosters slechts schade hebben opgelopen door het verplaatsen daarvan. In beginsel is het voor rekening en risico van verzekerde indien eenzijdig maatregelen zijn genomen die een zo concreet mogelijke berekening van de schade onmogelijk maken. Op grond van enkel een rekenkundig onderzoek kan niet tot het oordeel worden gekomen dat Achmea 870 roosters dient te vergoeden. Volgt verwijzing naar de rol voor aanwijzing deskundigen.

Mr. Robert Lonis - februari 2017


Beroepsfout en schadebeperkingsplicht; beroep op dwaling voor niet geaccepteerde fiscale constructie niet vereist

13-02-2017
De oprichter van Farm Frites liet zich adviseren door (voorheen) Loeff Claeys Verbeke omtrent fiscale aspecten van de onderneming. Het advies hield destijds een combinatie van een winstbewijzenconstructie in alsmede tijdelijke emigratie van de ondernemer en zijn echtgenote naar Curaçao. De belastingdienst oordeelt echter dat een duurzame band met Nederland is blijven voortbestaan. Onderhandelingen, met behulp van adviseurs, leiden niet tot het bereiken van een schikking. De belastingdienst legt over het jaar 1998 een aanslag inkomstenbelasting op, bij een ambtshalve vastgesteld belastbaar inkomen van € 182 miljoen. De aanslag bedraagt € 22.174.493,47. Er volgt een veelvoud aan fiscale procedures. De winstbewijzenconstructie merkt de belastingdienst alsook het Hof aan als een aanmerkelijk belangtransactie, waarvoor dienovereenkomstig belasting verschuldigd is. Ook is aannemelijk dat men steeds woonachtig bleef in Nederland, voor de belastingheffing is geen sprake van emigratie. Tot in hoogste instantie blijft de aanslag in stand. Een opvolgend advocaat (ander kantoor) stelt vervolgens Loeff c.s. aansprakelijk wegens de schade geleden als gevolg van beroepsfouten. In deze deelprocedure is ter beoordeling voorgelegd of de oprichter in strijd heeft gehandeld met zijn schadebeperkingsplicht door niet een beroep te doen op dwaling en aldus schenking ongedaan te maken en door niet een beroep te doen op een (veronderstelde) toezegging van de belastingdienst met betrekking tot aanslagen inkomstenbelasting over de relevante jaren.

De belastingdienst neemt het standpunt in dat een beroep op dwaling niet kan slagen. De belastingdienst stelt dat het onwaarschijnlijk is dat de mogelijke gevolgen van hun handelwijze niet kon worden voorzien door de betrokkenen en hun adviseur. De adviseur moet zich bewust zijn geweest van het risico dat de inspecteur Nederland als fiscale woonplaats zou (blijven) aanmerken. Er is geen sprake van dwaling maar eerder van spijt dat de gekozen opzet niet is geslaagd. Een terugboeking van de schenking zou bovendien leiden tot wederom de constatering van een schenking. De rechtbank oordeelt dat het juist is dat op benadeelde een verplichting rust om rekening te houden met de belangen van Loeff c.s., dit gaat echter niet zover dat hij daardoor gehouden is een constructie te kiezen die enerzijds de schade die op Loeff c.s. kan worden verhaald doet slinken maar anderzijds zijn niet‐verhaalbare schade laat toenemen. Het standpunt van de belastingdienst over het feitencomplex is helder en begrijpelijk, maar ook als dat standpunt niet zonder meer vaststaat, baat dat Loeff c.s. niet. Een beroep op dwaling zou in verhouding tot de belastingdienst slechts zinvol zijn indien redelijkerwijs te verwachten viel dat daarmee de totale schade zou verminderen. De kans op een dergelijke gunstige uitkomst wordt echter bijzonder klein geacht, zodat de ondernemer om die reden een dergelijk beroep niet hoefde te doen. Aan de ingebrachte opinie van deskundigen, gestoeld op art. 6:228 BW, komt geen bijzonder gewicht toe. De Rechtbank stelt zelfstandig vast wat het Nederlands recht inhoudt en tot welke uitkomst de toepassing daarvan leidt. Ook toetsing van de vereisten voor een beroep op (wederzijdse) dwaling in de verhouding van ouders en kinderen leidt in de kwestie niet tot het oordeel dat dit kansrijk zou zijn. De rechtbank concludeert dat Loeff c.s. in deze (deel)procedure niet met vrucht kunnen tegenwerpen dat de ondernemer heeft nagelaten zijn schade te beperken. Een veronderstelde toezegging van de belastingdienst – welke kort gezegd zou inhouden dat een grote vermogensverschuiving, het overhevelen van een aanmerkelijk belang, grotendeels onbelast zou blijven – wordt onaannemelijk geoordeeld en mogelijk contra legem. Om die reden is ook dat geen grond om ter beperking van de schade daarop een beroep te moeten doen.

Robert Lonis, - februari 2017



De verzekering laten vervallen omdat je je voldoende veilig waant, wat een kater!

06-02-2017
Van Wees is een groothandel in gedestilleerd, waaronder kostbare whisky’s. De handel is verzekerd tegen onder andere inbraak tot een aanmerkelijk bedrag. De premie bedraagt € 13.828,10 per jaar. Bijzondere voorwaarde voor dekking is “van goedkeuring van een rapport aan de hand van een nader uit te voeren technische inspectie alsmede opvolging van de eventueel in dit rapport vermelde preventiemaatregelen” Na inspectie door Delta Lloyd staat vast dat de beveiliging formeel niet voldoet aan het vereiste niveau. Delta Lloyd adviseert nadere maatregelen te eisen, bijvoorbeeld trillingsdetectie langs de wanden. ABN stelt Van Wees in de gelegenheid om binnen een bepaalde termijn de maatregelen te treffen en vermeldt dat dekking vervalt indien opvolging niet plaatsheeft. Uit daaropvolgende correspondentie vloeit voort dat Van Wees zich afdoende beschermt waant en meent dat er feitelijk geen risico is op inbraak. Ook volgt daaruit dat de directie zich bewust is van het aflopen van diefstaldekking tegen het einde van de termijn. In verband met de verlening van de verzekering zend ABN een nieuw, maar inhoudelijk niet gewijzigd, polisblad toe. Van Wees schrijft daarop: “Blijkbaar betaal ik nog steeds voor inbraakdekking op de [a‐straat] terwijl ik niet meer verzekerd ben...." waarop ABN antwoordt dat inbraak niet meer verzekerd is, de polis een prolongatienota betreft die nog moet worden aangepast en restitutie van teveel betaalde premie volgt. Enige dagen later wordt er ingebroken. De schade bedraagt € 161.242,50. ABN weigert uitkering.

In eerste aanleg wijst de rechtbank de vordering tot nakoming van de tussen partijen gesloten verzekeringsovereenkomst door uitkering van de schadepenningen af. Ook schadevergoeding op grond van toerekenbare tekortkoming in de nakoming aan de zijde van ABN wijst de rechtbank af. Van Wees formuleert negen grieven. Het Hof stelt vast dat in de polis het voorbehoud is opgenomen dat de premie en de voorwaarden afhankelijk zijn van de goedkeuring van een rapport van een nader uit te
voeren technische inspectie en opvolging van de eventueel in dat rapport vermelde preventiemaatregelen. Dit betreft een voorbehoud ten aanzien van dekking van de polis welke samenhangt met de voorwaarden waaronder ABN bereid is het risico van inbraak te verzekeren. Het Hof overweegt dat vast staat dat Van Wees niet tijdig de noodzakelijke maatregelen hebben genomen om vereiste criteria te voldoen en ook niet van plan waren daaraan te voldoen. Dat betekent dat de dekking voor schade is vervallen. Een mededeling van de zijde van ABN of afgifte van een nieuw polisblad was daar niet voor nodig. Het verval van dekking vloeit voort uit het (oude) polisblad zelf en de daaropvolgende gebeurtenissen. Het beroep op schadevergoeding van Van Wees op grond van het later toegezonden (prolongatie)polisblad slaagt evenmin, daarin is hetzelfde voorbehoud als in het oude polisblad opgenomen en daar is niet aan voldaan. Een beroep op gerechtvaardigd vertrouwen baat Van Wees niet, gezien de correspondentie waaruit volgt dat Van Wees er zelf van uit ging niet verzekerd te zijn. Het Hof oordeelt dat Van Wees geen aanspraak kan maken op betaling door ABN en bekrachtigt het vonnis van de Rechtbank.

Mr. Robert Lonis - februari 2017


Zorgplicht notaris en beroepsfout; voor aansprakelijkheid is meer nodig dan een mogelijk bezwaard gemoed

23-01-2017
Rijkswaterstaat (lees; De Staat) is erfpachter van een drietal percelen in de gemeente Lonneker. De erfpacht verwierf Rijkswaterstaat van een derde in verband met een verbredingstraject van de A18/N18. De eigenaar en deze derde kwamen bij de vestiging van de erfpacht een recht van eerste koop overeen. Voorafgaand aan verkoop van de drie percelen treedt de eigenaar in onderhandeling met Rijkswaterstaat. De notaris informeert Rijkswaterstaat dat partijen geen overeenstemming bereikten en dat zijn conclusie is dat Rijkswaterstaat geen gebruik wenst te maken van haar recht tot eerste koop. Hij vraagt daarvan bevestiging en bericht dat een bod van een derde is ontvangen van € 170.000,‐. Rijkswaterstaat bericht de notaris niet over te zullen gaan tot koop van de percelen tegen die vraagprijs. Verkoop aan een derde volgt. De Staat stelt schade te lijden en vordert van het kantoor van de inmiddels gepensioneerde notaris € 113.379,65 wegens een beroepsfout. Rijkswaterstaat stelt dat op grond van informatie van de notaris er onterecht van een voorgestane verkoop van twee in plaats van drie percelen is uitgegaan. Als de
notaris juiste informatie had verstrekt, zou Rijkswaterstaat achteraf bezien wel haar recht van eerste koop uit hebben willen oefenen. Het kantoor stelt dat aansprakelijkheid van het kantoor, bij gebreke van een arbeidsrelatie, voor een functionaris als een notaris ex artikel 6:170 BW, 6:171 BW en 6:172 BW is uitgesloten. Bovendien schond De Staat de klachtplicht van 6:89 BW, gaat de claim op het eerste recht van koop niet op en handelde de notaris niet onrechtmatig. De verplichting rustte immers op de eigenaar, niet op de notaris, evenmin is er onjuiste informatie verstrekt en ook causaal verband tussen de verweten normschending en de beweerdelijk geleden schade ontbreekt.

De rechtbank overweegt dat zijn functie een notaris verplicht tot het betrachten van de nodige zorgvuldigheid, ook wat betreft belangen van derden. Een persoonlijk voorkeursrecht, gemoeid met een overdracht van een eigendomsrecht als in deze kwestie aan de orde, is bij uitstek een situatie waarin de verlengde plicht tot zorgvuldigheid in acht moet worden genomen. Partijen mogen ervan uitgaan dat een notaris juiste informatie geeft als deze namens een verkoper vraagt of een gerechtigde tot een recht van eerste koop van dat recht gebruik wil maken tegen een door de notaris genoemde prijs. De notaris geeft aan niet te hebben gesteld of bevestigd dat de verkoop 2 of 3 percelen betrof. De Staat beroept zich op een telefonische toelichting van de notaris om de aanspraak te onderbouwen. De Rechtbank acht deze onderbouwing echter onvoldoende, gelet op betwisting van een dergelijke mededeling door de notaris en het feit dat er niet schriftelijk aan de gestelde telefonische toelichting is gerefereerd. De Rechtbank oordeelt dat de formulering van de brief van de notaris ruimte laat voor verschillende interpretatie. Daarmee
staat nog niet vast dat hij onzorgvuldig handelde, zodanig dat er sprake is van een beroepsfout. De Rechtbank oordeelt voorts dat De Staat als ter zake kundige, adequaat geëquipeerde en op de kwestie ingevoerde partij er in redelijkheid niet gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de formulering van de notaris mocht worden geïnterpreteerd als in de procedure door de staat voorgestaan, namelijk als ware er sprake van een aanbod tot het enkel aankopen van een tweetal percelen
tegen een bedrag van € 170.000,‐. Zeker niet nu aan die interpretatie slechts twee, niet aan de notaris of zijn kantoor gerichte, e‐mails ten grondslag werden gelegd. Volgt afwijzing van de vorderingen van De Staat.

Mr. Robert Lonis - januari 2017


(Un)limited? Verzuimverzekering en gezagsverhouding. Piercing another corporate veil?

19-01-2017
Sealink, een vennootschap naar Engels recht, met hoofdvestiging in Nederland, sluit voor haar directeur een verzuimverzekering af bij ASR. Binnen drie weken na de ingangsdatum van de verzekering maakt Sealink aanspraak op uitkering, de directeur is ziek geworden. ASR betaalt vervolgens over een periode van bijna twee jaar een bedrag van € 127.585,‐ uit. Het polisblad vermeldt als definitie van verzekerde werknemer; de in dienst van de verzekeringnemer zijnde loonheffingsplichtige persoon met een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht op wie de loondoorbetalingsplicht van toepassing is. Wanneer er geen sprake is van een gezagsverhouding met de werknemer, dan valt deze niet onder het begrip/ de definitie werknemer. ASR stelt dat daarvan in het geval Sealink sprake is en dat zij, vanwege onjuiste mededelingen, opzettelijk door Sealink is bewogen tot het doen van uitkeringen onder de verzuimverzekering. ASR vordert het uitbetaalde bedrag terug op grond van enerzijds onrechtmatige daad van zowel Sealink als haar directeur, anderzijds op grond van onverschuldigde betaling. ASR stelt dat de directeur als feitelijk
beleidsbepaler handelde en daarvan een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. In eerste aanleg wijst de Rechtbank de vordering wegens onverschuldigde betaling toe, de overige vorderingen wijst de Rechtbank af.

In Hoger Beroep toetst het Hof ambtshalve rechtsmacht. Op een vordering uit onrechtmatige daad is voorts het recht van het land van toepassing waar de schade zich voordoet, in casu Nederland. Het recht van de staat van oprichting echter bepaalt, gelet op art. 10:118 BW en 10:119 BW, of een persoon als bestuurder dient te worden aangemerkt. Een vordering ter zake aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad leidt evenwel toch tot toepasselijkheid van Nederlands recht. Daarbij
is ASR als poolleader gerechtigd om namens de gehele pool aan verzekeraars eventuele schade op Sealink en haar directeur te verhalen. De stelling van ASR dat de directeur niet is aan te merken als werknemer en daarom niet onder de verzuimdekking is verzekerd is volgens het Hof de kern van het geschil en de grondslag van de ingestelde vorderingen. De vraag of de ziekmelding van de directeur leidt tot een aanspraak onder de verzuimdekking levert een dekkingsgeschil op. Uitleg van de
verzekering dient te volgen. Daarbij dient tevens de (gezags)verhouding tussen Sealink en de directeur duidelijk te worden gemaakt. Sealink krijgt bij tussenarrest de opdracht om de aard en inhoud van de (gezags)verhouding tussen Sealink en de directeur nader te verklaren, dit ligt in hun domein. Het Hof verzoekt Sealink daarnaast nog om meer informatie, onder andere over het toepasselijke Engelse recht, om tot beoordeling van de rechtspositie van de (company) director te komen. Het Hof zal aan het niet of niet volledig verstrekken van informatie de gevolgen verbinden die het geraden acht. Inzicht in het medische dossier of het benoemen van een deskundige acht het Hof aangewezen voor verdere beoordeling, waarna verwijzing volgt naar de rol voor akte volgt. Wordt vervolgd…

Mr. Robert Lonis - januari 2017


De kleine lettertjes lezen voorkomt groot leed; auto gestolen maar toch geen all‐risk dekking

16-01-2017
Kennelijk al sinds jaar en dag heeft een consument zijn voertuig(en) verzekerd bij verzekeraar Unigarant N.V. In 2014 koopt hij een BMW met een cataloguswaarde van € 69.141,‐. De auto krijgt daarbij nog voor € 12.000,‐ aan upgrades en modificaties. De consument wil de auto goed verzekeren, ook tegen diefstal en sluit
daartoe een all‐risk polis af. Volgens een clausule op het polisblad dient het verzekerde object te zijn voorzien van een klasse‐2 ´SCM‐goedgekeurd´ beveiligingssysteem dan wel een gelijkwaardig systeem af‐fabriek. In geval van diefstal moet verzekerde aantonen dat het systeem aanwezig was en conform de clausule is onderhouden. Een eerste poging tot diefstal faalt, op advies van de verzekeraar wordt de schade hersteld. Een volgende poging slaagt, waarna de verzekeraar dekking weigert nadat blijkt dat in de auto niet een klasse‐3 alarmsysteem was ingebouwd, zoals de consument dacht, maar een klasse‐1 beveiligingssysteem. De consument vordert uitkering. Hij stelt dat een zuiver taalkundige uitleg – hij heeft nooit al de polisbladen gelezen en daar ook niet voor getekend – niet past, het komt aan op de uitleg die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijze aan de bepalingen mochten toekennen en wat partijen van elkaar mochten verwachten. De verzekeraar schendt haar zorgplicht omdat nooit enig onderzoek is gedaan, ook niet na de eerder diefstalpoging. Naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid is een beroep op de clausule onaanvaardbaar.

De verzekeraar stelt dat de auto niet van het volgens de polis vereiste beveiligingssysteem was voorzien, dit betreft een kernbeding. De formulering van de clausule is helder en begrijpelijk, een verzekeringnemer behoort daarvan kennis te nemen. Als de consument nalaat te controleren of het aanwezige beveiligingssysteem aan de polisvereisten voldoet, komt dat voor diens rekening en risico. Het ligt op de weg van de consument om zorg te dragen voor aanwezigheid van het juiste beveiligingssysteem. Op de verzekeraar rust in die zin geen zorgplicht, ook niet na de eerdere claim van de consument. De geschillencommissie stelt zich de vraag of de verzekeraar dekking mocht afwijzen. Daartoe overweegt de commissie dat vermelding op het polisblad de clausule op voldoende duidelijke wijze onder de aandacht van de consument brengt, een verdergaande verplichting tot het kenbaar maken van polisvoorwaarden rust niet op de verzekeraar. De verzekerde dient zelf kennis te nemen van alle pagina's van het polisblad. De commissie volgt de verzekeraar in het oordeel dat de tekst van verklaring begrijpelijk en duidelijk is. De commissie
overweegt voorts dat een beroep op de clausule naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar kan zijn, bijvoorbeeld bij ontbreken van causaal verband tussen niet naleving en diefstal. De commissie passeert evenwel het daarop gerichte betoog van de consument en volgt het verweer van de verzekeraar dat niet bekend is op welke wijze de auto is gestolen. Het is om die reden niet, louter een mogelijkheid is namelijk onvoldoende, mogelijk om het eventueel ontbreken
van causaal verband tussen de diefstal en het niet aanwezig zijn van het (vereiste) beveiligingssysteem vast te stellen. De commissie wijst de vordering af.

Mr. Robert Lonis - januari 2017


Het geld zit ‘m in de stenen, met een broedertwist over miljoenen tot gevolg

12-01-2017
Vier broers houden gezamenlijk en in gelijke percentages de aandelen – via beheervennootschappen ‐ van ‘Holding’. Een van de werkmaatschappijen daarvan handelt in stenen voor waterbouwkundige werken. Over deze vennootschap, een Handelsmaatschappij, heeft één van hen feitelijk en gedurende lange tijd de leiding. Hij trok steeds de kar , de vennootschap is volledig afhankelijk van zijn alom bekende en gerespecteerde persoon. Zijn zoon is in dienst van één van de zustermaatschappijen. Het rommelt al enige tijd binnen de muren van het concern. Ruim 60% van de binnen het concern gegenereerde omzet komt van de activiteiten van de Handelsmaatschappij. Zowel vader als zoon zeggen hun overeenkomsten op met de respectievelijke concernvennootschappen. Enige tijd na hun vertrek richten zij Roxx op, een onafhankelijk handelsbedrijf met ervaring op het gebied van productie en levering van weg‐ en waterbouwmaterialen. De 3 andere broers leggen via het concern beslag onder vader en zoon voor een totaalbedrag van ruim € 8,5 miljoen. Het verwijt is dat hun broer geen orderadministratie heeft bijgehouden en niet heeft zorg gedragen voor overdracht van zijn bestuur. Het vertrek is minutieus voorbereid, hetgeen blijkt uit verwijdering van E‐mailfolders en het door de zoon aan zijn privémail zenden van gegevens van relaties en het zowel voor als na het vertrek op stelselmatige wijze benaderen van relaties ten behoeve van nieuwe activiteiten.

In eerste aanleg verleent de voorzieningenrechter verlof tot beslaglegging. Het onder derden gelegde beslag kleeft en wel tot een  bedrag van ruim € 4 miljoen. De onroerende zaken van vader en zoon liggen onder beslag daarnaast ligt bewijsbeslag onder diverse partijen. De voorzieningenrechter overweegt dat niet onaannemelijk is dat er onrechtmatig is gehandeld en dat daardoor schade is geleden. Vader en zoon maken volgens hem niet aannemelijk dat de vorderingen waarvoor beslag is gelegd summierlijk onaannemelijk zijn. De voorzieningenrechter handhaaft de meeste beslagen maar het beslag op privérekeningen beoordeelt hij
als vexatoir omdat daardoor de voorziening in het levensonderhoud in het gedrang komt. Ook beslag onder twee vennootschappen heft hij op wegens gevaar voor het voortbestaan van de ondernemingen. Vervolgens heft de voorzieningenrechter een aantal concreet genoemde, maar niet alle, beslagen op. Vader en zoon stellen beroep in ex artikel 705 lid 2 RV, echter (nadrukkelijk!) niet van het oordeel omtrent onrechtmatig handelen dan wel wan presteren. Wel grieven zij tegen het niet opheffen van alle beslagen. Het Hof oordeelt dat, hoewel vader en zoon kenbaar hun rechten voorbehouden, nu niet tegen dit oordeel van de voorzieningenrechter is opgekomen, de vordering tot opheffing niet op die grond kan worden toegewezen. Verder oordeelt het Hof dat het – met inachtneming van de beperkingen in Kort Geding – aan appellanten is om aannemelijk te maken dat het voortduren van beslag niet rechtvaardig is. Het Hof oordeelt voorts dat een juiste lezing van rechtsoverwegingen leidt tot de conclusie dat de voorzieningenrechter beslagen opheft voor zover daarmee levensonderhoud of voortbestaan van de ondernemingen in het gedrang zou komen. De broers tonen aan dat beslag op rekeningen met (voldoende) saldo is opgeheven, appellanten hebben onvoldoende onderbouwd dat de door de voorzieningenrechter gestelde doelen van opheffing niet zijn bereikt. Het Hof acht een termijn van vijf jaren voor het bepalen van de schadeomvang disproportioneel. Verwacht mag worden dat (het bestuur van) een levensvatbare onderneming binnen twee jaren een opvolger vindt en deze volledig inwerkt. De
hoofdsom vermindert het Hof onder andere daarom tot € 3.088.775,17. Op grond van artikel 6:102 BW rust de verplichting op appellanten gezamenlijk tot vergoeding van dezelfde schade als gevolg van onrechtmatig handelen/wanpresteren. Niet blijkt dat een van beiden een door het beslag getroffen vermogen heeft van minimaal dat bedrag, er is geen grond om enig beslag dan op te heffen.

Mr. Robert Lonis - januari 2017


Exploitatieverlies tevens betrokken bij vaststelling schadeomvang als gevolg van beroepsfout makelaar

09-01-2017
Rappange bemiddelt als makelaar in opdracht van NR met betrekking tot een huurovereenkomst voor een hotel in Amsterdam. Het stadsdeel Centrum hanteert quota voor hotelkamers, daarnaast toetst de (deel)gemeente aan andere criteria van het hotelbeleid. De gemeente wijst NR een quotum van 19 kamers toe. De bemiddeling van Rappange leidt tot een huurovereenkomst voor de duur van 20 jaar, tegen een huurprijs van € 575.000,‐ per jaar. Het bestemmingsplan vermeldt enerzijds kantoren/gemengd gebruik en anderzijds keurtuin. NR krijgt vervolgens van de gemeente bericht dat haar plannen niet in overeenstemming zijn met het hotelbeleid en het bestemmingsplan. Daarop vraagt NR aan Rappange waarom er kennelijk geen onderzoek is gedaan naar de bestemming van het pand. Daarop antwoordt Rappange dat het bestemmingsplan is geraadpleegd. Na lezing daarvan is gebleken dat de bestaande bebouwing in de keurtuin moet worden verwijderd als voorwaarde voor instemming met een bestemmingswijziging naar hotel. Nadat de gemeente NR formeel aldus bericht, dient zij binnen korte tijd een ander plan in te dienen. Laat NR dat na dan wordt het verzoek om een quotum afgewezen. NR neemt het pand vervolgens niet als hotel in gebruik maar verhuurt het onder als kantoorruimte.

NR vordert schadevergoeding op te maken bij staat. Rappange is volgens NR toerekenbaar te kort geschoten in de nakoming van haar verplichtingen door onvoldoende te onderzoeken of de bestemming van het pand exploitatie als hotel toeliet. Hangende de procedure in eerste aanleg failleert NR. De curator draagt de aanhangig zijnde vordering bij akte van cessie van over aan Torn, die als rechtsopvolger onder bijzondere titel beroep instelt van in eerste aanleg gewezen vonnissen. Het Hof oordeelt dat Rappange had moeten zien dat de bestemming keurtuin op een deel van het pand lag. Van een redelijk zorgvuldig makelaar mag worden verwacht dat deze onderzoekt of er bijzondere regels gelden. Dat heeft Rappange niet gedaan, zodat vast staat dat zij tekort is geschoten in haar verplichtingen jegens NR. Op grond van een rapport van een registeraccountant vordert Torn schade tot een bedrag van € 492.477,‐. Dit bedrag vloeit deels voort uit exploitatieverliezen en anderzijds tevergeefs gemaakte kosten voor advies en juridische bijstand. Het Hof wijst een bedrag van € 52.000,‐ toe. Het Hof overweegt dat de exploitatieverliezen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Dat het faillissement door de fout van Rappange is veroorzaakt staat niet vast. De gecedeerde vordering omvat volgens het Hof niet exploitatieverliezen of het boedeltekort maar slechts de schade die NR bij voortzetting zou hebben geleden. Het Hof stelt dat, gegeven de aannemelijkheid van enige schade als gevolg van wanprestatie, aan de onderbouwing van de schade niet al te hoge eisen gesteld hoeven worden. Van de gemaakte kosten, als door de registeraccountant in zijn rapport opgenomen, wijst het Hof een deel toe. De Hoge Raad acht het oordeel van het Hof onbegrijpelijk. De overgedragen vordering omvat alle schade die NR door de tekortkoming van Rappange heeft geleden. Deze schade is door het Hof (in een tussenarrest) benoemt en omvat ook de exploitatieverliezen geleden tot aan het faillissement van NR. Onbegrijpelijk is het oordeel dat toewijsbaarheid van deze vordering afhangt van de vaststelling of het faillissement van NR is veroorzaakt door de fout van Rappange, dat is volgens de Hoge Raad niet van belang.

Mr. Robert Lonis - januari 2017


Van ruilen komt huilen oftewel, beter een goede buur dan een beroep op verjaring!

05-01-2017
Hof 's‐Hertogenbosch, 20 december 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:5595 ‐ Op SmartNewz sinds: 22 december 2016

Een vordering wegens onverschuldigde betaling verjaart vijf jaren na aanvang van de dag volgende op die waarop de schuldeiser zowel met het bestaan van zijn vordering als met de persoon van de ontvanger bekend is geworden. Kennisgeving door het kadaster over bij ruilverkaveling betrokken perceeldelen leidt tot bekendheid en daarmee aanvang van deze verjaringstermijn. Een overeenkomst van ruiling met mogelijk een andersluidende strekking maakt dat niet anders nu daar inhoudelijk niet over is gesproken. De rechtbank wijst de subsidiaire vordering toe en passeert het beroep op verjaring en rechtsverwerking. In hoger beroep werpt de buur meerdere grieven op.

Het hof oordeelt dat de verjaringstermijn van artikel 3:309 BW van toepassing is. De uitleg van deze bepaling in de rechtspraak gaat uit dat het moment van aanvang van de verjaringstermijn, te weten bekendheid zowel met het bestaan van zijn vordering als met de persoon van de ontvanger van een onverschuldigde betaling, aanvangt als de schuldeiser daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot terugbetaling in te stellen. Dit valt in casu samen met het moment van ontvangst van de brief van het kadaster. De dagvaarding is binnen vijf jaren na die datum uitgebracht, zodat de verjaring tijdig is gestuit. De uitleg die de andere
buur geeft aan de uiterlijke datum van betaling per 1 augustus 2008 in de ruilverkavelingsovereenkomst maakt dat oordeel niet anders. Daarbij stelt het Hof nog dat door deze buur ook niet is gesteld dat op die fatale datum bij de betaler bekend was dat hij teveel en dus onverschuldigd betaalde. Het Hof neemt aan dat vast staat dat partijen over de inhoud van de overeenkomst van ruiling niet hebben gesproken. De uitleg die de bevoordeelde buur aan de betreffende bepaling wenst te geven leidt, bij acceptatie, tot het verlies van de vordering tot verrekening, dit echter slechts op basis van de tekst van de akte. Om aan te kunnen nemen dat die uitleg kan worden geaccepteerd, heeft de buur volgens het Hof niet voldoende concrete feiten gesteld. De grieven falen en de buur moet het onterecht genoten voordeel compenseren.

Mr. Robert Lonis - december 2016


Kartelperikelen en verjaringsvraagstukken naar Duits recht; ondanks oordeel verjaring toch aansprakelijkheid voor niet verschenen partijen

16-12-2016

Rechtbank Limburg, 16 november 2016, ECLI:NL:RBLIM:2016:9897 ‐ Op SmartNewz sinds: 16 december 2016

Zoals te verwachten bij geschillen waarin een beroep wordt gedaan op verjaring, ligt de oorzaak van het voorliggende geschil in een grijs verleden. Deutsche Bahn stelt, met een zestal andere partijen, schade te hebben geleden als gevolg van een spanstaalkartel. Zij spreken daartoe 14 partijen aan op onrechtmatig handelen. In 5 vrijwaringszaken komen vervolgens nog eens 98 partijen in deze procedures tegenover elkaar te staan. In een eerder gewezen tussenvonnis zijn de stellingen van
Deutsche Bahn c.s. weergegeven, het geschil spitst zich inmiddels vooral toe op de vraag of de vorderingen van Deutsche Bahn c.s. zijn verjaard. Daarnaast voert een aantal verschenen gedaagden verweer op de grond dat niet kan worden vastgesteld dat Deutsche Bahn de nog vast te stellen schade heeft geleden. Ook staat verleende immuniteit in de weg aan veroordeling van twee gedaagden en is de dagvaarding voor wat betreft een van hen (DWK) naar een onjuist adres verstuurd en daarom nietig, in ieder geval is als gevolg daarvan niet enige verjaringstermijn gestuit. Duits recht is, zo stellen partijen zelf en oordeelt ook de  rechtbank, van toepassing.

De rechtbank oordeelt dat, in lijn met het oordeel van het Hof van Justitie, de procesregels van de bevoegde rechter van toepassing zijn. Eerder is rechtsmacht al vastgesteld. Omdat DWK niet onredelijk in haar belang is geschaad en wel is verschenen, dekt dat de nietigheid van de dagvaarding. De rechtbank geeft daarbij aan dat de beslissing over de geldigheid van de dagvaarding niet van invloed is op het debat of de vordering tijdig is gestuit. Daarover dient onafhankelijk te worden
beslist, al komt de rechtbank daar in deze zaak niet aan toe. Op grond van artikel 4 WCOD beheerst het recht van de staat waarop mededingingshandelingen de concurrentieverhoudingen beïnvloeden de verbintenissen (uit onrechtmatige daad) tussen partijen. Artikel 7 WCOD bepaalt het toepasselijke recht, in het bijzonder voor wat betreft verjaring van de vordering tot schadevergoeding alsook schorsing en stuiting van die termijn. Het Duitse recht kent in een zaak als deze twee verjaringstermijnen. Een subjectieve van 3 jaren, een objectieve van 10 jaren. In deze kwestie geldt dat in september 2012, 10 jaar nadat het kartel werd beëindigd en de deelnemers werden vervolgd, eventuele vorderingen verjaren, tenzij er is gestuit. Het beroep op een bepaling die pas na beëindiging van het kartel is ingevoerd faalt, deze mist toepassing. Niet contractuele verbintenissen beoordeelt men volgens Duits recht, een overgangsregeling ontbreekt, naar het recht dat bij het ontstaan van de verbintenis van toepassing was. Terugwerkende kracht acht de rechtbank niet aan de orde, evenmin blijkt van stuiting of schorsing van rechtswege. De vorderingen zijn verjaard. Ook beroep op EU‐richtlijn 2014/104/EU baat hen niet, deze richtlijn dateert van na het einde van het kartel, lidstaten hoeven bovendien pas eind 2016 aan die richtlijn te voldoen. De rechtbank verklaart ten aanzien van twee niet verschenen gedaagden voor recht dat zij in strijd hebben gehandeld met artikel 101 WVEU. Zij zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de door Deutsche Bahn c.s. geleden schade. Het niet voeren van verweer blijkt dus een
potentieel kostbare aangelegenheid, het oordeel verjaring ten aanzien van de wel verschenen partijen trekt de rechtbank niet één‐op‐één door.

Mr. Robert Lonis - december 2016


Wie eist, bewijst. Aanbod tot bewijslevering van onderbouwde stellingen niet te passeren bij gemotiveerde betwisting

09-12-2016

Smartnewz AR 2016/3698
Hof Arnhem‐Leeuwarden, 6 december 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:9856 ‐ Op SmartNewz sinds: 8 december 2016


Op oudejaarsdag vliegt een auto in de brand en gaat verloren. De eigenaar is kennelijk te jong om op eigen naam een verzekering af te sluiten. Als de relatie van de jongeman stukloopt, eindigt ook de verzekering van de auto; schoonmoeder was tot dan toe verzekeringsnemer en wil dat niet meer. Oma, al kan zij lezen, schrijven noch autorijden, biedt uitkomst. Hoewel Oma geen rijbewijs heeft, sluit zij via de verzekeringstussenpersoon op haar naam een verzekering af. De verzekeraar weigert op de schade uit te keren. Oma is namelijk niet de regelmatige bestuurder, heeft geen rijbewijs en is evenmin eigenaar van de auto. De jongeman stelt daarop de verzekeringstussenpersoon aansprakelijk voor de schade die hij leidt omdat de verzekeraar de claim afwijst en vordert vergoeding van € 35.375,‐. Volgens hem is de tussenpersoon tekortgeschoten in diens zorgplicht, heeft deze niet gehandeld zoals van een redelijk denkend en handelend assurantietussenpersoon mag worden verwacht en handelt deze daarom onrechtmatig jegens hem. Over de feitelijke gang van zaken kort voorafgaand aan het afsluiten van de verzekering op naam van Oma lopen de lezingen sterk uiteen. De jongeman stelt dat tijdens een huisbezoek een vragenformulier is ingevuld. Op advies van de tussenpersoon is Oma vervolgens verzekeringnemer geworden, het ontbreken van een rijbewijs controleert toch niemand. De jongeman verwijt de tussenpersoon niet te hebben gewaarschuwd voor mogelijke gevolgen van deze gang van zaken. De tussenpersoon ontkent deze lezing. De vragenlijst is telefonisch doorgenomen, er is geen huisbezoek afgelegd. Op de haar gestelde vragen antwoordt Oma dat zij een rijbewijs heeft, er is geen afwijkende regelmatig bestuurder. De tussenpersoon zend de aanvraag door naar de verzekeraar.

Het oordeel van de rechtbank in eerste aanleg is dat niet is voldaan aan de stelplicht. Aan bewijslevering komt de rechtbank niet toe. Het Hof overweegt dat als de feiten en omstandigheden die door de jongeman worden gesteld komen vast te staan, dat kan leiden tot gehele of gedeeltelijke toewijzing van het gevorderde. Komt vast te staan dat de tussenpersoon adviseerde om op naam van Oma een verzekering af te sluiten, terwijl deze weet of behoort te weten dat Oma geen rijbewijs heeft en niet de regelmatige bestuurder van de auto is én bij het afsluiten van de verzekering niet waarschuwt voor de gevolgen van het op die wijze afsluiten van een verzekering, schiet zij tekort in de zorg die van haar als assurantietussenpersoon mag worden verwacht. Zij handelt dan onrechtmatig en is dan gehouden tot vergoeding van de schade. De jongeman stelt naar het oordeel van het Hof voldoende feiten en omstandigheden om, indien deze vast komen te staan, tot dat oordeel te kunnen komen. Omdat de assurantietussenpersoon de feiten en omstandigheden gemotiveerd heeft betwist, laat het Hof de jongeman toe tot het leveren van bewijs van zijn stellingen. Het oordeel van de rechtbank blijkt te kort door de bocht. Wie eist, bewijst. Brengt de eisende partij voldoende naar voren om de vordering te kunnen dragen, dan dient deze bij gemotiveerde betwisting te worden toegelaten tot bewijslevering, bijvoorbeeld door getuigen te laten horen.

Mr. Robert Lonis - december 2016


Erfolgsort onrechtmatig handelen; bevoegdheid én rechtsmacht aangenomen na faillissement als gevolg van misbruik machtspositie

06-12-2016

Smartnewz AR 2016/3621
Rechtbank Zeeland‐West‐Brabant, 28 september 2016, ECLI:NL:RBZWB:2016:6136 ‐ Op SmartNewz sinds: 5 december 2016


De markt voor fosfor, een chemisch element relevant voor de productie van landbouwchemicaliën, voedingsmiddelen, geneesmiddelen en wasmiddelen, kenmerkt zich als een oligopolie met wereldwijd slechts enkele producenten. Thermphos betreft een vennootschap naar Nederlands recht, tot aan haar faillissement eind 2012 enig producent van witte fosfor in de Europese Unie. Zij heeft geen eigen toegang tot grondstoffen. Kazphosphate uit Kazachstan produceert witte fosfor én heeft toegang tot fosformijnbouw. Gedurende enige tijd behoren de vennootschappen tot dezelfde groep. Een overeenkomt tussen partijen strekt in die tijd tot wederzijds voordeel, de eigenaar van de aandelen verkoopt echter een deel van zijn belangen. Geschillen en procedures over de overeenkomst leiden uiteindelijk tot een afnamestop. Uit onderzoek van de Europese Commissie na klachten blijkt dat verkoop door Kazphosphate in de EU heeft plaatsgevonden tegen dumpprijzen en staat een oorzakelijk verband met de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade vast. De invoer met dumping door Kazphosphate is voor die schade bepalend geweest. Thermphos verliest ruim 60% marktaandeel en failleert. Het commissierapport levert de curatoren voer om een verklaring voor recht wegens onrechtmatig handelen en vergoeding van de daardoor geleden schade te vorderen. Kazposphate betwist zowel rechtsmacht, toepasselijkheid van Nederlands recht alsook het oordeel van de Commissie.

De rechtbank toetst bevoegdheid en toepasselijk recht aan zowel artikel 6 Rv als aan artikel 7 EEX‐vo en loopt daarbij relevante jurisprudentie af. Valt de plaats waar het gevolg van onrechtmatig handelen intreedt niet samen met de locatie waar dat handelen plaatshad, dan kan de eiser kiezen waar deze de verweerder oproept. De zetel van benadeelde is aan te merken als plaats waar de schade intreedt ingeval van onrechtmatig ‐ mededinging beperkend ‐ handelen. De rechtbank oordeelt dat zowel artikel 4 en artikel 6 van de Rome‐II‐verordening als artikel 3 WCOD de toepasselijkheid van het recht van de Staat waar de onrechtmatige daad schadelijk inwerkt (lex loci damni) eveneens via de vestigingsplaats van de benadeelde vennootschap, van toepassing is. De Europese Commissie stelde vast dat er sprake was van prijsdumping, Kazphosphate stelt ‐ zonder toelichting ‐ naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om het oordeel van de Commissie te weerleggen. De rechtbank stelt vast dat Kazphosphate langdurig en stelselmatig fosfor op de Europese markt heeft aangeboden tegen prijzen die sterk onder de prijs
van Thermphos lagen, prijzen die geen weerspiegeling van de productieprijs en een redelijke opslag voor kosten vormden. Biedt een partij goederen goedkoper aan dan de concurrentie, dan is dat in beginsel niet onrechtmatig. Maakt die partij echter misbruik van diens economische machtspositie door, met behulp van predatory pricing, stelselmatig onder de prijs van de concurrentie te verkopen, dan handelt deze partij onrechtmatig. Met het oogmerk om Thermphos van de markt te verdringen heeft Kazphosphate de mededinging effectief onmogelijk gemaakt. Zij dient de schade die daarvan het gevolg is te vergoeden. Thermphos is failliet. De schade, nader op te maken bij staat, dient de te worden vergoed aan de boedel.

Mr. Robert Lonis - december 2016


Aansprakelijkheid voor onrechtmatig handelen in groepsverband op criteria strafrechtelijk oordeel, goed voor 20 miljoen Euro.

02-12-2016

Smartnewz AR 2016/3590
Rechtbank Noord‐Holland, 30 november 2016, ECLI:NL:RBNHO:2016:9877
Op SmartNewz sinds: 1 december 2016

De directeur van Woningbouwvereniging SGBB, inmiddels opgegaan in Stichting Vestia Groep, heeft een groot aantal transacties verricht met een aantal vennootschappen gelieerd aan één persoon. Boven deze groep vennootschappen hangt een Holding, met als bestuurder de toenmalige echtgenote van deze ene persoon. Onderzoek verricht op last van het ministerie van VROM leidde tot strafrechtelijk onderzoek, vervolging en uiteindelijk veroordeling wegens oplichting en andere feiten van diverse betrokken, maar niet van de echtgenote. De strafrechter oordeelt dat de directeur en de feitelijk leidinggevende handlangers en oprichters van een criminele organisatie zijn, een gestructureerd samenwerkingsverband waar deelnemers in een duurzame onderlinge samenwerking participeerden, gericht op het onttrekken van gelden aan het vermogen van SGBB (oplichting). Het verdelen van deze gelden onder elkaar door middel van valsheid in geschrift en witwassen gebeurde volgens een vast patroon. Vestia vordert vergoeding van bijna € 20 miljoen op grond van onrechtmatig handelen in groepsverband, mede onderbouwd met de in de strafzaken gevelde oordelen. Vestia verwijt de echtgenote die voor miljoenen onroerend goed op naam kreeg, als statutair bestuurder, niet zorgvuldig handelen en het niet nemen van verantwoordelijkheid. Een passieve houding, nalaten kritische vragen te stellen en het volledig uit handen geven van haar bestuurstaak levert volgens Vestia onbehoorlijk bestuur op.

De feitelijk leidinggevende is strafrechtelijk veroordeeld. Gelet op de strafrechtelijke oordelen worden de stellingen van SGBB, als onvoldoende weersproken, als feit aangenomen. Men is doelbewust transacties aangegaan met het oogmerk om daar privé aan te verdienen. De samenwerking in groepsverband was gericht op toebrengen van vermogensschade. Wetenschap van de kans op schade is dan aanwezig. De mogelijkheid van individuele aansprakelijkheid voor gedragingen van andere groepsleden volgt uit artikel 6:166 BW en wordt gevestigd indien een (rechts‐)persoon deelneemt aan gedragingen in groepsverband. Aansprakelijkheid op deze grond kan alleen worden aangenomen indien de aangesprokene weet of behoort te begrijpen dat het groepsoptreden gevaar schept voor het ontstaan van in concreto opkomende schade. De overwegingen van de strafrechter bevestigen een patroonmatig karakter van de in de strafzaak onderzochte transacties. De beschrijving van feiten door Vestia toont aan dat dit patroon ook in andere transacties zichtbaar is. Voordeel trekken uit het stelselmatig oplichten van SGBB is volgens de rechtbank de drijfveer die ten grondslag lag aan het groepshandelen en onrechtmatig. De holding is aansprakelijk, zij heeft vennootschappen bestuurd die onrechtmatig hebben gehandeld en zij zich heeft laten gebruiken als vehikel bij de oplichting van SGBB en daarbij lid van de groep waarmee de oplichting gestalte werd gegeven. De vordering van Vestia is toewijsbaar. De statutair bestuurder is niet strafrechtelijk veroordeeld. Het groepshandelen en het vermoeden dat zij op de hoogte was van de gang van zaken is niet voldoende om aansprakelijkheid aan te nemen. Het gebrek aan toezicht en kritische opstelling jegens haar dominante echtgenoot wel, al vallen deze fouten in het niet bij het gebrek aan (effectief) toezicht door SGBB als corporatie. De rechtbank neemt daarom eigen schuld aan en matigt de vordering jegens haar tot een nader vast te stellen bedrag. Het is maatschappelijk niet aanvaardbaar dat nog aanwezig en uit misdrijf verkregen voordeel zou mogen worden behouden.

Mr. Robert Lonis - november 2016


Letselschadevergoeding en belasting

28-11-2016
Over een letselschadevergoeding wordt in beginsel geen belasting geheven. Op deze regel bestaan echter uitzonderingen. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als de vergoeding (gedeeltelijk) ziet op het verlies van verdiencapaciteit.

Om het risico uit te sluiten dat er alsnog een deel van de letselschadevergoeding moet worden afgedragen, waardoor er netto een lager bedrag resteert, kan er een belastinggarantie worden verstrekt door de verzekeraar. Een belastinggarantie houdt in dat de verzekeraar garandeert een eventuele heffing door de belastingdienst voor zijn rekening te nemen.

Let op, de belastinggarantie heeft slechts betrekking op de inkomstenbelasting. Belasting betreffende inkomen uit sparen en beleggen (Box 3) moet - ook indien er een belastinggarantie is verstrekt door de verzekeraar - worden voldaan door de ontvanger van de letselschadevergoeding. Bij de vaststelling van de hoogte van de vergoeding wordt doorgaans wel rekening gehouden met de belasting die moet worden afgedragen vanwege inkomen uit sparen en beleggen.

Het is raadzaam om navraag te doen over het bovenstaande bij de belastingdienst, de verzekeraar en/ of uw belangenbehartiger vóórdat het uit te keren bedrag is vastgesteld.

mr. Sanne Kleerebezem – november 2016 -





Okkerse & Schop Advocaten spreekt over privacy op congres voor overheid en gemeenten

28-11-2016
Onze collega Mirjam Davelaar verzorgde op 8 november 2016 zowel een plenaire lezing als een tweetal workshops voor verschillende gemeenten en andere overheidsinstanties. Hierbij nam zij de aanwezigen mee in de wereld van datalekken en privacy. De ruim 170 aanwezigen hadden veel belangstelling voor de regelgeving en de do’s en don’ts omtrent het datalekken en de privacy.


Sinds de invoering van de meldplicht datalekken op 1 januari 2016 van dit jaar, zijn organisaties in veel gevallen verplicht om het datalek te melden bij de Autoriteit persoonsgegevens en in sommige gevallen zelfs bij de betrokkene (de persoon van wie de persoonsgegevens worden verwerkt).

Bij gemeenten en schuldhulpverleners is het verwerken van persoonsgegevens aan de orde van de dag. De kans op een datalek is daarmee groot. Des te belangrijker is het om je daar als organisatie bewust van te zijn. Het ten onrechte niet melden van een datalek kan tot hoge boetes leiden, namelijk € 820.000,- of 10% van de jaaromzet.

Mirjam nam de deelnemers mee in praktijkvoorbeelden en heeft uitgelegd wanneer en hoe een datalek moet worden gemeld.

Okkerse & Schop Advocaten staat overheden, zorginstellingen en ondernemers bij op het gebied van privacy. Wij adviseren over de algemene aspecten, stellen juridisch relevante documenten op en staan organisaties bij in het kader van damagecontrol.

Heeft u over dit onderwerp vragen? Neem dan vrijblijvend contact op met het kantoor via 036-534 6220 of advocaten@okkerse-schop.nl.


Okkerse & Schop Advocaten spreekt op landelijke studiedag - Voorkomen van Uithuiszetting -

24-11-2016
Op dinsdag 13 november 2016 heeft Vera Hartkamp van Okkerse & Schop Advocaten op de landelijke studiedag ‘Voorkomen van Uithuiszetting’ gesproken over de samenhang tussen gegevensuitwisseling en privacy. Een mooie opkomst van ruim 100 aanwezigen, waaronder veel medewerkers van gemeenten en woningcorporaties.


Binnen gemeenten zijn er veel verschillende instellingen die de burger proberen te ondersteunen indien en daar waar nodig. Het is efficiënt als de gemeente en die instellingen snel en eenvoudig gegevens kunnen uitwisselen om de burger te helpen. Echter, gelet op de Wet Bescherming Persoonsgegevens (Wbp), mag dit niet zomaar en kan onrechtmatige verwerking worden gesanctioneerd met aanzienlijke boetes en verscherpt toezicht. Vera heeft de reikwijdte van de Wbp uiteengezet en aan de hand van voorbeelden geïllustreerd dat het niet altijd duidelijk is of het verwerken van persoonsgegevens is toegestaan. Een overeenkomst met de afspraken tussen partijen – een convenant – kan goede handvatten bieden. Okkerse & Schop Advocaten kan de privacygevoelige werkzaamheden binnen uw onderneming juridisch beoordelen, u daarin verder adviseren en u eventueel ondersteunen bij het opstellen van een convenant ter zake de gegevensuitwisseling.

Heeft u over dit onderwerp vragen? Neem dan vrijblijvend contact op met het kantoor via 036-534 6220 of advocaten@okkerse-schop.nl.


De Meldplicht Datalekken; zorg dat je bent voorbereid!

23-11-2016
In de afgelopen periode ontploft de media met berichten over datalekken. Daar is een reden voor. Per 1 januari van dit jaar is namelijk de meldplicht datalekken in werking getreden en zijn organisaties in bepaalde gevallen verplicht om een melding te maken van dit datalek. Deze meldplicht is opgenomen in de al langer bestaande Wet bescherming persoonsgegevens. Deze wet is van toepassing op de organisatie die persoonsgegevens verwerkt. Daarbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan het opnemen van een naam en adres in een klantenbestand. Vele organisaties hebben dus te maken met deze wet, van zorginstellingen tot gemeenten en van MKB-ondernemers tot woningcorporaties.

Indien er sprake is van een datalek, kom je als organisatie voor de vraag te staan of je dit datalek moet melden bij de Autoriteit Persoonsgegevens en eventueel ook bij de betrokkene, degene op wie de persoonsgegevens betrekking hebben. Aan de hand van een aantal door de wet en beleidsregels ingevoerde handvatten zal de organisatie deze afweging zelf moeten maken. Een verkeerde afweging kan tot vervelende consequenties leiden. Het ten onrechte niet nakomen van de meldplicht kan namelijk tot forse boetes leiden, te weten maximaal € 820.000,- of 10% van de jaaromzet.

Elke organisatie loopt helaas het risico op een datalek. Een datalek kan in alle soorten en maten plaatsvinden. Daarbij kan gedacht worden aan het abusievelijk versturen van een e-mailbericht met persoonsgegevens naar een verkeerde ontvanger maar ook aan het verlies van een USB-stick met persoonsgegevens. Dit zijn vormen waarbij er sprake is van onopzettelijk foutief menselijk handelen van medewerkers, maar een organisatie kan eveneens te maken krijgen met malafide hackers. Helaas zijn daar ook genoeg voorbeelden van de te noemen. Kortom, datalekken zijn aan de orde van de dag en het kan eenieder overkomen.

Niet alleen dient een organisatie de meldplicht datalekken na te komen, maar ook dient de organisatie de overige verplichtingen uit de Wet bescherming persoonsgegevens na te leven. Ook bij de schending van deze andere verplichtingen kunnen verschillende sancties worden opgelegd door de Autoriteit Persoonsgegevens, waaronder een boete. Buiten de op te leggen sancties door de Autoriteit Persoonsgegevens kan er ook civielrechtelijke aansprakelijkheid volgen, bijvoorbeeld indien een betrokkene schade heeft geleden doordat er niet in overeenstemming is gehandeld met de Wet bescherming persoonsgegevens.

Als organisatie is het daarom van belang om een adequaat privacyprotocol neer te zetten waardoor beter gewaarborgd wordt dat de verplichtingen uit de Wet bescherming persoonsgegevens worden nagekomen. Het is van belang om dat privacyprotocol juridisch te laten toetsen. Dat geldt eveneens voor de bewerkersovereenkomsten die organisaties op grond van de wet verplicht zijn om af te sluiten met hun bewerkers, de partijen die in opdracht van de organisatie persoonsgegevens verwerken. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een clouddienstverlener.

In een dergelijke bewerkersovereenkomst wordt onder andere afgesproken hoe de clouddienstverlener omgaat met een datalek. De organisatie blijft namelijk steeds verantwoordelijk voor de meldplicht van het datalek, ook al worden de persoonsgegevens verwerkt door een derde, zoals de clouddienstverlener. Het is daarom van groot belang om hier goede afspraken over te maken die worden vastgelegd in de bewerkersovereenkomst en ervoor te zorgen dat de ingeschakelde derde óók de verplichtingen nakomt.

Per 25 mei 2018 zal de Algemene verordening gegevensverwerking in werking treden. Deze verordening brengt mee dat er verschillende wijzigingen zullen plaatsvinden die ook weer gevolgen zullen hebben voor organisaties die persoonsgegevens verwerken. Tegen die tijd moet de organisatie er dus voor zorgen dat wordt voldaan aan deze nieuwe verplichtingen uit de Europese regelgeving.

Kortom, zorg er voor de uw organisatie privacy compliant is indien u persoonsgegevens verwerkt. Tref de juiste technische maatregelen en zorg voor een adequate juridische check van de belangrijkste documenten, zowel preventief als tussentijds!
Voor meer informatie kunt u contact opnemen met mr. Mirjam Davelaar of mr. Phuong Nguyen van de sectie ondernemingsrecht.

Mirjam Davelaar
- Sectie ondernemingsrecht -



Indexeringspercentage voor 2017 bekend: alimentatiebijdrages met 2,1% omhoog.

07-11-2016
Elk jaar wordt het indexeringspercentage voor de alimentatieverplichtingen vastgesteld door de Minister van Justitie en bekendgemaakt in de Staatscourant. Hierdoor stijgt de alimentatie met de gemiddelde loonsverhogingen mee, zoals deze door het CBS zijn berekend.
Zojuist is het percentage bekend geworden waarmee zowel de kinder- als de partneralimentatie (tenzij dit bij overeenkomst of uitspraak is uitgesloten) per 1 januari 2017 verhoogd worden, namelijk 2,1%.
Deze verhoging geldt voor alle vormen van alimentatie, ongeacht of deze door de rechter zijn vastgesteld of door partijen zelf zijn afgesproken. Vorig jaar was het indexeringspercentage 1,3%.

Mocht u meer willen weten over indexeren, alimentatie of over andere personen- en familierecht gerelateerde onderwerpen, neem dan contact op met onze sectie.

Mr. Marleen Falkena, november 2017


Aanvaarden erfenis?

12-09-2016
Er is een nieuwe wet die vanaf 1 september 2016 de nabestaanden meer bescherming biedt.
De bescherming ziet op erven die worden beschermd tegen schulden in een erfenis.

Als erfgenaam kan je slecht een maal kiezen of de erfenis wordt verworpen, wordt geaccepteerd of beneficiair wordt aanvaardt.  

De nieuwe wet geeft de erfgenamen echter een extra mogelijkheid om de erfenis beneficiair te aanvaarden als de erfgenamen de erfenis eerder al hadden geaccepteerd en er onverwachts blijkt dat er toch meer schulden zijn dan opbrengsten. De nieuwe wet laat de beneficiaire aanvaarding alsnog toe in bepaalde gevallen.

Zo kan je als erfgenaam na aanvaarding van de erfenis alsnog beneficiair aanvaarden als blijkt dat er sprake is van onverwachte schulden. Dit zijn schulden die niet eenvoudig uit de administratie van de overledene zijn op te maken. Denk hierbij bijvoorbeeld aan aanspraken van stieffamilie of online schulden.

Eerder was het ook zo dat het meenemen van een enkel voorwerp uit de woning van de overledene al genoeg kon zijn om een erfenis onbewust te aanvaarden. Dit betekende dat als er in die erfenis schulden bleken te zitten deze voor rekening van de erfgenaam kwam door de onbewuste aanvaarding.
Met name leverde dit problemen op in de praktijk bij het leegruimen van een huurwoning. Doorgaans dienen de huurwoningen zeer snel na overlijden ontruimd te worden. In de nieuwe wet wordt het ontruimen van een woning niet meer gezien als zuivere aanvaarding van de nalatenschap. Het verkopen en verhuren van de inboedel en/of woning leidt echter nog wel tot zuivere aanvaarding van de erfenis.  

Bij twijfel van de erfgenaam over de status van erfenis blijft het advies om de erfenis beneficiair te aanvaarden. De erfgenaam geeft daarmee aan dat de erfenis onder voorbehoud wordt geaccepteerd. Mochten er toch meer schulden blijken te zijn dan baten kan er alsnog van de erfenis worden afgezien.  

Mr. Yvette Heruer - sectie ondernemingsrecht - september 2016


De schoolfoto!

07-09-2016
Op 23 augustus 2016 heeft de Rechtbank Overijssel een lezenswaardig vonnis gewezen. Een schoolfotograaf heeft, na het maken van foto’s van leerlingen van een school, foto’s ter beschikking gesteld aan de school waarop de leerlingen hun lessen volgden. De school heeft de foto’s vervolgens aan de leerlingen meegegeven om deze thuis te laten zien. Bij het fotopakket was een machtigingsformulier, een bestelformulier en een retourenvelop gevoegd. Het is dan, in optiek van de schoolfotograaf, de bedoeling dat de ouders of verzorgers van de leerling kunnen beoordelen of zij de foto’s willen houden of dat zij deze terug willen geven. Een verplichting tot afname, meer in het bijzonder op grond van bijvoorbeeld een koopovereenkomst, bestaat op dat moment echter nog niet.

De schoolfotograaf heeft aangegeven dat, indien de foto’s niet gewenst zijn, deze kosteloos kunnen worden geretourneerd. Worden de foto’s echter behouden, dan zou een bedrag van € 16,50 verschuldigd zijn.

Hoewel het belang, een bescheiden bedrag van € 16,50, de meeste mensen niet zal verleiden tot het aanspannen van een procedure, is dat in de onderhavige kwestie toch gebeurd. In deze procedure is tegen de vordering tot betaling van de fotograaf namens de ouders van de gefotografeerde leerling aangevoerd dat er sprake is van ongevraagde toezending van zaken en dat de foto’s om die reden mogen worden behouden zonder dat daarvoor hoeft te worden betaald. Overigens was in dit geval door de ouders geen toestemming gegeven om de foto’s te maken.

De fotograaf heeft aan de ingestelde vordering een koopovereenkomst ten grondslag gelegd. Er zijn echter geen details verstrekt over het moment en de wijze waarop deze overeenkomst tot stand zou zijn gekomen. Daarnaast werd het standpunt ingenomen dat de ontvangst en het vervolgens niet terugzenden van de foto’s tot een betalingsverplichting zou leiden. Op het bij de foto’s gevoegde machtigingsformulier is opgenomen dat binnen 10 dagen de foto’s moeten worden teruggestuurd omdat men zich anders verplicht tot afname.

De kantonrechter overweegt dat, om consequenties te kunnen verbinden aan het niet terugzenden, er moet worden vastgesteld waar enige verplichting tot terugzenden op is gebaseerd. Nu er nog geen koopovereenkomst is gesloten, kan daaruit een dergelijke gebondenheid niet worden afgeleid. Omdat niet is gebleken van een bestelling of aanvraag tot het toezenden van de foto’s, kan evenmin gebondenheid tot terugzending worden gevonden in de enkele verstrekking daarvan. De kantonrechter heeft dan ook vastgesteld dat er geen genoegzame grondslag bestaat die de ouder/verzorger in deze kwestie verplicht tot terugzending van de foto’s. Daarmee gaat het verweer dat namens de ouders is gevoerd dus op, te weten dat er sprake is van een situatie van ongevraagde levering van zaken ten einde de ontvanger tot een koop te bewegen. Op een dergelijke situatie is artikel 7:7 lid 2 van het BW van toepassing. Dit artikel vloeit voort uit de implementatie van een EU-richtlijn (2011/83/EU) met het oog op consumentenrechten. Het artikel in het BW bepaalt dat voor een consument geen verplichting tot betaling ontstaat bij ongevraagde levering van zaken. Ook het uitblijven van een reactie van de consument wordt niet als aanvaarding van enige overeenkomst aangemerkt. Bij een ongevraagde levering is de consument dan ook bevoegd de zaak om niet te behouden. De schoolfotograaf heeft dan ook, door het ongevraagd toezenden van de foto’s, in strijd gehandeld met de wet, zodat zijn vordering op de door hem aangevoerde gronden moet stranden. Ook de nader aangevoerde grondslag van het ongerechtvaardigd verrijkt zijn van de ouder door het behouden van de foto’s strandt. Het betreffende artikel brengt dat tot uiting door te bepalen dat geen verplichting tot betaling ontstaat, zodat die formulering met zich brengt, conform de bedoeling van de wetgever, dat ook niet op een andere grondslag betaling kan worden afgedwongen.

Hoewel in de procedure – voor zover uit de uitspraak valt te herleiden – niet over auteursrecht is gesproken, krijgt een fotograaf normaliter automatisch auteursrecht op al zijn foto’s zolang die voldoende origineel zijn. Op grond van dit auteursrecht op de foto’s kan de fotograaf, en doorgaans alleen de fotograaf, beslissen wat er met de foto’s mag gebeuren. Of in dit geval de fotograaf met succes een beroep op het auteursrecht zou hebben kunnen doen is overigens nog een tweede. Uit de uitspraak lijkt namelijk te volgen dat er geen sprake is geweest van het verlenen van toestemming door de ouders voor het maken van foto’s. De fotograaf heeft wel het auteursrecht op de betreffende foto’s, waarbij in beginsel heeft te gelden dat wanneer een portret niet in opdracht is gemaakt, het in beginsel vrij gepubliceerd mag worden. Anderzijds komt het portretrecht van de gefotografeerde om de hoek kijken en zonder toestemming van de geportretteerden zal hij daarmee niet veel hebben kunnen aanvangen. Immers, indien de afgebeelde persoon een redelijk belang heeft, hetgeen bij een foto van een minderjarige snel zal kunnen worden aangenomen, kan deze zich tegen publicatie van een portret te verzetten.  

De schoolfotograaf zal zijn les met betrekking tot het ongevraagd toezenden van foto’s hopelijk geleerd hebben. In ieder geval doet de leverancier van diensten zoals die van de schoolfotograaf er goed aan om zijn contractuele en financiële belangen goed in het oog te houden en zijn handelwijze en (leverings)voorwaarden aan te passen aan de geldende regelgeving. Dit geldt natuurlijk niet alleen voor de schoolfotograaf maar voor elke organisatie die op een vergelijkbare wijze zijn waren aan de man brengt.

Mr. Robert Lonis - Secties verbintenissenrecht, aansprakelijkheden en insolventierecht -


Gemeenschap van Goederen 2.0

24-08-2016
Gemeenschap van Goederen 2.0

Door de Kamerleden Swinkels, Recourt en Van Oosten is reeds in 2014 het wetsvoorstel (33987) bij de tweede kamer ingediend tot beperking van de wettelijke gemeenschap van goederen.

Nu is het nog zo dat wanneer je trouwt (of een geregistreerd partnerschap sluit) en je geen huwelijkse voorwaarden overeenkomt bij de notaris er automatisch een wettelijke gemeenschap van goederen ontstaat. Alles wat beide partijen al hadden voor het huwelijk en wat zij tijdens het huwelijk verkrijgen, wordt gezamenlijk. Dus de eenmanszaak, de schulden, het geld op de spaarrekening, de auto, het huis, alles wordt gemeenschappelijk. Ook een schenking of erfenis valt in beginsel in deze gemeenschap van goederen, tenzij er sprake is van een uitsluitingsclausule.

Wanneer het wetsvoorstel wordt aangenomen, geldt deze wet alleen voor huwelijken die worden gesloten nadat de wet in werking is getreden. Ingevolge het wetsvoorstel blijft alles wat iemand al voor het huwelijk heeft privé, dat geldt zowel voor schulden als voor vermogen. Ook schenkingen en erfenissen blijven in beginsel privé, tenzij door de schenker of erflater is vastgelegd dat het vermogen voor beide partijen is bestemd. Alleen alles wat tijdens het huwelijk wordt verkregen, wordt gemeenschappelijk en zal bij een eventuele echtscheiding moeten worden verdeeld. Het blijft overigens wel mogelijk om in algehele gemeenschap van goederen te trouwen, maar dat dient bij de notaris te worden vastgelegd. Dat is dus precies andersom vergeleken met de huidige situatie, waarbij een gemeenschap van goederen door het sluiten van een huwelijk automatisch ontstaat. Alleen door andere afspraken in huwelijkse voorwaarden vast te laten leggen bij de notaris kan worden afgeweken.

Het voordeel van dit wetsvoorstel is dat het in veel gevallen rechtvaardiger is dat hetgeen er voor het huwelijk al was niet gedeeld hoeft te worden, of het nu schulden zijn of een positief vermogen. Het voelt voor mensen vaak oneerlijk als het verschil in vermogen tussen partijen voor het huwelijk groot was en bij de scheiding alles bij helfte moet worden verdeeld.

Een nadeel is dat er waarschijnlijk veel discussie gaan komen over wat voor en wat tijdens het huwelijk is verworven. Dit gaat bewijstechnisch ongetwijfeld tot problemen leiden. Als partijen voor het sluiten van hun huwelijk niet naar de notaris gaan, is dus ook niet vastgelegd wat zij al hadden. Als het dan uiteindelijk toch tot een scheiding komt, is het maar de vraag of partijen nog helder hebben en ook kunnen aantonen wat privévermogen was toen zij gingen trouwen.

In april van dit jaar heeft de tweede kamer ingestemd met het wetsvoorstel, het voorstel ligt nu bij de eerste kamer. Het is de bedoeling dat de wet per 1 januari 2017 in werking zal treden. Zodra hierover meer duidelijk is, zullen wij dat op onze site plaatsen. Uiteraard kunt u bij vragen ook altijd contact opnemen met onze sectie personen- en familierecht.

Mr. Marleen Falkena – augustus 2016


Valt een letselschade uitkering in de gemeenschap van goederen?

18-08-2016
Het uitgangspunt van een gemeenschap van goederen is dat alle goederen van beide partijen in de gemeenschap vallen, zowel de goederen die er waren bij de aanvang van het huwelijk als de goederen die tijdens het huwelijk zijn verkregen. Een uitzondering hierop geldt voor de zogenaamde verknochte goederen. In de rechtspraak is uitgemaakt wanneer er wel en wanneer niet sprake is van een verknocht goed. Er moet worden gekeken naar de aard van het goed en die moet naar de maatschappelijke maatstaven worden beoordeeld.

Degene die stelt dat een smartengelduitkering verknocht is, zal in ieder geval moeten aantonen op welke schade de uitkering betrekking heeft. Als de uitkering betrekking heeft op bijvoorbeeld verminderde verdiencapaciteit, maar de uitkering tijdens het huwelijk wordt aangewend voor iets anders, bijvoorbeeld voor een verbouwing of een nieuwe auto, is de uitkering daarmee niet langer identificeerbaar. De Hoge raad (het hoogst rechtsprekende college van Nederland) heeft daarover gezegd dat daardoor de verknochtheid komt te vervallen.

Overigens komt het wel voor dat ook het vervangende goed verknocht is. Als bijvoorbeeld vaststaat dat een vordering op de schadeverzekeraar verknocht is, is ook het geld dat door betaling in de plaats komt van een verknochte vordering nog verknocht. Wanneer dat geld wordt uitgegeven, vervalt meestal de verknochtheid, afhankelijk van wat er van wordt gekocht.

Ook komt het wel voor dat een deel van de schade-uitkering als verknocht wordt aangemerkt. Als iemand bijvoorbeeld een tijdens het huwelijk een voorschot op de totale schadevergoeding krijgt en dit voorschot wordt tijdens de scheiding in de verdeling betrokken, kan het zo zijn dat de resterende schadevergoeding die na de ontbinding van het huwelijk wordt uitgekeerd niet alsnog verdeeld hoeft te worden, van belang daarbij is waartoe de aanspraak naar zijn aard bestemd is. Als dat is ter compensatie voor het leed wat een persoon heeft ondergaan en in de toekomst door de aard van het letsel zal ondergaan, dan is die vergoeding dus afgestemd op de aan de persoon verbonden nadelige gevolgen van het ongeval. Daarmee is de uitkering verknocht en hoeft deze niet te worden meegenomen in de verdeling van de gemeenschap van goederen.

Wilt u meer weten over verknochtheid, neemt u dan vrijblijvend contact met mij op.

Mr. Marleen Falkena -  augustus 2016


Dag van de Scheiding - 9 september 2016

18-08-2016
Persbericht                                      


9 september vragen de advocaten van de vFAS aandacht voor ‘echtscheiden’.
Gratis scheidingscheck tijdens ‘Dag van de Scheiding’, ook bij u in de buurt.

De laatste jaren is het onderwerp ‘echtscheiden’ volop in het nieuws. En dat is niet voor niets, want één op de drie huwelijken strandt, zo blijkt uit cijfers van het CBS. Daarom heeft de vereniging van Familierecht Advocaten Scheidingsmediators, kortweg vFAS genoemd, de jaarlijkse ‘Dag van de Scheiding’ in het leven geroepen. Tijdens de Dag van de Scheiding, die dit jaar op 9 september plaatsvindt, kan eenieder die meer wil weten over dit onderwerp vrijblijvend terecht bij één van de ruim 700 kantoren die zijn aangesloten bij de vFAS.

Kosteloos advies over scheiden
Tijdens de Dag van de Scheiding openen veel advocaten en advocaat-scheidingsmediators van de vFAS hun deuren voor het brede publiek, zodat mensen vrijblijvend kennis met hen kunnen maken. Daarnaast is het mogelijk om een gratis scheidingscheck uit te laten voeren. Ook kunnen vragen worden gesteld en meer informatie worden verkregen over het onderwerp ‘scheiden’. Het kosteloos ingewonnen advies van de vFAS-advocaat-mediator geeft inzicht in de keuzes en/of gevolgen in specifieke situaties op het gebied van scheiden. Een overzicht van alle deelnemende kantoren is vanaf 1 september te zien op www.verder-online.nl, de consumentenwebsite van de vFAS.

Uit elkaar, met respect voor elkaar
Bijna 220 jaar geleden, op 15 september 1796, werd in Nederland de eerste echtscheiding uitgesproken. Daarom heeft de vFAS besloten om rond deze datum landelijk aandacht te vragen voor de noodzaak van deskundige begeleiding bij scheidingen. Zo hoeft een echtscheiding niet uit te monden in een vechtscheiding. De vFAS pleit ervoor om het proces tijdens en rondom een echtscheiding te verbeteren. Eventuele betrokken kinderen hoeven zo niet de dupe van de scheiding te worden. Het motto van de vFAS is dan ook ‘uit elkaar, met respect voor elkaar’. Sinds 2010 wordt jaarlijks de ‘Dag van de Scheiding’ georganiseerd.

Over de vFAS
Het merendeel van de aangesloten vFAS-leden is gespecialiseerd advocaat-scheidingsmediator. De vFAS-advocaat-scheidingsmediator beschikt, naast kennis op het relationele- en emotionele gebied en het gebied van kinderen, over de benodigde actuele juridische kennis om de echtscheiding op dit gebied goed te kunnen begeleiden; te denken valt aan de onderwerpen als alimentatie, de afwikkeling huwelijkse voorwaarden, pensioenverevening en het ouderschapsplan.

Afspraak maken
Wilt u een afspraak maken voor de dag van de scheiding, mail dan naar advocaten@okkerse-schop.nl, vermeld daarbij uw naam, telefoonnummer en het onderwerp waarover u informatie wenst. Tussen 9:00 en 13:00 kunt u terecht op onze vestiging te Lelystad en tussen 14:00 en 18:00 op onze vestiging te Almere.  


'ZomerOndernemer' bij Okkerse & Schop Advocaten

12-08-2016


'ZomerOndernemer' bij Okkerse & Schop Advocaten
12 augustus 2016
Deze week gaven onze collega's Mirjam Davelaar en Bram Schoonen een presentatie aan Flevolandse jongeren die deze zomer kennis maken met het ondernemerschap. Deze jongeren nemen deel aan het project ‘’ZomerOndernemer’’. Okkerse & Schop Advocaten organiseerde een van de terugkom middagen. Tijdens de bijeenkomst op ons kantoor in Lelystad zijn de jongeren bijgepraat over de belangrijkste juridische aspecten bij het starten van een onderneming. Het was een leerzame en plezierige middag!


Kind erkennen? Wees er snel bij!

27-07-2016
Kind erkennen? Wees er snel bij!

In juni 2016 heeft u op onze website kunnen lezen dat wij er voorstander van zijn dat iemand die een kind juridisch als het zijne erkent, ook meteen het gezag krijgt. Maar wat nu als u een kind wilt erkennen, maar de moeder daarvoor geen toestemming geeft? Dan moet u niet te lang stil blijven zitten. Op grond van een aantal recente uitspraken van rechters adviseren wij u als volgt:
1.         vraag eerst zelf toestemming aan de moeder om het kind te mogen erkennen. Doe dit schriftelijk en vraag om een reactie binnen een bepaalde termijn. De moeder kan alsnog toestemming geven, in welk geval u het als ouders samen goed hebt geregeld en er geen advocaten en rechters aan te pas hoeven te komen. Daarmee doet u uw kind een groot plezier!
2.         komt er binnen de termijn geen reactie of geen toestemming, laat dan door een advocaat een brief schrijven met het verzoek om mee te werken aan de erkenning
3.         vraag de advocaat om binnen drie maanden nadat de brief door de advocaat is verstuurd, een verzoek bij de rechtbank in te dienen waarin de rechter wordt gevraagd om toestemming voor erkenning te geven.

Die drie maanden termijn is belangrijk in de situatie dat de moeder vóór stap 3 aan een ander toestemming geeft om het kind te erkennen, bijvoorbeeld aan haar nieuwe vriend. Dan geldt die toestemming als tijdelijk totdat over het verzoek van de biologische vader (stap 3) definitief is beslist. Geeft de rechter de biologische vader toestemming, dan staat de nieuwe vriend buiten spel; geeft de rechter de biologische vader geen toestemming, dan staat hij buiten spel. Wacht de biologische vader langer dan drie maanden met stap drie dan staat hij ook buiten spel.

Heeft u vragen over zaken die te maken hebben met kinderen, scheiding, kinder- en/of partneralimentatie of verdeling na echtscheiding, dan kunt u vrijblijvend contact opnemen met Marleen Falkena in Lelystad of Sylvia Raphael in Almere.

Mr. Sylvia Raphael – juli 2016


Pandrecht op onder eigendomsvoorbehoud geleverde zaken

20-07-2016
Vorige maand heeft de Hoge Raad een belangwekkende uitspraak gedaan over de vestiging van een pandrecht op een zaak, die onder eigendomsvoorbehoud aan de pandgever was geleverd. Het betrof een teler die een deel van de koopprijs van het aan hem onder eigendomsvoorbehoud geleverde teeltsysteem niet had betaald. Het teeltsysteem was daardoor nog eigendom van de leverancier, zo werd enerzijds betoogd. De teler ging vervolgens failliet. De bank die in het kader van de financiering van de teler een pandrecht had gevestigd op alle bedrijfsmiddelen, betaalde vervolgens de restschuld aan de leverancier waardoor het teeltsysteem (na faillissement) alsnog eigendom werd van de teler. De curator stelde zich op het standpunt dat, nu de eigendom van het teeltsysteem eerst ná faillissementsdatum werd verkregen, het pandrecht van de bank in verband met het uitgesproken faillissement, niet meer tot stand was gekomen en het teeltsysteem dus (onbezwaard) in de faillissementsboedel viel.

De Hoge Raad volgde de curator niet in zijn standpunt. Volgens de Hoge Raad is de overdracht van een zaak onder eigendomsvoorbehoud, een overdracht onder opschortende voorwaarde, waarbij de levering van de zaak is voltooid op het moment dat de zaak in de macht van de verkrijger is gekomen. Het gevolg daarvan is dat de verkrijger dan een terstond ingaand eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde verkrijgt. De teler verkreeg dus met de aflevering van het teeltsysteem aan hem een “voorwaardelijk eigendomsrecht” op het teeltsysteem. Zolang de opschortende voorwaarde (de betaling aan de leverancier) niet werd vervuld, zijn volgens de Hoge Raad zowel de leverancier als de teler voorwaardelijk eigenaar. Als in zo’n situatie door de teler een pandrecht wordt gevestigd ten behoeve van zijn bank op het nog slechts in voorwaardelijke eigendom verkregen teeltsysteem, komt volgens de Hoge Raad ook meteen (dus al voor faillissementsdatum) onvoorwaardelijk een pandrecht tot stand op een voorwaardelijke eigendom. Als dan de opschortende voorwaarde (de betaling) na faillissementsdatum plaatsvindt, dan groeit het pandrecht van de bank als het ware automatisch uit tot een pandrecht op de volle eigendom van het teeltsysteem. Dat betekende dat de bank zich op het teeltsysteem kon verhalen en dat de curator ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers geen opbrengst kon realiseren door verkoop van het teeltsysteem.

Wilt u advies over een eigendomsvoorbehoud of het vestigen van zakelijke zekerheden (pandrecht/hypotheekrecht) neem dan contact met ons op.

Mr. Sjakko van Raaijen -  sectie Arbeidsrecht – juli 2016



Kind erkennen? Meteen gezag!

27-06-2016
D66 kwam vorige maand met een wetsvoorstel waarbij de ouder die het kind erkent ook direct het gezag over dit kind krijgt. Erkennen betekent dat het kind juridisch het kind wordt van die ouder. Ouders die samen gezag over een kind uitoefenen, beslissen samen over schoolkeuzes, reizen naar het buitenland, medische keuzes, of er een paspoort/ identiteitskaart wordt aangevraagd voor een kind etc.

Getrouwde stellen die een kind krijgen, krijgen automatisch beiden het gezag over hun kind. Ongehuwde stellen niet, die moeten dat apart regelen. De partner van de moeder moet bij de gemeente vast laten leggen dat hij of zij de juridische vader of moeder (in het geval van twee moeders) is. Daarmee wordt het kind erkend en ontstaat een familierechtelijke betrekking. Hierdoor wordt het kind erfgenaam van de erkenner, heeft het (automatisch) recht op onderhoud of alimentatie, kan het de geslachtsnaam en nationaliteit van de erkenner krijgen en kan het ook onder gezag van de erkenner komen te staan.

Vervolgens moet apart gezamenlijk gezag worden aangevraagd bij de rechtbank. Tegenwoordig kan dit gelukkig wel online (zie https://www.rechtspraak.nl/Uw-Situatie/Onderwerpen/Gezag). Veel stellen vergeten dit te regelen en pas wanneer zij eventueel uit elkaar gaan, wordt dit onderwerp van geschil. Wij komen dit vaak tegen, terwijl gezamenlijke uitoefening van het gezag wel het uitgangspunt van de wet is. In een procedure bij de rechtbank moet dan alsnog worden verzocht om het gezag gezamenlijk te maken.

In het wetsvoorstel van D66 (23012) krijgen de ongehuwde vaders of automatisch het gezag bij de erkenning, samen met de andere ouder. Kamerlid Bergkamp gaf aan dat te weinig ongetrouwde stellen weten dat het gezag apart geregeld moet worden. Wij staan, samen met een grote meerderheid van andere bij de Vereniging Familierecht Advocaten en Scheidingsmediators aangesloten advocaten, achter het voorstel omdat we denken dat het zal leiden tot minder procedures tussen ouders die uit elkaar gaan en dus voor minder strijd rondom een kind.

Mr. Marleen Falkena – sectie personen- en familierecht – juni 2016


Belasting op vermogen, heffing in box 3

13-06-2016
CDen Haag, 10 juni 2016

De Hoge Raad ziet geen reden om de belasting op vermogen - de heffing in box 3 - voor het jaar 2011 ongeldig te verklaren. De wetgever mocht destijds uitgaan van een geschat rendement op vermogen van 4%, aldus de Hoge Raad. Maar de Hoge Raad waarschuwt dat als duidelijk wordt dat een opbrengst van 4% (gerekend over een langere periode) niet meer haalbaar is, de wetgever de wet wel moet gaan aanpassen.

In box 3 van de inkomstenbelasting wordt sinds 2001 uitgegaan van een geschatte opbrengst van 4%, waarover 30% belasting wordt geheven. Dat leidt per saldo tot een heffing van 1,2% van de waarde van het vermogen.
Een rendement van 4% kon destijds met gemak worden gehaald. Inmiddels is met name de rente op spaartegoeden veel lager dan 4% - en inmiddels zelfs lager dan de te betalen belasting van 1,2%.

Advocaat-generaal Niessen heeft daarin onlangs aanleiding gevonden om een zeer kritisch advies aan de Hoge Raad te geven. Hij adviseert om de regeling van box 3 ongeldig te verklaren en de wetgever een termijn te geven waarbinnen hij die regeling moet aanpassen.

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:HR:2016:1129

Mr. Yvette Heruer - sectie ondernemingsrecht - juni 2016


vFas FLITS  -10 juni 2016

07-06-2016

Klik hier voor de vFas Flits van 10 juni 2016 waarin u onze vacature vindt. Wij bieden aan een:

ervaren advoca(a)t(e) personen- en familierecht
een mooie baan op een leuk kantoor met een professionele organisatie. 


Van de VAR naar de modelovereenkomsten: wat verandert er voor mij?

06-06-2016
Met ingang van 1 mei 2016  is de Verklaring Arbeidsrelatie (VAR) vervallen en de Wet Deregulering Beoordeling Arbeidsrelatie (DBA) in werking getreden. Tot aan 1 mei 2016 gold dat een opdrachtgever die over een VAR van een opdrachtnemer beschikte, in fiscale zin niet als zijn werkgever  werd beschouwd en daarmee ten aanzien van de werkzaamheden van de opdrachtnemer geen loonbelasting aan de Belastingdienst verschuldigd was. In de praktijk was de VAR een algehele vrijwaring voor de werkgever.

Toetsing voor de Belastingdienst onder de Wet DBA

De Belastingdienst zal nu daadwerkelijk gaan beoordelen of er al dan niet sprake is van een fiscale dienstbetrekking en of er dus loonbelasting en sociale premies moeten worden afgedragen. Bij de vraag of er sprake is van een dienstverband hanteert de Belastingdienst de voorwaarden voor een (privaatrechtelijke) dienstbetrekking. Er moet dan sprake zijn van 1) loon; 2) de verplichting de arbeid persoonlijk te verrichten én 3) er moet een gezagsverhouding bestaan. Tot slot kent het fiscale recht ook nog een aantal fictieve dienstbetrekkingen. Dit zijn arbeidsverhoudingen waarbij er geen sprake is van loon, arbeid en gezag, maar waar de arbeidsverhouding wel gelijkgesteld wordt met die van een dienstbetrekking. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een betaalde stagiair of de thuiswerker.

De opdrachtgever en opdrachtnemer zullen inzichtelijk moeten maken dat niet aan alle drie de vereisten voor een dienstbetrekking is voldaan en dat evenmin sprake is van een fictieve dienstbetrekking. Bij het vastleggen van de afspraken is daarom van belang om overeen te komen dat geen sprake is van een gezagsverhouding ofwel dat de opdrachtnemer zich vrij kan laten vervangen. De Belastingdienst heeft hiervoor een aantal modelovereenkomsten beschikbaar gesteld, maar biedt de opdrachtgever en opdrachtnemer ook de mogelijkheid om een zelf opgestelde overeenkomst te laten toetsen.

Let op bij gebruik (model)overeenkomsten

1.    De gemarkeerde bepalen treffen de kern van de overeenkomst en bepalen of er wel of geen sprake is van een dienstbetrekking. U wordt dan ook geadviseerd deze bepalingen niet aan te passen. De niet-gemarkeerde bepalingen kunnen door partijen worden aangepast, zonder dat daarmee het risico bestaat dat de arbeidsverhouding wordt aangemerkt als dienstbetrekking. Hiermee creëren de modelovereenkomsten een geconditioneerde vrijwaring.
Laat de overeenkomst even toetsen, met name als u wilt afwijken van het model en/of er spanning is met de praktijk (zie onder 3).

2.    Gebruik de meest recente modelovereenkomst. Let er goed op dat u het kenmerknummer ook in de overeenkomst zelf moet vermelden.

3.    Zorg dat er daadwerkelijk zo wordt gewerkt als in de (model)overeenkomst is omschreven. Als in de overeenkomst staat dat de opdrachtnemer zich vrij kan laten vervangen, dan zal daar in de praktijk ook naar moeten worden gehandeld. Er wordt door de Belastingdienst namelijk achteraf en steekproefsgewijs gecontroleerd of de werksituatie ter plekke overeenstemt met het papier van de overeenkomst. Blijkt uit de steekproef dat dit het geval is, dan kan die conclusie worden doorgetrokken naar alle opdrachtnemers.

Met handhaving van de Wet DBA start de Belastingdienst pas op 1 mei 2017. Tot die tijd zal de Belastingdienst alleen informeren en adviseren. Dit betekent niet dat u tot die tijd niets hoeft te doen. Er geldt in 2016 namelijk al wel een inspanningsverplichting. U wordt geacht deze tijd te benutten om samen met uw opdrachtgever/opdrachtnemer de arbeidsrelatie zodanig vorm te geven dat er geen sprake is van een dienstbetrekking.

Wat als het toch fout gaat
Gaat het toch mis en ontvangt u een naheffingsaanslag, dan moet u hiertegen tijdig bezwaar maken. Voor een opdrachtnemer is het dan ook zaak om in de onderliggende overeenkomst op te laten nemen dat hij binnen een bepaalde termijn na het opleggen van de naheffingsaanslag daarvan een afschrift krijgt, zodat hij kan bezien welke mogelijkheden hij zelf heeft om zijn schade te beperken. Want die zijn er onder omstandigheden wel!

Om zelf een beslissing van de Belastingdienst uit te lokken kan de opdrachtnemer in zijn aangifte inkomstenbelastingdienst gemotiveerd en onder omstandigheden nog betogen dat de inkomsten toch moeten worden gezien als winst uit onderneming. Als de Belastingdienst de aangifte op dit punt dan niet volgt, zal deze een afwijkende aanslag opleggen, waartegen de opdrachtnemer zelfstandig bezwaar kan maken.

Zowel voor opdrachtgevers als opdrachtnemers kan het wegvallen van de VAR grote gevolgen hebben. De advocaten van Okkerse & Schop Advocaten staan u graag bij om mogelijke risico’s zoveel mogelijk te beperken.

Simon Booij en Elsa Bruggink – sectie arbeidsrecht, mei 2016


De ‘’Wet civielrechtelijk bestuursverbod’’ treedt binnenkort in werking

06-06-2016
De Eerste Kamer is op 5 april 2016 akkoord gegaan met het wetsvoorstel ‘’Civielrechtelijk bestuursverbod’’. De curator in een faillissement en het openbaar ministerie kunnen de rechtbank verzoeken om een bestuursverbod op te leggen aan een bestuurder die faillissementsfraude pleegt of zich schuldig heeft gemaakt aan wangedrag in aanloop naar een faillissement.

Indien een bestuursverbod wordt opgelegd door de rechtbank, mag de bestuurder gedurende (maximaal) een periode van vijf jaar niet tot bestuurder of commissaris van een rechtspersoon worden benoemd. Een dergelijk bestuursverbod wordt geregistreerd bij het Handelsregister van de Kamer van Koophandel en is dus voor eenieder te raadplegen.

De wetgever wil hiermee faillissementsfraude en onregelmatigheden rondom een faillissement een halt toeroepen en daarnaast voorkomen dat frauduleuze bestuurders hun activiteiten kunnen voortzetten. Het verbod kan worden opgelegd indien er sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur. Daarvan is sprake in de volgende gevallen:

-    Indien is voldaan aan de wettelijke voorwaarden voor bestuurdersaansprakelijkheid van de artikelen 2:138/2:248 lid 1 BW
-    Indien er paulianeuze rechtshandelingen zijn verricht die hebben geleid tot benadeling van één of meerdere schuldeisers
-    Wanneer de bestuurder in ernstige mate tekortschiet in zijn informatie- en medewerkingsverplichtingen jegens de curator
-    Indien de bestuurder in drie jaar voorafgaand aan het faillissement tweemaal betrokken is geweest bij een ander faillissement
-    Er een fiscale vergrijpboete is opgelegd

Indien een van voornoemde gronden zich voordoet, dient de bestuurder die het opleggen van een bestuursverbod wil voorkomen, te bewijzen dat het kennelijk onbehoorlijk bestuur niet aan hem te wijten is en hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen af te wenden. Indien de bestuurder daar niet in slaagt, kan de rechtbank een bestuursverbod opleggen van maximaal vijf jaren.

De verwachting is dat de wet per 1 juli 2016 in werking zal treden.

Voor meer informatie over het wetsvoorstel:
https://www.eerstekamer.nl/wetsvoorstel/34011_wet_civielrechtelijk

Mirjam Davelaar – sectie insolventierecht mei 2016


Okkerse & Schop Advocaten zoekt een ervaren advoca(a)t(e) personen- en familierecht

03-06-2016
Lees hier verder informatie.


Vergoeding van negatieve rente; how low can you go?

01-06-2016
Op 11 mei jl. heeft de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening van het KIFID een interessante uitspraak gedaan in een zaak waarbij de klant (een consument) van de bank een bedrag vorderde in verband met de lage rentestand.

Tussen de klant en de bank was een geldleningsovereenkomst gesloten voor een bedrag in Zwitserse Franks gelijk aan de tegenwaarde van € 300.000,00. Als zekerheid voor de terugbetaling was ten behoeve van de bank een hypotheek op de woning van de klant gevestigd. De door de klant verschuldigde rente werd berekend op basis van de LIBOR voor Zwitserse Franks (CHF LIBOR), verhoogd met een opslag van 0,7%.

Begin 2015 liet de Zwitserse overheid de koppeling tussen de Euro en Zwitserse Frank los. Dat zorgde voor een koersstijging van de Zwitserse Frank ten opzichte van de Euro, waardoor de op grond van de geldleningsovereenkomst verschuldigde hoofdsom in Zwitserse Franks uitgedrukt in Euro’s, aanzienlijk toenam. Anderzijds was het gevolg dat het CHF LIBOR tarief daalde naar ruim 1% negatief. Hierdoor kwam de maandelijks door de klant verschuldigde vergoeding uit op -0,3%. De klant vorderde daarop de betaling daarvan. De bank weigerde dat.

De bank stelde zich op het standpunt dat, indien de verschuldigde basisrente vermeerderd met de overeengekomen opslag van 0,7% resulteert in een negatief percentage, het rentetarief voor de lening 0% dient te bedragen. Daarin werd de bank echter niet gevolgd door het KIFID. Of ook sprake kan zijn van een negatieve rentevergoeding hangt af van de vraag wat partijen over en weer op grond van de overeenkomst mochten verwachten. De gesloten overeenkomst bepaalde hier echter niets over. De Geschillencommissie oordeelde dat negatieve rente binnen het financieel systeem op zich niet is uitgesloten en dat de aard van de kredietovereenkomst zich ook niet verzette tegen het vergoeden van een negatieve rente. Dat beide partijen bij het aangaan van de kredietovereenkomst geen rekening hadden gehouden met een negatieve rente, maakt dat niet anders. De Geschillencommissie oordeelde uiteindelijk dat de negatieve rente zich in dit geval feitelijk vertaalde in een betalingsverplichting van de bank aan de klant.

Mr. Sjakko van Raaijen - sectie ondernemingsrecht - mei 2016


Lening in verband met advocaatkosten en verdeling gemeenschap van goederen

01-06-2016
Als u gaat scheiden en niet in aanmerking komt voor gefinancierde rechtsbijstand (zie www.rechtsbijstand.nl) dan moet u zelf de kosten van de advocaat betalen. Dit zijn extra kosten, net als bijvoorbeeld extra woonlasten als u meteen apart gaat wonen. Het komt vaker voor dat voor dergelijke extra kosten een lening afgesloten moet worden. Als u in gemeenschap van goederen bent getrouwd, komt dan de vraag op of u de helft van de lening bij de andere echtgenoot kunt claimen. Immers, de hoofdregel bij een gemeenschap van goederen is dat alles door twee gaat. Dus waarom niet een lening voor advocaatkosten? Daarbij is wel van belang dat de gemeenschap van goederen op enig moment ‘stopt’, er gaat een deksel op de pot. Dat is sinds 2012 de datum waarop het verzoekschrift tot echtscheiding bij de rechtbank wordt ingediend. Op die datum (peildatum samenstelling) wordt ‘een foto’ gemaakt en alles wat op de foto staat (huis, hypotheek, inboedel, bankrekeningen, auto) moet verdeeld worden. Dus stel dat u voor het indienen van het verzoek tot echtscheiding geld hebt geleend voor de advocaatkosten, dan staat de lening (en mogelijk ook nog een deel van het geld) op de foto en moet de lening dus verdeeld worden. Of toch niet?

Op 22 april 2016 heeft de Hoge Raad, de hoogste rechter in Nederland, hierover een uitspraak gedaan.
(Voor de uitspraak zelf zie https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:HR:2016:723&keyword=%22ecli%3anl%3ahr%3a2016%3a723%22). In die zaak was op 24 januari 2013 het ‘foto moment’. Daarvóór had de man al geld geleend om zijn advocaat te betalen. De man heeft vervolgens bij de rechtbank gevraagd dat de vrouw de helft van de lening aan hem moet betalen. De rechtbank ging daarmee akkoord. Daarna heeft het hof zich over dezelfde vraag gebogen. En ook het hof oordeelde dat de vrouw de helft van de lening aan de man moest betalen. De Hoge Raad heeft door beide uitspraak een streep gezet. De Hoge Raad heeft aangegeven dat een gemeenschap van goederen door twee gedeeld moet worden maar dat er ook uitzonderingen op die regel zijn. Een aantal uitzonderingen staat in de wet maar er zijn ook andere ‘zeer uitzonderlijke omstandigheden’ te bedenken. De Hoge Raad vindt dat de beslissing van het hof te kort door de bocht is geweest. Ook omdat het gebruikelijk is in echtscheidingszaken dat ieder van de aanstaande exen de eigen proceskosten betaalt. De Hoge Raad heeft nu gevraagd aan een ander hof om nog eens naar de zaak te kijken en daarover te beslissen.  

Heeft u vragen naar aanleiding van dit stukje of wilt u informatie over een echtscheiding, verdeling van een gemeenschap, afwikkeling huwelijksvoorwaarden, kinderalimentatie, partneralimentatie, een ouderschapsplan? Neemt u dan gerust contact met ons op. Voor Lelystad kunt u contact opnemen met Marleen Falkena (https://www.okkerse-schop.nl/marleen-falkena.html), voor Almere met Sylvia Raphael (https://www.okkerse-schop.nl/sylvia-raphael.html).

Mr. Sylvia Raphael - sectie personen- en familierecht - mei 2016                


Cees Okkerse houdt in Advocaat voor de Duivel het publiek dilemma’s voor.

20-05-2016
De toneelvoorstelling Advocaat van de Duivel op 19 mei 2016 in Schouwburg Almere sloot af met een gastoptreden van advocaat Cees Okkerse, die het publiek als jury de dilemma’s en te maken overwegingen voorhield in de daarin gespeelde strafzaak. Na afloop was er in de kleine zaal een boeiende discussie waarin regisseur Ursul de Geer Cees Okkerse bevroeg en deze in gesprek ging met het publiek over dilemma’s waarmee een advocaat heeft te dealen. 



Onderverhuren via website als Airbnb: verhuurders opgelet!

25-04-2016
Vanaf de oprichting van Airbnb in augustus 2008 tot juni 2012 werden maar liefst 10 miljoen overnachtingen verhandeld via Airbnb. Maar als iemand zelf huurder is, mag hij de (sociale) huurwoning dan wel via websites als Airbnb onderverhuren?

Doorgaans wordt in de huurovereenkomst bepaald dat het gehuurde niet mág worden onderverhuurd, tenzij er toestemming is van de verhuurder. Rechtvaardigt het schenden van deze voorwaarde de ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde?

Inmiddels zijn er, met name door de rechtbank Amsterdam, op dit terrein een aantal uitspraken gedaan. Op grond van deze jurisprudentie kan worden gesteld dat de rechter meestal aanneemt dat er sprake is van een (toerekenbare) tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst. Indien dit komt vast te staan, kijkt de rechter vervolgens naar de zwaarte van deze tekortkoming en de omstandigheden van het geval.

Uit de voorhanden jurisprudentie blijkt dat de rechter onder andere in ogenschouw neemt hoe lang de huurder al huurt, of er eerder problemen met de huurder zijn geweest, of er sprake is van een sociale huurwoning, of de huurders gedurende de onderverhuur ook zelf in de woning verbleven, hoe vaak de woning is verhuurd, of de verhuurder de huurders heeft geïnformeerd over de gevolgen van het onderverhuren van hun woning, etc.

In haar laatste uitspraak van 4 maart 2016 (ECLI:NL:RBAMS:2016:1041) overweegt de rechtbank Amsterdam dat, gelet op de feiten en omstandigheden, de vordering moet worden afgewezen. Wel oordeelt de rechtbank dat “meer in het algemeen te gelden heeft dat naarmate in publieke of individuele berichtgeving meer aandacht bestaat voor het verbod op (en de consequenties van) kortdurende onderverhuur via websites zoals Airbnb, de kans toeneemt dat de waardering van de tekortkoming in het nadeel van huurder uitvalt.”.

Gelet op deze uitspraak is het voor de verhuurder verstandig om zijn huurders te informeren over het verbod en de consequenties van het (kortdurend) onderverhuren van de huurwoning via websites als Airbnb. Hoe directer de informatievoorziening vanuit de verhuurder is (bijvoorbeeld door het versturen van een brief naar de huurders) hoe beter. Een gewaarschuwd huurder telt immers voor twee!

Mw. mr. Vera Hartkamp – sectie huurrecht – april 2016





Herbevestiging van de vrije advocaatkeuze voor rechtsbijstandsverzekerden

25-04-2016

Door het Europees Hof van Justitie is 7 april 2016 herbevestigd dat rechtsbijstandsverzekerden recht hebben op een vrije advocaatkeuze. Het Europees Hof bevestigde dit in antwoord op prejudiciële vragen, gesteld door de Hoge Raad.
Eerder werd eind 2013 reeds bepaald door het Europees Hof van Justitie dat een verzekerde altijd zelf een advocaat of rechtshulpverlener mag kiezen als er sprake is van een gerechtelijke of administratieve procedure.

De belangrijkste prejudiciële vraag die op 7 april 2016 door het Europees Hof van Justitie werd beantwoord is de vraag of een procedure bij het UWV een administratieve procedure betreft. Het Europees Hof van Justitie heeft deze vraag bevestigend beantwoord.

Daarnaast werd op 7 april 2016 nog een arrest gewezen door het Europees Hof van Justitie waarin de vrije advocaatkeuze bij bezwaar tegen beschikkingen van het CIZ (Centrum Indicatie Zorg) eveneens werd bevestigd.

Met name de bevestiging van de vrije advocaatkeuze in UWV-procedures van het Europees Hof van Justitie is van belang voor de arbeidsrechtelijke praktijk. Sinds de invoering van de Wet Werk & Zekerheid in juli 2015 moeten werkgevers bij ontslag om bedrijfseconomische redenen zich altijd wenden tot het UWV. De administratieve procedure bij het UWV is daarmee bijna net zo, als wel even zo belangrijk als een gerechtelijke procedure. 

Voor klanten met een rechtsbijstandverzekering een herbevestiging van goed nieuws dat zij niet beperkt worden in hun keuzevrijheid.

Mr. Yvette Heruer  - sectie ondernemingsrecht - april 2016


Eerlijkheid duurt het langst, ook in echtscheidingszaken

07-04-2016
Het achterhouden van polissen in een echtscheidingsprocedure door de één kan tot gevolg hebben dat de ander de polissen mag houden zonder de waarde te hoeven delen.

In een uitspraak van de Hoge Raad van december 2015 (www.rechtspraak.nl, ECLI:NL:HR:2015:3475) ging het om het volgende. De man en de vrouw waren getrouwd op huwelijksvoorwaarden. De rechtbank heeft vastgesteld hoe de man en de vrouw moeten afrekenen op basis van deze voorwaarden. De vrouw komt er in hoger beroep bij toeval achter dat twee verzekeringspolissen van de man niet zijn afgerekend. Zij beschuldigt de man ervan dat hij deze verzekeringspolissen bewust heeft achtergehouden om maar niet met de vrouw te hoeven afrekenen. Daarom wil zij de polissen krijgen, zonder dat zij met de man hoeft af te rekenen. Dat is, zo stelt zij, de straf die uit de wet volgt als één van de twee iets verzwijgt. De man is het daar uiteraard niet mee eens. Hij stelt dat nu de polissen in hoger beroep alsnog ter sprake zijn gekomen, de straf niet opgelegd hoeft worden. De Hoge Raad is het daar niet mee eens: als de eerste rechter de afrekening heeft gemaakt en daarna komen er nog polissen tevoorschijn die bewust zijn achtergehouden, dan geldt de straf ook. Een gewaarschuwd mens telt voor twee. 

Mr Sylvia Raphael – sectie personen- en familierecht - april 2016


Het gelijktijdig leggen van beslag onder verschillende banken; tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen door de gerechtsdeurwaarder?

31-03-2016

Naast het betekenen van processtukken is de gerechtsdeurwaarder vaak ook belast met het tenuitvoerleggen van vonnissen. Hierbij kan de gerechtsdeurwaarder beslag leggen. Beslag kan rechtstreeks worden gelegd op goederen van de schuldenaar maar er kan ook beslag worden gelegd onder derden, bijvoorbeeld de bank. Dit wordt ‘’bankbeslag’’ genoemd.

In een recente beslissing*  van het Gerechtshof Amsterdam was de vraag voorgelegd of een gerechtsdeurwaarder gelijktijdig onder meerdere banken beslag kon leggen. De feiten waren als volgt. Een schuldenaar was door de kantonrechter in Nijmegen veroordeeld tot voldoening van een vordering van zijn schuldeiser. De gerechtsdeurwaarders in deze kwestie waren belast met de executie van dit vonnis. Betalingsregelingen werden door de schuldenaar niet nagekomen en vervolgens werd beslag onder de Belastingdienst gelegd. De vordering van de schuldeiser was echter nog niet geheel voldaan, ook niet nadat de gerechtsdeurwaarders de schuldenaar verschillende keren hadden verzocht om te betalen.

Vervolgens hebben de gerechtsdeurwaarders in augustus 2013 ten laste van schuldenaar beslag gelegd onder drie verschillende banken, te weten ABN AMRO Bank, de ING Bank en de SNS Bank. Als reactie hierop heeft de schuldenaar een klacht ingediend bij de Kamer voor Gerechtsdeurwaarders (hierna: de kamer) te Amsterdam. Die klacht vond gehoor.

De kamer toetst aan de hand van het voor de deurwaarders geldende tuchtrecht of een gerechtsdeurwaarder verwijtbaar heeft gehandeld. De kamer kan een maatregel opleggen aan de betreffende gerechtsdeurwaarder indien zij van oordeel is dat de gerechtsdeurwaarder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

De schuldenaar verweet de gerechtsdeurwaarders in strijd te hebben gehandeld met artikel 10 van de Verordening beroeps- en gedragsregels gerechtsdeurwaarders (hierna: de Verordening) door gelijktijdig onder drie banken beslag te leggen, zonder dat de gerechtsdeurwaarders een gerechtvaardigd vermoeden hadden dat de schuldenaar bij die banken een rekening aanhield. Door deze beslagen is de schuldenaar bovendien € 105,- verschuldigd aan zijn eigen bank. Artikel 10 van de Verordening bepaalt dat een gerechtsdeurwaarder nauwgezet en zorgvuldig moet handelen in financiële aangelegenheden en geen onnodige kosten mag maken.

De kamer oordeelde dat de gerechtsdeurwaarders tuchtrechtelijk verwijtbaar hebben gehandeld en heeft een maatregel opgelegd. In hoger beroep bleef het oordeel dat tuchtrechtelijk verwijtbaar was gehandeld, gehandhaafd.

Conclusie is dat als uitgangspunt geldt dat het niet is toegestaan om gelijktijdig onder meerdere banken beslag te leggen zonder dat er een gerechtvaardigd vermoeden bestaat dat iemand een rekening houdt bij die banken. Een gerechtsdeurwaarder zal in beginsel alleen beslag mogen leggen als hij het redelijke vermoeden heeft dat het beslag doel zal treffen.

Onder bijzondere omstandigheden kan het leggen van meer bankbeslagen, zonder dat een gerechtvaardigd vermoeden bestaat dat de schuldenaar bij die banken een rekening aanhoudt, toelaatbaar zijn. Er moet dan wel worden voldaan aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit. In het onderhavige geval was niet aan dat laatste vereiste voldaan. Volgens het hof hadden de gerechtsdeurwaarders bijvoorbeeld ook beslag kunnen leggen op roerende zaken, hetgeen zij hebben nagelaten. Een beslag op roerende zaken had volgens het hof de voorkeur omdat de kosten daarvan lager liggen dan een bankbeslag. Hierbij neemt het hof ook in acht dat er bij het beslag op roerende zaken persoonlijk contact plaatsvindt tussen een schuldenaar en de gerechtsdeurwaarder, waarbij eventuele misverstanden kunnen worden opgehelderd en eventuele betalingsregelingen kunnen worden overeengekomen.

Omdat de eis van subsidiariteit niet in acht was genomen, betekende dit volgens het hof dat de gerechtsdeurwaarders een tuchtrechtelijk verwijt viel te maken van het leggen van meerdere bankbeslagen ten laste van de schuldenaar.

Indien u vragen heeft over het tenuitvoerleggen van een vonnis en/of over het leggen van beslag, dan kunt u gerust vrijblijvend contact opnemen via 036-5346220.

mr. Mirjam Davelaar – sectie ondernemingsrecht – maart 2016

[*] Gerechtshof Amsterdam, 28 juli 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:3081


Postcode kanjer valt niet in gemeenschap van goederen

07-03-2016
Een uitspraak van de rechtbank Amsterdam kwam in december 2015 uitgebreid in het nieuws. Een man en een vrouw waren getrouwd in gemeenschap van goederen. Het verzoek tot echtscheiding werd in oktober bij de rechtbank ingediend en paar maanden later viel de postcode kanjer van meer dan 2 miljoen op een lot dat op naam van de vrouw stond. De vraag is of de geldprijs in de gemeenschap van goederen viel.

De hoofdregel is dat alles wat er was op de datum dat het verzoek tot echtscheiding bij de rechtbank werd ingediend, verdeeld moet worden.

De man heeft uit alle macht geprobeerd om de rechtbank te overtuigen dat de prijs in dit geval wel in de gemeenschap van goederen viel. Hij heeft gewezen op de overeenkomst met de Postcodeloterij, op het moment van betaling van de inleg en dat dit gebeurde voordat het verzoek tot scheiding werd ingediend en dat de bedragen die partijen betaalden aan de Postcodeloterij vallen onder kosten van huishouding. Deze argumenten accepteerde de rechtbank niet.

Als laatste deed de man een beroep op de redelijkheid en billijkheid. Hij voerde aan dat partijen ruim 30 jaar met elkaar getrouwd waren en gedurende lange tijd mee speelden met de Postcodeloterij. Tijdens de zitting bleek echter dat partijen al 10 jaar gescheiden leefden en de laatste vier geen gemeenschappelijke huishouding meer voerden. Daarnaast stelde de vrouw dat de man al ruim vier jaar met zijn nieuwe vriendin samenwoonde en niets bijdroeg in de kosten die de vrouw maakte.

De rechtbank paste dus gewoon de hoofdregel toe zodat de vrouw miljonair was en de man niet.

Wilt u advies over een echtscheiding of daarmee samenhangende zaken? Bel dan gerust. U kunt contact opnemen met Marleen Falkena (kantoor Lelystad, bereikbaar op 06 52 85 16 41) of Sylvia Raphael (kantoor Almere, bereikbaar op 06 52 86 13 57).


Definitief einde partneralimentatie na 7 jaar

16-02-2016
Recent hebben wij een cliënt bijgestaan in verband met een wijziging van de partneralimentatie. De rechtbank in Haarlem heeft de partneralimentatie met terugwerkende kracht per 29 juli 2015 op nul gezet en per 1 januari 2017 definitief beëindigd, terwijl de man op grond van wet verplicht zou zijn om door te betalen tot oktober 2021. 


De feiten waren als volgt: de man en de vrouw hebben een dochter gekregen die inmiddels 13 jaar oud is. Zij zijn in 2003 getrouwd. In 2008 zijn de man en de vrouw uit elkaar gegaan en in 2009 is de echtscheiding uitgesproken. De man en de vrouw hebben in een convenant een bedrag aan partneralimentatie afgesproken, welk bedrag door de man nog steeds wordt betaald. Voor en tijdens het huwelijk heeft de vrouw meerdere opleidingen gevolgd (o.a. op hbo-niveau) en heeft tot aan de geboorte van de dochter gewerkt. Na de scheiding is zij niet op zoek naar werk gegaan mede omdat zij psychische problemen zou hebben. De vrouw volgt ook in de periode dat de procedure bij de rechtbank Haarlem speelt een opleiding en zij heeft geprobeerd om aan het werk te komen maar dat zou niet zijn gelukt. Tijdens de zitting bij de rechtbank blijkt dat de vrouw 24 uur per week stage zal gaan lopen. Ten aanzien van de nieuwe partner van de man heeft de vrouw opgemerkt dat van haar verwacht mag worden dat zij 20 uur per week werkt nu de dochter van de man en zijn nieuwe partner naar school gaat.
De rechtbank heeft tot uitgangspunt genomen dat als een echtgenoot na scheiding in redelijkheid niet in staat is om in het eigen levensonderhoud te voorzien, deze aan de ander een bijdrage kan vragen. Het huwelijk van de man en de vrouw heeft volgens de rechtbank geen negatief effect gehad op de mogelijkheid voor de vrouw om eigen inkomen te verwerven. De stukken die de vrouw aan de rechtbank heeft gestuurd, zijn voor de rechtbank niet genoeg om aan te nemen dat de vrouw er na de scheiding alles aan heeft gedaan om in haar eigen levensonderhoud te voorzien. De vrouw had recentere stukken moeten indienen in verband met haar gezondheid en (meer) stukken over een langere periode in verband met de pogingen om aan het werk te komen. De rechtbank zegt vervolgens letterlijk: ‘Het wekt verbazing dat de vrouw niet in een eerder stadium, om werkervaring op te doen, een stageplek heeft gezocht. Het vorenstaande klemt temeer gezien het standpunt dat de vrouw heeft ingenomen ten aanzien van de (arbeidsmogelijkheden van de) partner van de man.’
 
Wilt u weten of het in uw geval ook mogelijk is om eerder te stoppen met het betalen van partneralimentatie of heeft u een ander vraag die te maken heeft met alimentatie of scheiding? Wij staan u graag te woord. U kunt contact opnemen met Marleen Falkena (kantoor Lelystad, bereikbaar op 06 528 51 641) of Sylvia Raphael (kantoor Almere, bereikbaar op 06 528 61 357).
 
Mr. Sylvia Raphael – sectie personen- en familierecht – februari 2016


Eerste Kamer stemt in met afschaffing VAR verklaring

02-02-2016
De VAR verklaring zal per 1 april a.s. definitief komen te vervallen vanwege wetsvoorstel ‘Deregulering beoordeling arbeidsrelaties’. De Tweede Kamer had daarmee reeds ingestemd, vandaag stemde ook de Eerste kamer met het wetsvoorstel in.

Voor meer informatie over de wijzigingen verwijzen wij u naar het artikel van Miriam Ruijters van 26 januari jl.

mr. Miriam Ruijters – lid sectie arbeidsrecht– februari 2016


Terugbetalen alimentatie van spaargeld

01-02-2016
In een procedure die speelde bij het Hof Arnhem - Leeuwarden ging het om het volgende. Mijnheer betaalde partneralimentatie. Op enig moment besloot het Hof dat hij met terugwerkende kracht geen alimentatie meer hoefde te betalen. Vervolgens moest het Hof nog beslissen of mevrouw, wat zij had ontvangen, moest terugbetalen. Daar zijn door rechters richtlijnen voor opgesteld. Bijzonder in de zaak is dat het Hof bepaalde dat mevrouw het bedrag niet uit haar inkomen kon terugbetalen maar wel door haar spaarpot om te keren. En die verplichting kreeg mevrouw dan ook.
 
Voor de volledige uitspraak zie https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2015:8183.
 
Mr. Sylvia Raphael – sectie personen- en familierecht – februari 2016


Leg uw voorbeeldovereenkomst vóór 1 februari aan de Belastingdienst voor

26-01-2016
De kans is groot dat de VAR verklaring per 1 april a.s. zal komen te vervallen vanwege wetsvoorstel ‘Deregulering beoordeling arbeidsrelaties’. De Tweede Kamer heeft daarmee reeds ingestemd, en de verwachting is dat ook de Eerste kamer met het wetsvoorstel zal instemmen.

Wat verandert er precies? De VAR verklaring zoals wij die nu kennen, komt te vervallen. Daarvoor in de plaats heeft de Belastingdienst algemene modelovereenkomsten opgesteld op grond waarvan een opdrachtgever geen loonheffing hoeft in te houden. Op de website www.belastingdienst.nl vindt u diverse modellen. Ook uw eigen overeenkomsten kunnen nog steeds rechtsgeldig zijn, maar dan adviseren wij u die vooraf door de Belastingdienst te laten toetsen zodat u vooraf zekerheid heeft dat er geen loonheffing hoeft te worden ingehouden en betaald. Indien de overeenkomst wordt goedgekeurd, is de opdrachtnemer niet verzekerd voor werknemersverzekeringen.

De Belastingdienst heeft aangegeven dat voorbeeldovereenkomsten die vóór 1 februari aanstaande bij de Belastingdienst zijn ontvangen, nog voor 1 april aanstaande worden beoordeeld.

Let op, een positieve beoordeling van de voorbeeldovereenkomst geeft geen garantie dat de Belastingdienst de inkomsten van de opdrachtnemer niet ziet als winst uit onderneming. De beoordeling zegt enkel iets over de loonheffingen, maar niet over het ondernemerschap. Wordt er in de praktijk toch gewerkt alsof er een dienstbetrekking is, dan moet de opdrachtgever alsnog loonheffingen inhouden en betalen. De praktijk dient dus wel overeen te stemmen met hetgeen u in de voorbeeldovereenkomst hebt afgesproken.

Tot 1 mei 2017 houdt de Belastingdienst toezicht, maar worden er – behoudens overduidelijke gevallen van fraude - nog geen repressieve handhavingsmaatregelen genomen.

Wij adviseren u uw voorbeeldovereenkomst tijdig naar de Belastingdienst te sturen. Uiteraard zijn wij graag bereid die overeenkomst voor verzending aan de Belastingdienst te beoordelen op juridische houdbaarheid, en waar nodig aan te passen.

Mocht u hierover vragen hebben, neemt u dan tijdig contact met ons op.
mr. Miriam Ruijters – lid sectie arbeidsrecht– januari 2016


Afstorten pensioen in eigen beheer terwijl hoger beroep ingesteld?

18-01-2016
Het afstorten van pensioen in eigen beheer ten behoeve van een ex-echtgenoot kost veel geld maar als het financieel kan, wordt het door de rechter opgelegd. En dat moet vervolgens ook echt gebeuren, ook als er hoger beroep is ingesteld.
 
In een zaak die speelde bij de rechter in Leeuwarden moest de man € 160.000,00 afstorten bij een externe pensioenverzekeraar ten behoeve van zijn ex-echtgenote. Deze verplichting is door de rechter 'uitvoerbaar bij voorraad verklaard' oftewel, het moet nagekomen worden, ook als er hoger beroep wordt ingesteld. De man heeft inhoudelijk hoger beroep ingesteld en vraagt het hof om alvast te bepalen dat hij nog niet hoeft af te storten in afwachting van de inhoudelijke behandeling van het hoger beroep. Want zo stelt de man, de rechtbank heeft een beslissing genomen op basis van een uitspraak van vóór de economische crisis en nadien is er ook fiscaal van alles veranderd.
 
Het hof laat het belang van de vrouw zwaarder wegen bij de vraag of de man alvast moet afstorten. De vrouw maakt zich volgens het hof namelijk terecht zorgen over het risico dat het bedrijf van de man op enig moment niet meer genoeg verhaal biedt om het pensioen af te storten. Daarmee krijgt de man het risico dat als het hof hem inhoudelijk alsnog gelijk geeft, hij het geld van de pensioenverzekeraar mogelijk niet terugkrijgt.

Mr. Sylvia Raphael – sectie personen- en familierecht – januari 2016


Grote stappen, niet snel thuis (alimentatie aan de keukentafel)

18-01-2016
Alimentatieovereenkomsten die snel en niet goed doordacht of zonder adequaat advies worden gesloten, zijn aantastbaar en dus 'beperkt houdbaar'.
 
In een zaak die speelde bij het Hof in Amsterdam waren partijen thuis aan de keukentafel een bedrag aan partneralimentatie overeengekomen. De man had voorgesteld het bedrag dat hij tijdens het huwelijk voor boodschappen aan de vrouw gaf, na de scheiding te blijven betalen. De vrouw had daarnaast ook eigen inkomen. Partijen hebben zich verder niet verdiept in hoe alimentatie wordt berekend. Een advocaat heeft het bedrag vervolgens opgenomen in het echtscheidingsconvenant, zonder partijen op dat punt te adviseren.
Een aantal jaar later vraagt de vrouw de rechtbank alsnog om een hogere partneralimentatie. De rechter wijst dat verzoek af. Maar het hof legt vervolgens wel een hogere alimentatie op (het dubbele). Want tussen de afgesproken alimentatie en de alimentatie die een rechter zou hebben vastgesteld, bestaat een duidelijke wanverhouding en partijen hebben niet bewust een veel lagere alimentatie afgesproken.
De prijs die de man betaalt is dat hij alsnog niet wegkomt met de lagere alimentatie en kosten moet maken om te procederen. De prijs die de vrouw betaalt is dat zij de hogere alimentatie niet met terugwerkende kracht krijgt maar pas met ingang van de datum dat zij het verzoek bij de rechtbank indiende. 

Mr. Sylvia Raphael – sectie personen- en familierecht – januari 2016


Grote stappen, niet snel thuis (verdeling gemeenschap)

13-01-2016
Verdeling van de gemeenschap via de notaris levert vaak niet het gewenste resultaat op. Ons advies: vraag de rechtbank om de verdeling vast te stellen.

Wij zien met enige regelmaat in echtscheidingsverzoeken staan dat een echtgenoot, naast de echtscheiding zelf, vraagt om de verdeling van de gemeenschap niet door de rechtbank te laten doen, maar door een notaris. Dat betekent dat de rechter partijen doorverwijst naar een notaris en dat partijen het daar maar moeten regelen. In de praktijk betekent dit vaak dat partijen niets doen of niet ver komen en dat de goederen dus onverdeeld blijven. Heel onpraktisch. (Wij kunnen ons niet aan de indruk onttrekken dat dit vaak te maken heeft met kosten. Een inhoudelijk verzoek tot verdeling van de gemeenschap brengt het nodige werk met zich mee en als er geprocedeerd wordt op basis van gefinancierde rechtsbijstand betekent dit meer uren voor hetzelfde geld dat de advocaat krijgt.)

In een zaak die bij de rechtbank Lelystad speelde in 2013 had mevrouw gevraagd te bepalen dat partijen de verdeling maar bij de notaris moesten regelen. Dat verzoek was ook toegewezen. Maar partijen zijn niet naar de notaris gegaan, volgens de vrouw omdat het zinloos was. Mevrouw gaat daarom opnieuw naar de rechter (opnieuw kosten!) en vraagt om de woning en de inboedel te verdelen. De rechtbank verdeelt niet maar zegt dat partijen toch echt naar de notaris moeten. Pas als het daar niet lukt en de notaris dit ook toelicht, kan de rechtbank een knoop doorhakken. Een terechte uitspraak en een zinloze procedure. 

Mr. Sylvia Raphael – sectie personen- en familierecht – januari 2016


Wat als een ex-echtgenoot geen stukken aanlevert?

06-01-2016
Recent heeft het Hof in Amsterdam een vrouw gemachtigd om zelf polissen op te vragen bij een verzekeringsmaatschappij die op naam van de man staan. Het hof heeft daarbij bepaald dat de man de helft van de waarde van de polissen aan de vrouw moet betalen.

Partijen waren getrouwd in gemeenschap van goederen. De verdeling daarvan was opnieuw onderwerp bij het Hof. In een eerdere uitspraak had het Hof de man verplicht om de polissen op zijn naam aan het hof toe te sturen. De man heeft dat niet gedaan. Hij heeft aangegeven dat hij de stukken heeft opgevraagd maar op de door het hof gestelde datum nog niet had ontvangen. Daarbij heeft hij herhaald dat het pensioenverzekeringen zijn en dat die apart verevend moeten worden (en niet verdeeld). Het hof heeft daarop een knoop doorgehakt: de man is in gebreke gebleven met het toesturen van de gevraagde informatie en daarom mag de vrouw nu zelf de benodigde informatie opvragen.

Mr. Sylvia Raphael - sectie personen- en familierecht - januari 2016


Stille vennoot van een commanditaire vennootschap, aansprakelijk?

23-12-2015

Een onderneming exploiteren kan in diverse rechtsvormen. De bekendste zijn de eenmanszaak, vennootschap onder firma en de BV. Een minder bekende is de CV, oftewel de commanditaire vennootschap. Net als bij de vennootschap onder firma kent de CV meerdere vennoten. Het verschil met de vennootschap onder firma is dat dit niet dezelfde soort vennoten zijn zoals bij de vennootschap onder firma. Bij een CV heb je enerzijds de zogenoemde beherende vennoot en anderzijds de commanditaire vennoot, oftewel de stille vennoot. Het verschil in naamgeving zegt het al: de beherend vennoot bestuurt en exploiteert de onderneming (waar in een vof alle vennoten dit doen), de stille vennoot blijft achter de schermen en fungeert als geldverstrekker.

Aansprakelijkheid stille vennoot

Een beherend vennoot is hoofdelijk aansprakelijk voor alle aangegane schulden van de CV. Een stille vennoot is in beginsel níet aansprakelijk voor de schulden van de CV die boven de hoogte van zijn kapitaalinbreng uitkomen. Dit is anders indien de stille vennoot zogenaamde daden van beheer verricht of voor de CV werkzaam is, hij overtreedt dan het beheersverbod. De stille vennoot is dan net als de beherend vennoot aansprakelijk voor alle schulden en verbintenissen van de CV.

Geruime tijd werd dit beheersverbod strikt gehanteerd. In 1943 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat al sprake is van overtreding van het beheersverbod als de stille vennoot één overeenkomst namens de CV ondertekent. Voor overtreding van het verbod was niet relevant of de wederpartij op de hoogte was van het feit dat hij met een stille vennoot te maken had. Dus zelfs als de wederpartij wist dat hij te maken had met een stille vennoot, was de stille vennoot hoofdelijk aansprakelijk.

In haar uitspraak van 29 mei jl. is de Hoge Raad een minder strikte weg ingeslagen. De Hoge Raad stelt voorop dat de sanctie van hoofdelijke aansprakelijkheid een tweeledig doel heeft. Enerzijds: voorkomen dat een stille vennoot ten name van de vennootschap aan het handelsverkeer deelneemt alsof hij beherend vennoot is en op die manier misbruik maakt van de bescherming die hij geniet als stille vennoot; anderzijds: derden kunnen door het optreden van een stille vennoot in de veronderstelling komen te verkeren dat zij van doen hebben met een beherend vennoot, die met zijn gehele vermogen instaat voor de nakoming van de verbintenissen van de vennootschap. De Hoge Raad overweegt vervolgens dat de sanctie op overtreding van het beheersverbod wel zeer ingrijpend en verstrekkend is. De sanctie is immers volledige hoofdelijke aansprakelijkheid voor álle verbintenissen van de vennootschap, ook die al bestonden op het moment dat het beheersverbod werd overtreden. Voor een dergelijke zware sanctie bestaat volgens de Hoge Raad alleen rechtvaardiging indien deze in overeenstemming is met de strekking van het beheersverbod. De sanctie mag bovendien niet in een onevenredige verhouding staan tot de aard en de ernst van de schending; als schending van het beheersverbod geen ernstige gevolgen heeft, hoeft er dus ook geen aansprakelijkheid te zijn. Voorts dient de sanctie achterwege te blijven indien en voor zover zij door het handelen van de stille vennoot niet of niet ten volle wordt gerechtvaardigd.

Deze nuancering van de Hoge Raad maakt dat lagere rechters nu de omstandigheden van het geval in hun oordeel mogen betrekken. Goed denkbaar is dat als de wederpartij weet dat hij handelt met een stille vennoot in die hoedanigheid, tot aansprakelijkheid van de stille vennoot niet gekomen kan worden. Ook zal een rechter kunnen oordelen dat de aansprakelijkheid beperkt is tot bepaalde verbintenissen van de CV. Rechters kunnen ook in hun oordeel betrekken of bij derden redelijkerwijs een onjuiste indruk over de hoedanigheid van de stille vennoot heeft kunnen ontstaan en of de stille vennoot een verwijt van zijn handelwijze gemaakt kan worden.

Conclusie

Deze uitspraak van de Hoge Raad beperkt enerzijds de externe aansprakelijkheid van een stille vennoot, maar kan anderzijds vragen oproepen over wat een stille vennoot nog net wel kan doen en wat net niet meer. Uitgangspunt is dat de stille vennoot ervan op de hoogte behoort te zijn dat hij geen daden van beheer mag verrichten. Bent u stille vennoot en ondertekent u een overeenkomst voor de vennootschap? Maak dan aan de wederpartij kenbaar dat u ‘slechts’ stille vennoot bent en stel op schrift dat u enkel in de hoedanigheid van stille vennoot handelt en dat de wederpartij hiervan op de hoogte is. Maar ook dan kan het zijn dat een derde die van deze overeenkomst af weet, maar niet op de hoogte is van het feit dat de stille vennoot in die hoedanigheid optrad, voor zijn vordering de stille vennoot aansprakelijk kan houden als de Cv deze onbetaald laat.

Bent u stille vennoot en wilt u advies over uw handelwijze en welke risico’s dit eventueel met zich meebrengt? Of bent u schuldeiser van een CV en wilt u advies over het wel of niet nemen van actie jegens de stille vennoot? Neem dan gerust contact op met ons kantoor.

 Mr. Rosemarieke van der Voort - sectie ondernemingsrecht - december 2015


Geen bemiddelingskosten, binnenkort ook voor studenten?

13-12-2015
De werkzaamheden van een bemiddelingsbureau bestaan onder andere uit het bij elkaar brengen van een verhuurder en een potentiële huurder. De Hoge Raad heeft op 16 oktober 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3099) een arrest gewezen over het al dan niet moeten betalen van bemiddelingskosten door de huurder bij het tot stand komen van een huurovereenkomst.

De Hoge Raad is duidelijk: het gaat om een bemiddelingsovereenkomst ex artikel 7:425 van het Burgerlijk Wetboek. Er mogen van de huurder géén bemiddelingskosten worden gevraagd, indien de huurder 1) een consument is, 2) het gaat om een zelfstandige woonruimte en 3) zowel de verhuurder als de huurder het bemiddelingsbureau opdracht hebben gegeven om te bemiddelen. Het maakt daarbij niet uit of de huurder (vooraf) heeft ingestemd met het moeten betalen van bemiddelingskosten bij een succesvolle bemiddeling. Van belang was dat er sprake is van een situatie waarin aan de huurder geen keuze is gelaten om de huurovereenkomst middels een bemiddelaar tot stand te laten komen. Anders gezegd: als de aspirant-huurder niet de mogelijkheid heeft gehad om zelf met de verhuurder in overleg te treden, dan mag het bemiddelingsbureau geen bemiddelingskosten in rekening brengen. Of deze kosten worden aangeduid als courtage, administratiekosten, dossierkosten, etc. doet daar niets aan af.

Op 26 mei 2015 is er een wetsvoorstel ingediend waarin wordt voorgesteld dat er ook geen bemiddelingskosten verschuldigd zijn indien het gaat om een onzelfstandige woonruimte. Hierbij kan dan worden gedacht aan studentenkamers. Op 2 december 2015 is dit voorstel door de Tweede Kamer aangenomen en zal voorts door de Eerste Kamer in behandeling worden genomen. Uiteraard wordt deze ontwikkeling door Okkerse & Schop Advocaten op de voet gevolgd.

Bent u huurder of een bemiddelingsbureau en/of heeft u te maken met bemiddelingskosten? Neem dan zo snel mogelijk vrijblijvend contact op met Okkerse & Schop Advocaten.

Mw. mr. Vera Hartkamp - sectie huurrecht - december 2015


Bestuurders; informeer je kredietverstrekker over een ouder pandrecht!

09-12-2015
Kredietverstrekkers willen graag zekerheid dat hun vordering wordt terugbetaald. In verband hiermee worden er regelmatig zekerheidsrechten gevestigd op activa van de schuldenaar, bijvoorbeeld in de vorm van een pandrecht. Hierbij kan het ook voorkomen dat op een dezelfde zaak meerdere pandrechten worden gevestigd. Dit kan nog weleens problemen opleveren wanneer een tweede pandhouder niet op de hoogte is gebracht van het feit dat er reeds een pandrecht is gevestigd op de betreffende zaak. De tweede pandhouder wordt tweede pandhouder, terwijl hij in de veronderstelling verkeerde dat hij eerste pandhouder zou worden. Dat maakt nogal een verschil. Op 1 december jongstleden heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (ECLI:NL:GHSHE:2015:4975) zich uitgelaten over een dergelijke kwestie en dan met name over de positie van de bestuurder die betrokken is geweest bij het vestigen van de pandrechten.

Recente rechtspraak

Het arrest gaat over het volgende. Bestuurder X is tussen 1995 en 2 augustus 2002 (voor tenminste 70%) aandeelhouder en bestuurder van International B.V. (hierna: International) geweest. Tevens is hij enig aandeelhouder en bestuurder van Prevan B.V. (hierna: Prevan). Prevan heeft aan International een lening verstrekt. Ter zekerheid tot terugbetaling van deze lening is middels een daartoe bestemde akte een pandrecht gevestigd op bedrijfsinventaris van International. Op 25 september 2001 heeft bestuurder X deze pandakte namens beide partijen ondertekend.

Bij akte van 7 mei 2003 is vervolgens sprake van novatie* van het pandrecht. In de op 19 mei 2003 geregistreerde pandakte is opgenomen dat International bevoegd is tot verpanden en dat op de verpande zaken een eerste pandrecht rust ten gunste van de ING-bank en een tweede pandrecht ten gunste van Prevan.

In 2004 is de kredietverstrekking overgenomen door ABN Amro. Doordat het krediet door ING werd opgezegd, kwam haar pandrecht op de bedrijfsinventaris te vervallen. Hierdoor kreeg Prevan van rechtswege een eerste pandrecht op de bedrijfsinventaris. Bestuurder X heeft dit niet doorgehad. Hij heeft op 11 juli 2004 namelijk een pandakte getekend waarin onder andere de bedrijfsinventaris werd verpand aan ABN Amro en verklaard dat er geen ander pandrecht rustte op de bedrijfsinventaris en dat het pandrecht van ABN Amro het eerste pandrecht in rang was.

In november 2007 speelt het probleem op en komt de vraag naar voren wie er eerste pandhouder is, ABN Amro of Prevan. ABN Amro verzoekt bestuurder X te bevestigen dat zij eerste pandhouder is. Bestuurder X weigert dit. Naar aanleiding hiervan besluit ABN Amro om het krediet niet verder uit te breiden.

Inmiddels is niet meer bestuurder X, maar bestuurder Y bestuurder van International. Bestuurder Y besluit namens International om bestuurder X in een procedure te betrekken nu International schade ondervindt van het feit dat ABN Amro weigert om het krediet verder uit te breiden. International vordert in deze procedure een verklaring voor recht dat bestuurder X onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door de pandakte van 11 juli 2004 te ondertekenen en op grond daarvan aansprakelijk is voor de schade die International daardoor lijdt. Bij International is een liquiditeitsprobleem ontstaan doordat ABN Amro het krediet heeft opgezegd.

Rechtbank

De rechtbank heeft geoordeeld dat bestuurder X op grond van een onbehoorlijke taakvervulling als bestuurder (conform artikel 2:9 BW) inderdaad aansprakelijk kon worden gehouden voor de door International geleden schade. Bestuurder X heeft volgens de rechtbank onrechtmatig gehandeld doordat hij de pandakte van 11 juli 2004 heeft getekend.

Gerechtshof

Bestuurder X is tegen het vonnis van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. Ook het gerechtshof oordeelt dat bestuurder X onbehoorlijk heeft gehandeld op grond van artikel 2:9 BW en dat hem hiervan een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Volgens het gerechtshof staat het vast de bestuurder X in strijd met de waarheid op 11 juli 2004 in de pandakte heeft verklaard dat International bevoegd was om aan ABN Amro een eerste pandrecht te verschaffen. Dat was International immers niet, nu Prevan eerste pandhouder was geworden doordat het eerder gevestigde eerste pandrecht van ING was komen te vervallen. Bestuurder X heeft gesteld dat hem als niet-jurist deze finesses van het pandrecht niet bekend waren zodat hij niet aansprakelijk kan worden gehouden. Het gerechtshof meent echter dat dit bestuurder X niet kan baten.

Volgens het gerechtshof is het de verantwoordelijkheid van een bestuurder van een vennootschap dat hij datgene wat hij ondertekent in zodanige mate begrijpt, waardoor hij geen met de waarheid strijdige verklaring aflegt. Het is ook de verantwoordelijkheid van een bestuurder om, indien hij ter zake onvoldoende kundig is, zich door deskundige adviseurs te laten voorlichten zodat fouten en vergissingen worden vermeden die schadelijk kunnen zijn voor de vennootschap. Daar komt nog bij dat, volgens het gerechtshof, bij bestuurder X bekend had moeten zijn dat er een ouder pandrecht van Prevan op de verpande zaken rustte. Hij had immers zelf die oudere pandakte ondertekend en bovendien was Prevan een 100% vennootschap van hemzelf, waarvan hij de enige bestuurder is en was.

Bestuurder X heeft volgens het gerechtshof, bij het verstrekken van het pandrecht aan ABN Amro, niet het inzicht en de zorgvuldigheid betracht die mogen worden verwacht van een bestuurder die voor zijn taak berekend is en deze nauwgezet vervult. Bestuurder X kan een ernstig verwijt worden gemaakt zodat hij aansprakelijk is voor de door International geleden schade en te lijden schade.

Conclusie

Bij het aangaan van een krediet en een daaraan gekoppeld pandrecht is het van groot belang dat een bestuurder op de hoogte is van eventueel reeds aanwezige pandrechten en in dat kader dus geen onjuiste mededelingen doet. Dit kan ertoe leiden dat een bestuurder aansprakelijk wordt gehouden voor daaraan gekoppelde schade, zoals uit dit artikel is gebleken.

Mocht u naar aanleiding hiervan vragen hebben, dan kunt u vrijblijvend contact opnemen met ons kantoor via 036-5346220.

mr. Mirjam Davelaar -sectie Ondernemingsrecht – december 2015 -

* situatie waarbij een rechtsverhouding of verbintenis in een nieuwe wordt omgezet (vernieuwd) en waardoor de oude tenietgaat


Anti-cumulatie van de transitievergoeding met eerder gemaakte afspraken

06-12-2015
Zoals u bekend zal zijn, zijn per 1 juli jl. de wetsbepalingen betreffende de zogenaamde transitievergoeding in werking getreden. Omdat het regelmatig voorkomt dat een werkgever via een cao of andere regeling al afspraken heeft gemaakt over (de hoogte van) een ontslagvergoeding of -voorziening, is per diezelfde datum het Besluit overgangsrecht transitievergoeding in werking getreden. Onder andere regelt dit besluit dat een werkgever, die al vóór 1 juli 2015 gebonden was aan afspraken over een ontslagvergoeding of -voorziening (bijvoorbeeld wachtgeld of outplacement), niet daarnaast ook nog de transitievergoeding hoeft te betalen.

Gaat het om lopende collectieve afspraken met verenigingen van werknemers dan gaan deze automatisch voor op de transitievergoeding. De transitievergoeding hoeft dan niet betaald te worden, tenzij is overeengekomen dat de werknemer recht heeft op de afgesproken vergoeding of voorziening, in aanvulling op de transitievergoeding. Deze regeling geldt totdat de collectieve afspraken worden verlengd of worden gewijzigd en in ieder geval niet langer dan tot 1 juli 2016.

Gaat het om andere, veelal individuele, afspraken, dan mag de werknemer kiezen tussen die eerder gemaakte contractuele afspraken dan wel de transitievergoeding. De werkgever heeft de plicht diens werknemers over deze keuzemogelijkheid en de consequenties te informeren. Pas daarna gaat de termijn van 4 weken lopen waarbinnen de werknemer zijn of haar keuze dient te maken. Als werkgever dient u uw werknemers te informeren over:

  • De consequenties van de diverse mogelijkheden;
  • Binnen welke termijn de keuze moet worden gemaakt;
  • Hoe hoog de transitievergoeding is waar de werknemer recht op heeft;
  • Op welke vergoedingen en voorzieningen de werknemer recht heeft op grond van de eerder gemaakte contractuele afspraken.

Zolang de werkgever geen informatie aan de werknemer verstrekt, behoudt de werknemer recht op zowel de transitievergoeding als op vergoedingen en voorzieningen op grond van lopende individuele afspraken. Daar ligt dus een taak voor u als werkgever.

Kiest de werknemer niet of niet tijdig, dan vervalt diens recht op de transitievergoeding en gelden de eerder gemaakte contractuele afspraken. Kiest de werknemer voor de transitievergoeding, dan dient hij schriftelijk afstand te doen van zijn recht op de eerder gemaakte, contractuele afspraken. Deze regeling kan ook na 1 juli 2016 nog gelden, feitelijk zolang de betreffende werknemer rechten aan de gemaakte afspraken kan ontlenen.

De Kantonrechter te Rotterdam heeft overigens een van het overgangsrecht afwijkende uitspraak gedaan in een geval waarbij er een groot verschil bestond tussen de uitkering op basis van de transitievergoeding en die op basis van de cao. Nu de werknemer daardoor in een substantieel ongunstigere positie terecht kwam, heeft de Kantonrechter toch (ook) de transitievergoeding toegekend, ondanks dat de collectieve afspraken van voor 1 juli 2015 waren. De verwachting is dat voor dergelijke afwijkingen slechts onder zeer bijzondere omstandigheden plaats is.

Mocht u hierover vragen hebben, neemt u dan tijdig contact met ons op.

mr. Miriam Ruijters – lid sectie arbeidsrecht– december 2015


Okkerse & Schop Advocaten - MVO Challenge

25-11-2015

Okkerse en Schop Advocaten is verbonden met de gemeenschap waarin ze werkzaam is. Het kernthema maatschappelijke betrokkenheid springt er dan ook uit voor ons. In de bedrijfsvoering en doelgroep wordt er veel aandacht besteed aan de mensenrechten. De MVO Challenge was voor ons een bewustwording en ook doen wij al meer aan MVO dan we zelf wisten.


Huren en schulden: de wet biedt mogelijkheden

22-11-2015

Wanneer iemand in een problematische schuldensituatie geraakt, ziet hij of zij al gauw door de bomen het bos niet meer. Er worden her en der (deel)betalingen gedaan en betalingsafspraken gemaakt. Uit de praktijk blijkt dat hierdoor ook vaak de huurbetalingen niet meer op een juiste manier worden voldaan, waardoor er een betalingsachterstand bij de verhuurder ontstaat. In het ergste geval heeft de verhuurder al een ontbindings- en ontruimingsvonnis in handen en wilt uw woning gaan ontruimen.

Minnelijke schuldhulpverlening
Is voor u een minnelijk schuldhulpverleningstraject opgestart, dan zijn er mogelijkheden om ontruiming te voorkomen. In de afrondende fase van het minnelijke traject kan, na een aangezegde ontruiming, een zgn. ‘moratorium’ worden verzocht bij de rechtbank.

Een aangezegde ontruiming kan het schuldhulpverleningstraject ernstig belemmeren. Het moratorium heeft tot doel de voortzetting van een minnelijk traject, zodat een regeling met de schuldeisers kan worden getroffen en afgerond.

Indien het moratoriumverzoek wordt toegewezen, dan wordt de aangezegde ontruiming met maximaal zes maanden opgeschort. De verhuurder mag in die tijd niet ontruimen. De huurder dient binnen deze periode met zijn schuldeisers tot een minnelijk akkoord te komen. Een dergelijk akkoord komt tot stand op het moment dat álle crediteuren kunnen instemmen met het voorstel.

Wettelijke schuldsanering
Op het moment dat er geen minnelijk akkoord tot stand komt en een dwangakkoord geen kans van slagen heeft of is afgewezen, kan de schuldenaar bij de rechtbank een verzoek indienen tot toelating tot de wettelijke schuldsanering natuurlijke personen (WSNP). Wordt de schuldenaar door de rechtbank toegelaten tot de WSNP, dan krijgt hij een bewindvoerder toegewezen. De schuldenaar wordt in dat stadium een ‘saniet’ genoemd.

Wat betekent dit voor het ontruimingsvonnis?
Door het uitspreken van de schuldsanering, kan de verhuurder het ontruimingsvonnis niet meer ten uitvoer leggen, tenzij er gedurende de WSNP een nieuwe huurschuld ontstaat. Wanneer de WSNP succesvol wordt doorlopen worden de schuldeisers zo veel mogelijk voldaan en ontvangt de saniet een ‘schone lei’. Hierdoor kunnen de schuldeisers hem of haar niet meer aanspreken voor de schulden. Voor de verhuurder betekent dit dat het ontruimingsvonnis niet meer is af te dwingen. Let wel, dit kan alleen als het vonnis op grond van een betalingsachterstand is uitgesproken, en niet als er bijvoorbeeld sprake was van overlast.

Conclusie
Heeft u schulden of bent u verhuurder en heeft uw huurder schulden? Neem dan zo snel mogelijk vrijblijvend contact op met Okkerse & Schop Advocaten. Immers, voorkomen blijft beter dan genezen.

Mr. Vera Hartkamp - sectie insolventie- en huurrecht - november 2015


Jaarlijkse verhoging alimentatie 2016

15-11-2015

Op grond van de wet wordt de alimentatie elk jaar verhoogd met de ‘wettelijke indexering’. De verhoging per 1 januari 2016 is vastgesteld op 1,3%.

Ons advies: bekijk in de uitspraak van rechtbank, in het convenant of in het ouderschapsplan of de jaarlijkse verhoging niet is uitgesloten. Is de wettelijke indexering uitgesloten (voor één jaar of voor altijd) dan vindt er geen verhoging plaats. Is de verhoging niet uitgesloten en moet u alimentatie betalen? Vergeet dan niet het huidige bedrag vanaf 1 januari met 1,3% te verhogen. Ontvangt u alimentatie? Controleer dan of de betaling in januari is verhoogd met 1,3%.

Heeft u vragen over dit onderwerp of over een andere onderwerp dat met echtscheidingen te maken heeft, neem dan gerust contact met ons op.

Sylvia Raphael en Marleen Falkena - sectie personen- en familierecht - november 2015


Verrekening van Kinderopvangtoeslag door de belastingdienst

11-11-2015

De Kinderopvangtoeslag wordt in de regel als voorschot uitgekeerd door de belastingdienst. Indien nadien blijkt dat er te veel Kinderopvangtoeslag is uitgekeerd zal de te veel ontvangen Kinderopvangtoeslag door de belastingdienst worden teruggevorderd. In sommige gevallen gaat dit om grote bedragen die niet in één keer kunnen worden terugbetaald. Indien de belastingdienst besluit om de terugvordering te verrekenen met de toekomstige Kinderopvangtoeslag komen veel ouders in financiële problemen. Recentelijk heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht zich uitgesproken over de vraag of er sprake is van misbruik van bevoegdheid aan de zijde van de belastingdienst indien een belanghebbende als gevolg van de verrekening een baan in loondienst niet kan behouden.

Betalingsregeling
In veel gevallen kan er een oplossing voor de terugvordering worden bereikt door het treffen van een betalingsregeling. De belastingdienst dient de belanghebbende in de gelegenheid te stellen om een terugvordering terug te betalen in 24 maandelijkse termijnen. Indien de belanghebbende een beperkt inkomen heeft en/ of het bedrag van de terugvordering hoog is, kan het echter zo zijn dat het voor de belanghebbende ook niet haalbaar is om de terugvordering in 24 maandelijkse termijnen terug te vorderen. In dat geval kan er op verzoek van de belanghebbende een betaling in termijnen worden toegestaan die is gebaseerd op de betalingscapaciteit. Deze mogelijkheid bestaat echter niet indien het ontstaan van de terugvordering naar het oordeel van de belastingdienst is te wijten aan opzet of grove schuld. Het is overigens mogelijk om bezwaar aan te tekenen tegen het besluit waarin de belastingdienst kenbaar maakt dat er naar haar oordeel sprake is van opzet of grove schuld. Het bezwaarschrift dient binnen zes weken na dagtekening van het besluit ingediend te worden.

Indien de terugvordering van Kinderopvangtoeslag te hoog is om in 24 maandelijkse termijnen te voldoen en er geen mogelijkheid bestaat om een betalingsregeling te treffen op basis van afloscapaciteit, kunnen er grote financiële problemen ontstaan. Niet zelden besluit de belastingdienst in een dergelijk geval om de terugvordering te verrekenen met toekomstige Kinderopvangtoeslag. Omdat de Kinderopvangtoeslag geen onderdeel is van de berekening van de beslagvrije voet, kan de belastingdienst in beginsel de gehele toeslag verrekenen, ook indien belanghebbende een laag inkomen heeft of zelfs een inkomen beneden de beslagvrije voet. Het besluit tot verrekening is uitgezonderd van de bestuursrechtelijke mogelijkheid van bezwaar en beroep. Wel kan een belanghebbende terecht bij de civiele (rest)rechter om het besluit aan te vechten.

Misbruik van bevoegdheid
Met name voor ouders die de kosten van de kinderopvang niet kunnen voldoen zonder dat zij Kinderopvangtoeslag ontvangen, heeft de verrekening vergaande gevolgen. Gevolg van de verrekening kan in een dergelijk geval immers zijn dat belanghebbenden hun baan niet kunnen behouden omdat de professionele opvang van de kinderen noodgedwongen moet worden stopgezet. Ook de belastingdienst is in dat geval niet gebaat bij de verrekening omdat de afloscapaciteit van de belanghebbenden zal afnemen en omdat de verrekening niet voortgezet kan worden indien er geen gebruik meer wordt gemaakt van kinderopvang. Dit betekent dat het doel van de maatregel, namelijk het incasseren van de vordering, niet zal worden bereikt. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat er bij het toepassen van de verrekening onder de hiervoor genoemde omstandigheden sprake is van misbruik van bevoegdheid aan de zijde van de belastingdienst.

Conclusie
In beginsel is de belastingdienst gerechtigd om over te gaan tot verrekening van een terugvordering van de Kinderopvangtoeslag met toekomstige Kinderopvangtoeslag. Gelet op de omstandigheden van het geval kan er echter sprake zijn van misbruik van bevoegdheid aan de zijde van de belastingdienst bij het toepassen van deze verrekening.

Mocht u naar aanleiding van dit artikel vragen hebben, dan kunt u contact opnemen met ons kantoor. Wij beantwoorden uw vragen graag.

Mr. Sanne Kleerebezem - november 2015


Petitie tegen uitkleden rechtbank aangeboden

11-11-2015

In Den Haag is dinsdagmiddag de petitie aangeboden voor het behoud van de rechtbank in Lelystad. Dat gebeurde door burgemeester Margreet Horselenberg, Richard Berendsen namens de rechtbankmedewerkers en Cees Okkerse namens de Flevolandse advocatuur. De petitie is door 2300 mensen ondertekend en werd in ontvangst genomen door Ton Elias van de Vaste Kamercommissie voor Veiligheid en Justitie. De rechtbank Lelystad dreigt te worden uitgekleed door bezuinigingen. Voor veel zaken zouden Flevolanders dan naar Utrecht moeten. Later deze maand bespreekt de Kamer de begroting van het ministerie van Veiligheid en Justitie.




Bezoek mr. Broas aan de Schouwburg Almere

29-10-2015

Photo taken during a visit from mr. Broas to the Schouwburg Almere which was hosted by the Rabobank Almere.

To the right mr. Timothy Broas, ambassador of The United States of America from The Hague, former lawyer. To the left mr. Cees Okkerse, still a lawyer.



Beter een goede vriend dan familie 2.0

28-10-2015

Op 12 april 2015 verscheen op deze website een artikel waarin werd gewezen op het risico bij het aangaan van een arbeidsovereenkomst met een familielid. Hoewel familieleden probleemloos als werkgever en werknemer een arbeidsovereenkomst met elkaar kunnen aangaan, gaf dit in het verleden nogal eens problemen wanneer de werknemer nadien een beroep deed op een uitkering in de zin van de Werkloosheidswet, Ziektewet of WIA.

In de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep lag tot voor kort als uitgangspunt vast dat het bestaan van een arbeidsovereenkomst niet snel wordt aangenomen wanneer een kind in dienst is van zijn ouder. De voor een arbeidsovereenkomst vereiste gezagsverhouding tussen werkgever en werknemer werd in de regel niet aanwezig geacht. Het UWV trok deze lijn ook door naar andere werknemers die in familiaire verhouding stonden tot de werkgever.

Vanaf 14 oktober 2015 neemt de Centrale Raad van Beroep niet langer tot uitgangspunt dat het bestaan van een arbeidsovereenkomst tussen ouder en kind in de regel niet aannemelijk is wegens het gewoonlijk ontbreken van de vereiste gezagsverhouding. Of sprake is van een gezagsverhouding dient te worden beoordeeld door alle relevante feiten en omstandigheden af te wegen.

Hoewel het uitgangspunt tot 14 oktober 2015 precies tegenovergesteld was aan het huidige uitgangspunt, diende ook toen al te worden beoordeeld of sprake was van een gezagsverhouding door een weging van alle relevante feiten en omstandigheden. De vraag is dus of deze ommezwaai van de Centrale Raad van Beroep ook daadwerkelijk zal leiden tot een gemakkelijkere toegang tot de Werkloosheidswet, Ziektewet of WIA. Maar enige verruiming mag hierin wel gezien worden.

Wilt u weten hoe dit zit in uw geval, neemt u dan contact op met een van de medewerkers van de sectie arbeidsrecht.

Roy van Wolferen – sectie arbeidsrecht – oktober 2015


Aansprakelijkheden van vennoten bij de commanditaire vennootschap

25-10-2015

In het eerste halfjaar van 2015 heeft de Hoge Raad een tweetal arresten gewezen waarbij aansprakelijkheid van vennoten van een commanditaire vennootschap onderwerp van de voorgelegde geschillen was.

De bij wet geregelde rechtsvorm van de commanditaire vennootschap kent als bijzonderheid dat er enerzijds sprake is van een beherend vennoot, te weten degene die voor de buitenwacht, zoals leveranciers, afnemers en overige derden als degene wordt aangemerkt die de onderneming drijft en die voor de schulden van de vennootschap hoofdelijk aansprakelijk is. Daarnaast is er sprake van een ‘stille’ vennoot, oftewel de commanditaire vennoot, die formeel alleen als geldschieter van de CV optreedt en voor het overige op de achtergrond blijft.

Gedurende lange tijd is onduidelijkheid blijven bestaan, er zijn in de lagere jurisprudentie en literatuur uiteenlopende standpunten ingenomen, of de hoofdelijke aansprakelijkheid van de beherend vennoot betrekking had op alle schulden van de vennootschap of dat deze hoofdelijke aansprakelijkheid werd beperkt tot de schulden die gedurende het in functie zijn van de beherend vennoot opkwamen. Op 13 maart 2015 heeft de Hoge Raad evenwel beslist dat een beherend vennoot eveneens hoofdelijk verbonden is voor schulden die betrekking hebben op de periode voordat de vennoot is toegetreden. Daarbij wijst de Hoge Raad er op dat in de wettekst geen beperking is te vinden ten aanzien van hoofdelijkheid voor verbintenissen die zijn ontstaan na het toetreden van de vennoot, zodat er van uit moet worden gegaan dat de strekking van de betreffende bepalingen met zich brengt dat de verbondenheid van de alsdan toetredende vennoot al de vennootschapsschulden aangaat, ongeacht het ontstaansmoment daarvan. Al met al een arrest met mogelijk belangrijke gevolgen voor de (toetredende) vennoot in spé.

Ter voorkoming van onaangename verrassingen zal het immers noodzaak, maar in ieder geval wenselijk, zijn om een zeer goed beeld te krijgen van de positie van de vennootschap teneinde (voorzienbare maar ook onvoorziene) risico’s uit te kunnen sluiten. Dit geldt dan niet alleen voor de actuele financiële positie, baten en lasten, maar ook voor mogelijke aansprakelijkheden die zich nog zouden kunnen openbaren in verband met rechtshandelingen uit het verleden.

De commanditaire vennoot, ofwel de geldschieter, is – behoudens uitzonderingen, waarover hierna meer – slechts aansprakelijk voor het bedrag dat door hem in de vennootschap is ingebracht. Het is de commanditaire vennoot in dat verband verboden om daden van beheer te verrichten. Op dit punt onderscheidt de commanditaire vennootschap zich van de vennootschap onder firma, dat is immers slechts een samenwerkingsverband tussen beherend vennoten. Wanneer er door de commanditaire vennoot wel daden van beheer worden gepleegd, dan wordt ook hij conform het bepaalde in het Wetboek van Koophandel, artikel 20 tweede lid en artikel 21, voor al de schulden en verbintenissen van de vennootschap hoofdelijk verbonden geacht. Als dergelijk handelen wordt vastgesteld, spreekt men over overtreding van het “beheersverbod”. In de rechtspraak wordt een relatief strenge invulling van het begrip “beheersdaden” gehanteerd met tot gevolg mogelijk ernstige consequenties van overtreding van het beheersverbod door commanditaire vennoten. De commanditaire vennoot dient zich immers slechts te gedragen als commanditaire vennoot en mag zich niet op het speelveld van de beherende vennoten begeven.

Bij arrest van 29 mei 2015 is de Hoge Raad (zij het gedeeltelijk) teruggekomen van reeds lang uitgekristalliseerde rechtspraak (namelijk van januari 1943) door de sanctie van hoofdelijke aansprakelijkheid bij het verrichten van beheersdaden als commanditaire vennoot te nuanceren. In het berechte geval was er sprake van het mede-ondertekenen van een (tweetal) overeenkomst(en) van de CV. Het betrof in dit specifieke geval ondertekening van een huurovereenkomst door de ouders van de ondernemer/beherend vennoot, waarbij zij als commanditaire vennoten – op verzoek van de verhuurder en slechts in verband met de door deze verhuurder bedongen zekerheid in de vorm van een waarborgsom – de overeenkomst mede ondertekenden. De verhuurder was dan ook uitdrukkelijk op de hoogte van het feit dat de ouders van de beherend vennoot slechts als commanditaire vennoten optraden. Zowel de rechtbank in eerste aanleg als in hoger beroep het Hof oordeelden echter dat het ondertekenen van de huurovereenkomst bij aanvang en de beëindigingsovereenkomst voldoende waren om als daden van beheer te worden aangemerkt, met als gevolg hoofdelijke aansprakelijkheid voor schulden die waren ontstaan gedurende de exploitatie van de vennootschap. Er was kennelijk geen aanleiding gezien om daarop een uitzondering aan te nemen vanwege het feit dat de (enige) derde die bij de betreffende rechtshandelingen was betrokkenen, uitdrukkelijk op de hoogte was van het feit dat de commanditaire vennoten als zodanig hadden meegetekend.

De Procureur-Generaal zag in deze omstandigheid in ieder geval aanleiding om, in het belang van de wet, cassatie in te stellen. Bij de uitleg van het bepaalde in de relevante artikelen van het Wetboek van Koophandel was ten onrechte geen rekening gehouden met de omstandigheden van het geval. De strekking van de in artikel 21 WvK neergelegde sanctie is te voorkomen dat commanditaire vennoten die onduidelijkheid laten bestaan omtrent hun rechtspositie binnen een commanditaire vennootschap zich kunnen onttrekken aan de aansprakelijkheid die voor ‘gewone’ vennoten in de wet is neergelegd. Het gaat er daarbij om te voorkomen dat in het handelsverkeer en bij derden misverstanden en/of onduidelijkheid zou kunnen ontstaan ten aanzien van de hoedanigheid van de persoon met wie hij handelt of te maken heeft, ook voor wat betreft het al dan niet instaan met diens volledige vermogen voor de (rechts-)gevolgen van dat handelen.

Een dergelijk (zware) sanctie is dan ook slechts gerechtvaardigd indien en voor zover deze in overeenstemming is met de hiervoor bedoelde strekking. Een andersluidend uitgangspunt zou er toe leiden dat, wanneer een bepaald handelen van de commanditair vennoot dat eigenlijk niet rechtvaardigt, er sprake is van een onevenredige verhouding tot de aard en ernst van de schending van de wettelijke voorschriften.

Het is aan de rechter om te oordelen of een schending al dan niet gerechtvaardigd is of dat het gevolg van een schending dient te worden beperkt tot (hoofdelijkheid ten aanzien van de gevolgen van) bepaalde verbintenissen van de vennootschap. Het is aan de commanditaire vennoten om een en ander te stellen en te bewijzen. Het lijkt er dan op aan te komen dat wordt aangetoond dat er redelijkerwijs geen gevaar voor het ontstaan van een onjuiste indruk omtrent de hoedanigheid van de commanditaire vennoten te duchten is geweest. De rechtspraak dat tenminste enig verwijt ter zake aan de betrokken vennoot kan worden gemaakt, blijft daarbij gehandhaafd. Al met al blijft het toch oppassen voor de geldschieter.

Voor vragen naar aanleiding van deze bijdrage, neem gerust contact op.

Mr. Robert Lonis - sectie ondernemings- en insolventierecht - oktober 2015


JeugdFloriade Almere

08-10-2015

Het bestuur van de Stichting JeugdFloriade heeft woensdag 7 oktober twee nieuwe bestuursleden geïnstalleerd. Na installatie van de nieuwe bestuurders ondertekenen de gemeente Almere en de Stichting JeugdFloriade een gebruikersovereenkosmt voor Utopia.



Oud bestuursleden, wethouder Peeters en de heer Wachtmeester, voormalig-directeur Stad & Natuur Almere, dragen het stokje over aan respectievelijk mevrouw Nguyen, partner van Okkerse & Schop Advocaten uit Almere en mevrouw Bronkhorst, directeur Stichting Stad & Natuur Almere. Mevrouw Schober, directeur van Startlife (het ondernemersloket voor startende ondernemingen in de agri-food sector, verbonden aan Wageningen UR) is eveneens benoemd als bestuurslid.


Na installatie van de nieuwe bestuurders ondertekenen de gemeente Almere en de Stichting JeugdFloriade een gebruikersovereenkomst voor Utopia. Het eiland Utopia, dat onderdeel uitmaakt van het toekomstige Floriadeterrein, is de uitvalsbasis van de Urban Greeners. Hier zijn ze al gestart met voedselbos 'Weerwoud' en plantaardig drijvend gebouw de 'Drijfveer'.


De komende jaren biedt Urban Greeners hier een infrastructuur aan waarbij jonge ondernemers hun plannen daadwerkelijk in de praktijk kunnen realiseren en samen bouwen op deze broedplaats aan de groene stadswijk van de toekomst.


In 2018 is hier ook het voorlopige hoogtepunt gepland: de organisatie van een internationale JeugdFloriade.


 


Urban Greeners zijn jonge ondernemers met een voorhoedepositie in de aanloop naar de Floriade van 2022. Sinds 2013 initiëren zij innovatieve projecten, lesprogramma's, start- ups en evenementen. De nadruk ligt op de verbinding tussen stad en land, tussen boer en burger, tussen natuur en techniek. De Urban Greeners zijn verenigd in de Stichting JeugdFloriade. Samenwerking met de Urban Greeners maakt dat de Floriade BV een doelgroep bereikt die bij eerdere Floriade ondervertegenwoordigd bleek: jongeren en dan met name studenten van verschillende opleidingen - zij staan centraal in de projecten en activiteiten van de Urban Greeners. Door de focus op jonge ondernemers ontstaat de komende jaren een netwerk van alumni met aansprekende functies: in binnen- en buitenland, in het bedrijfsleven, op universiteiten en in de politiek. Dit alumninetwerk levert in 2022 niet alleen ambassadeurs voor de Floriade, maar ook pleitbezorgers voor de noodzakelijke verbinding tussen de tuinbouwsector en de duurzame stad. In 2018 is het voorlopige hoogtepunt gepland: de organisatie van een internationale JeugdFloriade.


Klik hier om meer te lezen over Urban Greeners.



Uitspraak Hoge Raad in verband met kinderalimentatie

08-10-2015

De Hoge Raad heeft op 9 oktober 2015 bepaald, naar aanleiding van vragen die een gerechtshof heeft gesteld, dat het kind gebonden budget niet in mindering gebracht moet worden op de behoefte van een kind maar als inkomen van de ontvanger meegenomen dient te worden. Dat zet het berekenen van kinderalimentatie op z’n kop! Wij gaan de uitspraak goed bestuderen. Wilt u weten wat de gevolgen zijn voor uw situatie, neem dan contact op met Sylvia Raphael via telefoonnummer 036 5346220.


Uitspraak Hoge Raad in verband met kinderalimentatie

08-10-2015

De Hoge Raad heeft op 9 oktober 2015 bepaald, naar aanleiding van vragen die een gerechtshof heeft gesteld, dat het kind gebonden budget niet in mindering gebracht moet worden op de behoefte van een kind maar als inkomen van de ontvanger meegenomen dient te worden. Dat zet het berekenen van kinderalimentatie op z’n kop!


Wij gaan de uitspraak goed bestuderen. Wilt u weten wat de gevolgen zijn voor uw situatie, neem dan contact op met Sylvia Raphael via telefoonnummer 036 5346220.


Ondertekening petitie tegen uitkleden Rechtbank Lelystad

30-09-2015

Op dinsdag 29 september is de petitie tegen het uitkleden van de Rechtbank Lelystad ondertekend door de commissaris van de koning van de Provincie Flevoland Leen Verbeek, burgemeester Margreet Horselenberg van de Gemeente Lelystad, Leontine de Haas namens de medewerkers van de Rechtbank Lelystad en Cees Okkerse namens de Flevolandse advocaten. De petitie is te vinden op rechtbanklelystad.petities.nl



Turbo Liquidatie doen of niet?

27-09-2015

De turbo liquidatie is een snelle manier om een besloten vennootschap, stichting of andere vennootschap te ontbinden. De algemene vergadering (van aandeelhouders) besluit tot ontbinding van de vennootschap en houdt daarmee op te bestaan. Via formulieren van de kamer van koophandel wordt de liquidatie ingeschreven in het handelsregister. De turbo liquidatie wordt in beginsel toegepast alleen wanneer er geen bekende baten aanwezig zijn in de vennootschap.

Let echter wel op bij toepassing van een turbo liquidatie wat er voorafgaande aan de turbo liquidatie is gebeurd en of de turbo liquidatie de geëigende weg is.

Zo oordeelde het Hof Arnhem-Leeuwarden op 25 februari 2014 dat er onrechtmatig was gehandeld toen de onderneming werd ontbonden via turbo liquidatie. In die casuspositie had de onderneming al haar activa verkocht aan een zusteronderneming en werd de verkoopopbrengst gebruikt ter bestrijding van de op dat moment openstaande crediteuren. Alle crediteuren werden voldaan. Echter één crediteur welke na de turbo liquidatie opkwam was niet voldaan. Deze crediteur heeft zich uiteindelijk bij de gerechtelijke instanties beklaagd en verzocht om heropening van de vereffening. Inhoudelijk werd opnieuw de gang van zaken binnen de onderneming getoetst en kwam het Hof, zo ook de rechtbank eerder tot haar oordeel was gekomen, dat de turbo liquidatie in dit geval oneigenlijk was gebruikt om een ‘schone’ onderneming over te houden. Voor de vennootschap en de bestuurder was voorafgaande aan de turbo liquidatie te voorzien dat de crediteur die uiteindelijk niet werd betaald, een vordering zou hebben op de vennootschap. Omdat deze vordering was te voorzien en niet volledig betaald zou worden mochten zij niet komen tot de beslissing over te gaan op de turbo liquidatie zonder rekening te houden met deze crediteur. De vennootschap en de bestuurders hebben hiermee ten aanzien van deze crediteur onrechtmatig gehandeld.

Aan de andere kant is er ook recente rechtspraak van de rechtbank Den Haag van 11 maart 2015 waarin wordt aangegeven dat de turbo liquidatie juist wel de geëigende weg is om een vennootschap te ontbinden. In dit geval werd het faillissement van de vennootschap aangevraagd en uitgesproken en werd een curator benoemd. De bestuurder had voor eigen aangifte van het faillissement gekozen omdat de turbo liquidatie volgens hem een onfatsoenlijke methode van liquidatie was. Op de rekening van de vennootschap stond een zeer minimaal positief saldo. Binnen de vennootschap vonden geen activiteiten meer plaats, maar er waren nog wel een aantal schuldeisers. De curator vond echter dat met het aanvragen van het eigen faillissement er misbruik van recht werd gemaakt. Op voorhand zou namelijk al vaststaan dat de curator de nodige werkzaamheden zou moeten verrichten zonder dat daarvoor een vergoeding zou worden ontvangen en dat de bestuurders geen poging hebben gedaan om de vennootschap zelf te liquideren. En dus had de vennootschap moeten kiezen voor de turbo liquidatie nu deze mogelijkheid openstond.

De rechtbank oordeelde, dat gelet op de omstandigheden, dat de vennootschap niet had kunnen komen tot de keuze van het doen van eigen aangifte van het faillissement maar in plaats daarvan gebruik had moeten maken van de wettelijke mogelijkheid van de turbo liquidatie.

Bij ontbinding van de vennootschap is het dus raadzaam om de mogelijkheden van de turbo liquidatie grondig te onderzoeken. De advocaten van ons kantoor kunnen u daarin bijstaan en adviseren.

Mr. Yvette Heruer - sectie ondernemings- en insolventierecht - september 2015


Nationale Hypotheekgarantie

27-09-2015

Cliënt werkte in loondienst bij een kleine onderneming waarvan de werkgever helaas ziek werd. Cliënt heeft in overleg met de werkgever er voor gekozen om de onderneming op naam van cliënt voort te zetten. Indien cliënt en de werkgever dit niet zouden hebben besloten, zou cliënt zijn baan zijn verloren en had hij een beroep moeten doen op een uitkering. Dit was nu juist wat cliënt niet wilde, want cliënt wilde werken voor zijn geld. Helaas zat het economisch tij erg tegen en gingen de zaken ronduit slecht. Met als gevolg voor cliënt dat hij onder andere zijn hypotheekrente niet meer kon betalen. In overleg met de hypotheekhoudster heeft cliënt alle medewerking verleend bij de gedwongen onderhandse verkoop van de woning door de hypotheekhoudster.

Gelukkig voor cliënt had hij bij het aangaan van zijn hypotheek een NHG afgesloten. Normaliter betekent dit dat- mits je aan de voorwaarden voldoet - de restschuld uit de woning door de hypotheekhoudster niet verhaalbaar is op cliënt. Bij cliënt liep het echter spaak op de voorwaarde dat door cliënt niet zou zijn voldaan aan het criterium van te goeder trouwheid. Door cliënt zouden geen documenten zijn aangeleverd waaruit blijkt dat relatie beëindiging, arbeidsongeschiktheid en of niet verwijtbare werkloosheid de oorzaak is van het niet kunnen betalen van de hypotheeklening.

Omdat bij cliënt pur sang geen sprake was van bovenvermelde oorzaken werd het verzoek door de NHG afgewezen. De oorzaak bij cliënt was nu juist gelegen in het feit dat cliënt met alle macht heeft geprobeerd zijn inkomsten en baan te behouden na ziekte van zijn werkgever en daarom noodgedwongen ondernemer was geworden. Hij was dus niet werkloos geworden. Het betoog van cliënt was dan ook dat hij wel degelijk te goeder trouw heeft gehandeld, alle informatie aan de NHG heeft aangeleverd en aan de voorwaarden heeft voldaan.

Gelukkig voor cliënt werd zijn standpunt bij de bezwaarprocedure uiteindelijk gevolgd nadat eerder door cliënt een afwijzing werd ontvangen op zijn beroep op de NHG. Voor cliënt betekende dit dat de restschuld uit zijn woning niet aan de hypotheekhoudster betaald hoefde te worden en er geen schuldsaneringstraject gestart behoefde te worden. De kosten van de bezwaarprocedure werden vanwege de complexheid van de situatie van cliënt en zijn lage inkomen vergoed via de Raad voor de Rechtsbijstand.

Mocht u ook geconfronteerd worden met een afwijzingsbesluit van de NHG dan heeft u wellicht in bezwaar nog een kans. U kunt voor informatie contact opnemen met ons kantoor. Wij kunnen u hierin bijstaan.

Mr. Yvette Heruer - sectie ondernemings- en insolventierecht - september 2015


Okkerse & Schop Advocaten stelt zich achter het protest tegen sluiting van de rechtbank Lelystad

20-09-2015

Okkerse & Schop Advocaten stelt zich vierkant achter het protest tegen sluiting van de rechtbank Lelystad. Sterker nog, vanuit zijn kantoor heeft Cees Okkerse mede het initiatief genomen van de protestacties.


Voor de argumentatie tegen het voornemen tot sluiting van de rechtbank Lelystad wordt verwezen naar de brief die het actiecomité en de Deken van de Orde van Advocaten Midden-Nederland op 17 september 2015 hebben verstuurd naar de voorzitter van de Raad voor de Rechtspraak. Klik hier voor deze brief.


Laatste nieuws op het gebied van kinderalimentatie: advies A-G aan Hoge Raad

20-09-2015

Per 1 januari 2015 werd de ‘alleenstaande-ouderkorting’ afgeschaft. Dit betrof een fiscaal voordeel voor alleenstaande ouders. Bij de berekening van kinderalimentatie werd dit fiscale voordeel tot 1 januari 2015 aangemerkt als “inkomen”. Met de afschaffing van de alleenstaande ouderkorting, werd tegelijkertijd het kindgebonden budget van alleenstaande ouders verhoogd met de alleenstaande-ouderkop van maximaal € 254,-- per maand. Met deze wijziging werd verschillend omgegaan bij de berekening van kinderalimentatie. Daarover schreven wij al eerder (klik hier voor het artikel). Dat artikel eindigde met de opmerking dat het gelet op de uiteenlopende opvattingen goed zou zijn als de Hoge raad (het hoogst rechtsprekende college van Nederland) zich zou uitlaten over de wijze van berekenen van de kinderalimentatie en de alleenstaande ouderkop. Dat is nog niet gebeurd, wel heeft de advocaat-generaal (A-G) Fred Hammerstein een advies aan de Hoge Raad gegeven over dit onderwerp.

Het gerechtshof Den Haag heeft over dit onderwerp zogenaamde prejudiciële vragen gesteld aan de Hoge Raad. Dat zijn rechtsvragen (van een rechter aan de Hoge Raad) over de uitleg van een rechtsregel. Daaraan kan behoefte bestaan als de Hoge Raad over die vraag niet eerder heeft beslist. De A-G bestudeert vervolgens alle stukken en adviseert de Hoge Raad hoe de vragen beantwoord moeten worden, dit advies staat in een conclusie.

De A-G concludeert dat niet het gehele kindgebonden budget, waaronder dus ook de alleenstaande ouderkop, van de kosten van de kinderen (‘de behoefte’) moet worden afgetrokken. Dit in tegenstelling tot de laatste adviezen van de expertgroep alimentatienormen en de huidige lijn in de rechtspraak. De A-G overweegt dat het kindgebonden budget en de alleenstaande ouderkop in de eerste plaats inkomensondersteunende maatregelen zijn, met name voor de huishoudens met lagere inkomens. Volgens hem is het zeker niet primair de bedoeling geweest dat deze maatregelen gebruikt worden om de kosten van verzorging en opvoeding per individueel kind te ondersteunen, de bijdragen komen toe aan de ouder en het (gehele?) kindgebonden budget moet bij het inkomen van de ouder die het kindgebonden budget ontvangt worden opgeteld en verhoogt daarmee dus diens draagkracht. Zijn advies sluit aan bij het wettelijke uitgangspunt dat beide ouders verantwoordelijk zijn voor het levensonderhoud van hun kinderen en levert deze manier van berekening in de meeste gevallen een redelijke uitkomst op.

Deze conclusie is een advies en de Hoge Raad hoeft dit niet op te volgen bij het geven van antwoord op de prejudiciële vragen. Zolang de Hoge Raad zich nog niet heeft uitgelaten zal de richtlijn nog worden gevolgd waarbij het gehele kindgebonden budget, dus inclusief alleenstaande ouderkop, van de behoefte wordt afgehaald, maar de kinderalimentatie zou in de toekomst dus zomaar heel anders kunnen worden berekend.

Mocht u advies willen over kinderalimentatie dan kunt u contact opnemen met Marleen Falkena (voor cliënten in Lelystad) of Sylvia Raphael (voor cliënten in Almere).


Hoge Raad: Staat aansprakelijk voor misgelopen vakantiedagen

20-09-2015

Eerder berichtten wij u al over de wijzigingen in de vakantiewetgeving en de procedures die door twee werknemers waren aangespannen tegen de Staat vanwege misgelopen vakantiedagen.

De Nederlandse wet bepaalde voor 1 januari 2012 dat zieke werknemers slechts aanspraak konden maken op vakantie over het tijdvak van de laatste zes maanden van de ziekte, en dus niet over de gehele ziekteperiode. Dat bleek in strijd met de Europese vakantiewetgeving. Om die reden is de Nederlandse wet aangepast en bouwen zieke werknemers nu volledig vakantiedagen op.

De Nederlandse wetgeving had echter eerder gewijzigd kunnen worden en ook is de wet niet met terugwerkende kracht aangepast. Al in 2001 heeft het Europese Hof van Justitie uitgemaakt dat iedere werknemer aanspraak heeft op opbouw van vier weken vakantie per jaar. Dat arrest ging echter niet specifiek over de vakantierechten van zieke werknemers, en de Staat heeft uit dat arrest dan ook niet de conclusie getrokken dat de Nederlandse vakantiewetgeving aangepast diende te worden. Ook een Europese richtlijn van augustus 2004 leidde niet tot een wetsaanpassing. In 2009 heeft het Europese Hof van Justitie uitgemaakt dat werknemers, ongeacht hun gezondheidstoestand, recht hebben op ten minste vier weken vakantie per jaar. Als gevolg van die uitspraak is de Nederlandse wet aangepast.

De Rechtbank en ook in hoger beroep het Gerechtshof ’s-Gravenhage hadden al geoordeeld dat de Nederlandse Staat aansprakelijk is voor de schade die werknemers door de late aanpassing van de Nederlandse wetgeving hebben geleden. Nu heeft ook het hoogste rechtscollege in Nederland, de Hoge Raad, dienovereenkomstig geoordeeld. Omdat de wet eerder had moeten zijn aangepast, is de Staat gehouden de misgelopen vakantiedagen te vergoeden.

Daarmee staat definitief vast dat werknemers die op grond van de oude wetgeving te weinig vakantiedagen hebben opgebouwd tijdens ziekte, goede kans maken op een succesvolle procedure tegen de Staat. Wij adviseren werkgevers en werknemers om zich tot ons kantoor te wenden om te bezien of het indienen van een schadeclaim tegen de Staat tot de mogelijkheden behoort.

mr. Miriam Ruijters – lid sectie arbeidsrecht– september 2015


Wordt de VAR nu echt afgeschaft?

16-09-2015

Al vanaf 2014 wordt geprobeerd om de Verklaring Arbeidsrelatie af te schaffen. Een in 2014 ingediend wetsvoorstel tot vervanging van de VAR door de Beschikking Geen Loonheffing (BGL) redde het niet. Inmiddels is er een nieuw wetsvoorstel in behandeling waarbij de VAR verdwijnt. Dit wetsvoorstel is onlangs door de Tweede Kamer aangenomen en ligt nu ter beoordeling voor aan de Eerste Kamer. Indien het nieuwe wetsvoorstel wordt bekrachtigd, is de VAR niet meer en zal de Belastingdienst op basis van de overeenkomst tussen de opdrachtgever en de opdrachtnemer beoordelen of de opdrachtgever is gehouden om loonheffing af te dragen.

De Belastingdienst zal voorbeeldovereenkomsten ter beschikking stellen op grond waarvan in beginsel geen loonheffing behoeft te worden afgedragen. De opdrachtgever en opdrachtnemer kunnen er ook voor kiezen een eigen overeenkomst op te stellen en deze voorafgaand ter beoordeling aan de Belastingdienst voor te leggen. In beide gevallen geldt natuurlijk wel dat er daadwerkelijk moet worden gewerkt zoals in de (voorbeeld)overeenkomst is omschreven, wil de opdrachtgever inderdaad geen loonheffing verschuldigd zijn. Hoewel de Belastingdienst nu nog geen voorbeeldovereenkomsten beschikbaar heeft gesteld, kunnen er al wel overeenkomsten aan de Belastingdienst worden voorgelegd. Maak daarvan gebruik!

Indien u naar aanleiding van dit artikel vragen heeft, kunt u contact opnemen met ons kantoor. Wij beantwoorden uw vragen graag.

Mr. Elsa Bruggink – sectie arbeidsrecht – september 2015


Werkgevers motiveer uw concurrentiebeding II

30-08-2015

Zoals wij u in februari van dit jaar al lieten weten, is het vanaf januari 2015 vereist om een gewenst concurrentiebeding in een contract voor bepaalde tijd goed te motiveren. Een concurrentiebeding mag in een contract voor bepaalde tijd namelijk alleen nog maar overeengekomen worden indien het noodzakelijk is vanwege zwaarwichtige bedrijfs- of dienstbelangen.

Onlangs heeft de Kantonrechter te Amsterdam geoordeeld dat een dergelijk concurrentiebeding zeer concreet moet worden geformuleerd, wil dit geldig zijn. Gesproken kan worden van een zware toets. Gemotiveerd moet worden waarom sprake is van zodanig specifieke werkzaamheden of een zodanig specifieke functie dat een concurrentiebeding nodig is. Per geval zal daarvoor een uitgebreide motivering moeten worden opgenomen.

Wij adviseren u om een dergelijk beding slechts voor die werknemers op te nemen waarbij u oprechte vrees hebt voor concurrentie. Hoe kleiner de groep werknemer met een gelijksoortig beding, hoe groter de kans dat de rechter de vrees voor concurrentie serieus zal nemen. Laat u al uw werknemers een tekstueel gelijk beding tekenen, dan kan op voorhand al worden gezegd dat de rechter het beding niet in stand zal laten. Het is dan immers niet specifiek genoeg. U dient de zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen ook concreet te omschrijven, het gebruik van algemene begrippen is daarvoor niet voldoende, zo heeft de Kantonrechter te Amsterdam geoordeeld. Denk daarbij met name aan de vraag welke specifieke kennis de werknemer vanuit zijn functie zou kunnen op doen.

De kantonrechter heeft ten slotte expliciet gewezen op de mogelijkheid van een geheimhoudings- of studiekostenbeding. Uit de uitspraak kan worden afgeleid dat indien een geheimhoudings- of studiekostenbeding de belangen van de werkgever voldoende beschermd, een concurrentiebeding niet meer nodig zal worden geacht.

Wij raden u af om het concurrentiebeding ook in contracten voor onbepaalde tijd te motiveren. Dat is niet wettelijk vereist en kan slechts tot onnodige discussies leiden. Mocht een contract voor bepaalde tijd worden omgezet in een vast contract, dan is het om diezelfde reden verstandig een nieuw contract te sluiten. Wordt het contract immers voortgezet onder dezelfde voorwaarden zonder nieuwe arbeidsovereenkomst, dan zal de eerder opgenomen motivering toch worden meegewogen in de belangenafweging.

Mocht u hierover meer informatie wensen dan wel hulp behoeven bij het opstellen van een concurrentiebeding, dan kunt u uiteraard te allen tijde contact opnemen met de arbeidsrechtsectie van ons kantoor.

Mr. Miriam Ruijters – sectie arbeidsrecht – augustus 2015


Dag van de Scheiding - Okkerse & Schop Advocaten

26-08-2015


Werken met de Wet Werk en Zekerheid: nieuwe messen snijden scherp!

23-08-2015

In juni 2015 werd een nieuw record behaald. Het aantal bij de rechtbank ingediende ontslagzaken was in deze maand maar liefst twee keer zo groot als te doen gebruikelijk. Reden daarvan was waarschijnlijk dat werkgevers hun ontslagzaken graag nog onder het oude bekende ontslagrecht beoordeeld wensten te zien. Door de invoering van de Wet Werk en Zekerheid (hierna: WWZ) per 1 juli 2015 is dit immers in de regel niet meer mogelijk. Rechters dienen bij ontslagzaken die vanaf die datum zijn binnengekomen de regels uit de WWZ toe te passen. Omdat ook in de rechtspraak het nieuwe wettelijk kader handen en voeten wordt gegeven, zal ik een uitspraak waarbij de in de WWZ te nemen stappen wel heel netjes zijn afgevinkt, bespreken.

De feiten
De uitspraak die het betreft, is gewezen door de kantonrechter te Leeuwarden*. Het betrof een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst van een werknemer die vanaf 1980 in dienst was bij een onderwijsinstelling. Vanaf 2007/2008 hebben er verschillende coachingstrajecten, verbetertrajecten en evaluaties plaatsgevonden, zowel gericht op het functioneren van de teamleden als op het functioneren van de werknemer. De werknemer is geplaatst op een andere school, maar de zorgen over het functioneren zijn gebleven. De werknemer is tweemaal geschorst. De werkgever heeft de werknemer de functie van leerkracht aangeboden, maar deze heeft de werknemer als niet passend geweigerd. De werkgever vraagt nu ontbinding zonder toekenning van een vergoeding. Wel is aan de werknemer een bedrag van € 5.000,- voor outplacement aangeboden. De werknemer heeft bij tegenverzoek gevorderd aan hem een transitievergoeding toe te kennen, alsmede een billijke vergoeding, nu volgens de werknemer sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever.

Toetsingskader
Om de arbeidsovereenkomst te kunnen ontbinden moet er onder de WWZ sprake zijn van een redelijke grond voor ontslag en moet herplaatsing van de werknemer in een andere passende functie, al dan niet met behulp van scholing, binnen een redelijke termijn niet in de rede liggen. Ook moet de kantonrechter toetsen of er geen opzegverbod geldt. Als de arbeidsovereenkomst kan worden ontbonden, dient de kantonrechter nog te beslissen op welke moment de arbeidsovereenkomst eindigt en of er sprake is van toekenning van een vergoeding.

Redelijke grond voor ontslag
De werkgever heeft aangevoerd dat er sprake is van één van de in de wet genoemde redelijke gronden, ook wel bekend als de “d-grond”. Van de “d-grond” is sprake bij ongeschiktheid van de werknemer tot het verrichten van de bedongen arbeid, anders dan ten gevolge van ziekte of gebreken van de werknemer, mits de werkgever de werknemer hiervan tijdig in kennis heeft gesteld en hem in voldoende mate in de gelegenheid heeft gesteld zijn functioneren te verbeteren en de ongeschiktheid niet het gevolg is van onvoldoende zorg van de werkgever voor scholing van de werknemer of voor de arbeidsomstandigheden van de werknemer. De kantonrechter komt na een weging van de feiten tot de conclusie dat aan de “d-grond” is voldaan. Van een redelijke grond is aldus sprake.

Herplaatsing binnen een redelijke termijn
De kantonrechter geeft aan voorts te moeten toetsen of herplaatsing van de werknemer in een andere passende functie binnen een redelijke termijn niet in de rede ligt. De kantonrechter meent dat dit niet het geval is. Er was weliswaar sprake van een passende functie, echter deze heeft de werknemer zelf geweigerd, waardoor herplaatsing binnen een redelijke termijn niet in de rede ligt.

Opzegverbod
De kantonrechter overweegt dat niet is gesteld of anderszins is komen vast te staan dat sprake is van een opzegverbod. Aldus is volgens de kantonrechter voldaan aan de voorwaarden voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst.

Tijdstip waarop de arbeidsovereenkomst eindigt
Hoewel de kantonrechter onder het oude recht de arbeidsovereenkomst vrijwel direct ontbond, geldt dat de kantonrechter onder de WWZ in de regel het einde van de arbeidsovereenkomst zal bepalen op het tijdstip waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd. De werkgever heeft in dit geval aan de kantonrechter verzocht om deze termijn nog te verkorten omdat naar de mening van de werkgever er sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer. De kantonrechter oordeelt op dit punt dat de verzochte ontbinding het rechtstreekse gevolg moet zijn van het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer. Daarvan is in dit geval naar het oordeel van de kantonrechter echter geen sprake, zodat de termijn voor het beëindigen van de arbeidsovereenkomst wordt bepaald aan de hand van de gebruikelijke opzegtermijn. De kantonrechter merkt terecht op dat de duur van de procedure hierop nog in mindering mag worden gebracht. In dit geval leidt dat echter niet tot een andere einddatum.

Vergoeding
Ten slotte heeft de kantonrechter zich nog uitgelaten over de door de werknemer gevorderde transitievergoeding en de door de werknemer gevorderde billijke vergoeding. Uit de WWZ volgt dat de werkgever aan de werknemer een transitievergoeding verschuldigd is, indien –kort gezegd– de arbeidsovereenkomst ten minste 24 maanden heeft geduurd en de arbeidsovereenkomst op verzoek van de werkgever is ontbonden. In dit geval geldt dat de werknemer echter aanspraak kan maken op een bovenwettelijke uitkering waardoor er op basis van het overgangsrecht voor deze werknemer niet ook nog recht bestaat op een transitievergoeding. Ook op een billijke vergoeding heeft de werknemer in dezen geen recht. Om in aanmerking te komen voor een billijke vergoeding moet er namelijk sprake zijn van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Daarvan is volgens de kantonrechter niet snel sprake, laat staan in dit geval. Aan de werknemer komt aldus geen vergoeding toe.

Conclusie
Na het aflopen van alle wettelijke vereisten komt de kantonrechter op goed gemotiveerde wijze tot de conclusie dat de arbeidsovereenkomst met inachtneming van een termijn gelijk aan de opzegtermijn kan worden ontbonden en dat aan de werknemer geen vergoeding behoeft te worden toegekend. Of ook in andere uitspraken alle vereisten netjes zullen worden afgevinkt, valt nog te bezien. Hopelijk doet een goed voorbeeld goed volgen.

Indien u naar aanleiding van dit artikel vragen heeft over de WWZ kunt u contact opnemen met ons kantoor. Wij beantwoorden uw vragen graag.

mr. Elsa Bruggink –sectie arbeidsrecht– augustus 2015

 *Kantonrechter Rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, 22 juli 2015, ECLI:NL:RBNNE:2015:3611


Vrijdag 11 september: dag van de scheiding

16-08-2015

Het verbreken van een relatie heeft verstrekkende gevolgen. Niet alleen emotioneel maar ook financieel, fiscaal en praktisch. Het is belangrijk om in een roerige tijd van een echtscheiding te worden bijgestaan door iemand die persoonlijk betrokken, doelgericht en vakbekwaam is. Dan bent u bij ons kantoor aan het juiste adres. Er is veel specifieke kennis binnen het kantoor die ziet op de zelfstandig ondernemer, kennis die door de echtscheidingsadvocaten ingezet kan worden. Daarnaast hebben onze echtscheidingsadvocaten een groot netwerk, in en rondom Flevoland, van accountants, fiscalisten en notarissen aan wie advies gevraagd kan worden of aan wie u doorverwezen kunt worden.

Op vrijdag 11 september bent u van 9:00 tot 18:00 welkom om gratis informatie in te winnen over zaken die met echtscheiding of met het verbreken van een relatie te maken hebben. Daarbij kunt u denken aan de verdeling van de gemeenschap van goederen, verrekening van huwelijkse voorwaarden, het opstellen van een ouderschapsplan (inclusief de zorgverdeling en de kinderalimentatie), partneralimentatie, pensioen, de woning, een eigen onderneming etc.

Op ons kantoor te Almere kunt u terecht bij mr. Sylvia Raphaël en in Lelystad bij mr. Marleen Falkena. Wij verzoeken u om u van tevoren aan te melden en uw voorkeur voor een tijd aan te geven. Afspraken worden elk heel uur ingepland. Voor Almere kunt u een mail sturen aan a.brouwer@okkerse-schop.nl, voor Lelystad aan n.brenker@okkerse-schop.nl. Een afspraak duurt maximaal 45 minuten. Indien gewenst kunnen we uiteraard een vervolgafspraak maken om u verder goed te kunnen adviseren.

Voor meer informatie over de dag van de scheiding verwijzen wij u naar www.dagvandescheiding.nl.


De WWZ: nog 1 week te gaan!

24-06-2015

Over 1 week is het zover, de systematiek van het ontslagrecht zal na 1 juli a.s. (zeer) grote wijzigingen ondergaan als gevolg van de Wet Werk en Zekerheid (WWZ). Spannende tijden voor onze arbeidsrecht sectie, maar waarschijnlijk ook voor u als ondernemer. Schroom niet om contact met ons op te nemen als u voorafgaand aan die wetswijziging nog vragen heeft, met name als u onder de oude systematiek nog afscheid wil trachten te nemen van een of meerdere werknemers. Dat kan tot 1 juli namelijk nog, daarna treedt het nieuwe ontslagrecht definitief in werking. Wij zijn er klaar voor!

Mr. Miriam Ruijters

– sectie arbeidsrecht – juni 2015


De laatste stand van zaken op het gebied van kinderalimentatie

27-05-2015

In ons website-artikel van 7 januari 2015 hadden wij uiteen gezet op welke wijze de kinderalimentatie sinds 1 april 2013 wordt berekend en wat de fiscale wijzigingen (Wet Hervorming Kindregelingen: WHK) per 1 januari 2015 voor gevolgen met zich mee brengen. Deze fiscale wijzigingen worden sindsdien echter door de rechtbanken en gerechtshoven niet op dezelfde wijze toegepast. Hieronder kunt u lezen op welke wijze er geoordeeld is en wat de laatste stand van zaken is.

Eerst zullen wij nog kort herhalen op welke wijze kinderalimentatie wordt berekend. De behoefte/ kosten van de kinderen wordt vastgesteld aan de hand van het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van het huwelijk/ de relatie. Hiervan wordt het kindgebonden budget afgetrokken en in het bedrag dat resteert (als er überhaupt een bedrag overblijft) dienen ouders, na aftrek van een bepaald percentage in verband met zorgkorting, naar rato van draagkracht bij te dragen. Sinds 1 januari 2015 is het kind gebonden budget verhoogd met de zogenaamde alleenstaande ouderkop en door deze verhoging resteert dus een na aftrek van het kindgebonden budget inclusief de alleenstaande ouderkop in veel gevallen een lager bedrag waarin de ouders naar rato van draagkracht dienen bij te dragen. Hier wordt door rechtbanken en gerechtshoven verschillend mee om gegaan. Daarbij dient nog te worden opgemerkt dat de expertgroep alimentatienormen, die bestaat uit familierechters en verantwoordelijk is voor het tremarapport, heeft geadviseerd dat het gehele kindgebonden budget, dus inclusief de alleenstaande ouderkop, van de kosten van de kinderen moet worden afgetrokken. Het tremarapport is echter geen wet, wat tot gevolg heeft dat rechters zich hier niet aan hoeven te houden.

Reeds 2 dagen na ons bovengenoemde artikel week de rechtbank Den Haag voor het eerst af van het tremarapport. Hierover schreven wij eerder ook in ons artikel van 15 februari 2015

In februari week de rechtbank Den Haag opnieuw af van het tremarapport. De rechtbank leidt uit de wetsgeschiedenis van de WHK af dat het in de bedoeling van de wetgever ligt dat de alleenstaande-ouderkop ten goede komt aan de alleenstaande primair verzorgende ouder. De aanbeveling van de expertgroep heeft in het onderhavige geval echter tot gevolg dat de vrouw als alimentatiegerechtigde ouder er minder dan de wetgever bedoeld heeft op vooruit gaat, omdat zij minder kinderalimentatie ontvangt. De man zou daarentegen minder hoeven te betalen, terwijl hij wel over draagkracht beschikt om meer bij te dragen aan de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen. Voor de gehele uitspraak klikt u hier (https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBDHA:2015:1456)

Het gerechtshof Amsterdam oordeelt in haar beschikking van 10 februari van dit jaar juist dat de aanbevelingen uit het tremarapport wel moesten worden gevolgd. Deze uitspraak is echter niet gepubliceerd.

In de beschikking van 4 maart 2015 volgt de rechtbank Haarlem de trend die door de rechtbank Den Haag is ingezet. Zij oordeelt ook dat het de bedoeling van de wetgever van de WHK was om een armoedeval tegen te gaan bij alleenstaande ouders die vanuit de bijstand weer gaan werken. Daaruit leidde de rechtbank Haarlem af dat het de bedoeling van de wetgever was om de alleenstaande ouderkop ten goede te laten komen aan de alleenstaande verzorgende ouder. De uitspraak kunt u hier (https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBNHO:2015:1704) lezen.

Een dag later beslist het gerechtshof Den Bosch juist weer dat het tremarapport wel moet worden gevolgd en overwoog daarbij dat het kindgebonden budget en daarmee ook de alleenstaande ouderkop, componenten zijn die het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen beïnvloeden. Nu in de behoefte van de minderjarige geheel wordt voorzien door het kindgebonden budget, dient de ten behoeve van de minderjarige vast te stellen bijdrage op nihil te worden gesteld, zo werd geoordeeld. Dat in de behoefte wordt voorzien uit de algemene middelen en niet door de man als onderhoudsplichtige doet aan het voorgaande niet af. Immers, de wetgever heeft bij invoering van de WHK onderkend dat het kindgebonden budget mogelijk behoefte dekkend zou zijn en aldus de juridische grondslag voor de verplichting tot het betalen van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding zou kunnen doen ontvallen. Daarin is geen aanleiding gezien deze gevolgen door middel van een wijziging bij te stellen. De gehele uitspraak kunt u hier (https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:GHSHE:2015:728%20) lezen.

Bij beschikking van 10 maart volgt ook de rechtbank Zeeland West Brabant het tremarapport. De rechtbank neemt in haar overweging mee dat er op dat moment bedenkingen zijn over het al dan niet meenemen van de alleenstaande ouderkop, echter de rechtbank oordeelt dat de rechtseenheid dient te prevaleren en volgt daarom de aanbevelingen uit het tremarapport. Deze uitspraak is niet gepubliceerd.

Inmiddels heeft ook het gerechtshof van Den Haag zich uitgelaten en zij volgt ook het tremarapport. De uitspraak vindt u hier: . Daarmee staat gelukkig vast dat alle gerechtshoven het tremarapport volgen. ´Gelukkig´ omdat het meer rechtszekerheid met zich mee brengt als de gerechten op een lijn zitten. Wanneer er nu in onze praktijk zaken spelen met betrekking tot kinderalimentatie verwijst de advocaat van de alimentatiegerechtigde vaak naar de uitspraken van de rechtbank Den Haag en Noord Holland en verwijst de advocaat van de alimentatieplichtige veelal naar het tremarapport en naar de uitspraken van de andere gerechten sinds 1 januari jl. Het is moeilijker geworden om in onderling overleg tot overeenstemming te komen. De rechtbank Midden Nederland, waar de meeste procedures van onze sectie personen- en familierecht zich afspelen heeft ook het standpunt ingenomen dat het tremarapport moet worden gevolgd.

Het voert wat te ver om hier alle uitspraken over dit onderwerp op te sommen. Op de website split-online staat een overzicht met alle uitspraken over dit onderwerp: https://www.split-online.nl/kennisbank/tag/404?sort=date.

Op 17 april jl. kwam de expertgroep opnieuw bijeen naar aanleiding van de diverse uitspraken waarin van de aanbeveling in het tremarapport werd afgeweken. De expertgroep bevestigde opnieuw dat ook de alleenstaande ouderkop volledig in mindering op de kosten van de kinderen moet worden gebracht. Verder acht zij het vanwege de diverse andersluidende opvattingen goed dat de Hoge Raad (het hoogst rechtsprekende college in Nederland) zich hierover zal uitspreken en dat tot die tijd het tremarapport zal worden gevolgd.

Mocht u meer informatie willen over kinderalimentatie dan kunt u daarvoor contact opnemen met Sylvia Raphael (Almere) of Marleen Falkena (Lelystad).

mr. Marleen Falkena, sectie personen-en familierecht, mei 2015


Twitter bericht van 20 mei 2015

25-05-2015



HUB-bijeenkomst 28 mei 2015

23-05-2015

Onze HUB: leren van elkaar. Klik hier voor meer informatie.
Op de bijeenkomsten van de HUB ¨goed bestuur in het MKB¨ ontmoeten MKB ondernemers en Ondernemende Commissarissen elkaar. Met als gemeenschappelijk doel hierbij om goed bestuur inspirerend en lonend te maken en vooral  praktisch in te vullen.

Zes keer per jaar worden binnen de HUB inspirerende bijeenkomsten voor en door ondernemers georganiseerd.

Een 'mooie' definitie van het menselijk kapitaal in ons bedrijf: de voorraad van competenties, kennis, sociale en persoonlijke vaardigheden, waaronder ook creativiteit, die wordt belichaamd in de mogelijkheid voor de mens om in een economie arbeid te verrichten, opdat er economische waarde kan worden geproduceerd. 'Mooi' omdat het een mooie volzin is, maar wat betekent het nu in de praktijk? Hoe ontwikkel je je mensen, hoe laat je ze groeien? Hoe ga je om met generatie Z? En wat doen we met de oudere medewerker?
Inloop vanaf 15.00 uur, we starten 15.30 uur en eindigen 19.30 uur. Voor een maaltijd wordt gezorgd.
 
Programma
Arnoud Martens, Ondernemende Commissaris, neemt ons mee in zijn visie op groei en ontwikkeling van zijn mensen bij eFocus. Uiteraard krijgen we een rondleiding in het bedrijf.
Gekoppeld aan dit thema: op 1 juli 2015 wordt de nieuwe Wet Werk en Zekerheid van kracht. Wat zijn de gevolgen voor je organisatie? Phuong Nguyen van Okkerse & Schop Advocaten geeft ons een doorkijkje.

Klik hier voor meer informatie.


Telefoonabonnementen onder dwang afgesloten, en nu?

03-05-2015

Bij het afsluiten van een telefoonabonnement wordt aan de contractant in veel gevallen direct een telefoon ter beschikking gesteld. Het gemak waarmee een abonnement kan worden afgesloten en de telefoon wordt verkregen brengt het risico van misbruik met zich mee. Het gebeurt dan ook regelmatig dat er personen worden gedwongen om meerdere telefoonabonnementen op hun eigen naam af te sluiten. De telefoons worden vervolgens afgestaan aan de personen die de dwang uitoefenen en de contractanten zijn gebonden aan de verschillende afgesloten contracten met de daarbij behorende financiële verplichtingen. Wat zijn de (juridische) mogelijkheden voor de slachtoffers in een dergelijke situatie?

Vernietiging telefoonabonnementen
Het is raadzaam om direct aangifte te doen bij de politie en om de betreffende telefoonnummers te laten blokkeren door de providers. In beginsel is de contractant gebonden om de afgesloten contracten na te komen. Vernietiging van de contracten is echter mogelijk indien er sprake is geweest van een wilsgebrek en dit wilsgebrek kenbaar was of had moeten zijn bij (de medewerker van) de provider. Of hiervan sprake is, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Indien er voor (de medewerker van) de provider voldoende aanleiding is om te vermoeden dat er sprake is van een wilsgebrek, dan bestaat er een onderzoeksplicht en dient er geverifieerd te worden of de klant de abonnementen werkelijk wil sluiten en voor wie de abonnementen c.q. gsm’s bestemd zijn*. Voorts dient in een dergelijk geval te worden onderzocht of de klant zich de abonnementen wel kan veroorloven.

Was er geen reden voor de provider om te vermoeden dat er bij het sluiten van de overeenkomst sprake was van een wilsgebrek, dan kan de provider in beginsel aanspraak blijven maken op nakoming van de overeenkomst. Aanspraak op de volledige verschuldigde termijnbedragen van de contractduur kan echter onredelijk wordt geacht indien er feitelijk geen gebruik wordt gemaakt van het abonnement.

Schade verhalen
De dader kan worden aangesproken voor de financiële schade als gevolg van zijn handelen. Dit kan op twee manieren. Indien er een strafrechtelijke vervolging plaatsvindt kunnen slachtoffers zich met een vordering tot schadevergoeding voegen in de strafrechtelijke procedure. De strafrechter zal zich over de vordering buigen indien de beoordeling van de vordering geen onevenredige belasting van de strafrechtelijke procedure oplevert. Het is ook mogelijk om een vordering in te stellen bij de civiele rechter. Het voordeel van het voegen in de strafrechtelijke procedure is dat er geen griffierecht betaald hoeft te worden om de vordering te laten beoordelen door de rechtbank. Daarnaast draagt de overheid zorg voor incassering van de vordering indien de vordering wordt toegewezen. Het civielrechtelijke traject heeft als voordeel dat je meer invloed hebt op het procesverloop en het moment waarop de vordering wordt behandeld.

Conclusie
Voor personen die telefoonabonnementen onder dwang hebben afgesloten is het van belang om niet stil te blijven zitten nadat de contracten zijn afgesloten. Door aangifte te doen, telefoonnummers te blokkeren, contracten te vernietigen en de daders aan te spreken met een vordering tot schadevergoeding kan de financiële schade worden voorkomen of beperkt.

Mocht u naar aanleiding van dit artikel vragen hebben, dan kunt u contact opnemen met ons kantoor. Wij beantwoorden uw vragen graag.

Mr. Sanne Kleerebezem - sectie ondernemingsrecht - mei 2015

* ECLI:NL:RBARN:2010:BM9787, Rechtbank Arnhem (kantonrechter) 21-06-2010


De Hoge Raad heeft beslist: de huur van roerende zaken valt ook onder artikel 39 Faillissementswet

22-04-2015

Beantwoording prejudiciële vraag

In september 2014 schreef ik reeds over de vraag of de huurschuld ten aanzien van roerende zaken op grond van artikel 39 Faillissementswet vanaf het moment van faillietverklaring als boedelvordering kan worden beschouwd, zoals dat voor onroerende zaken geldt. Hieromtrent bestond nog geen zekerheid. Een kantonrechter te Leeuwarden kreeg deze vraag voorgeschoteld en wenste hieromtrent duidelijkheid te verschaffen, zodat hij deze als prejudiciële vraag heeft voorgelegd bij de Hoge Raad.

Begin dit jaar (op 9 januari 2015) heeft de Hoge Raad de vraag bevestigend beantwoord. Artikel 39 Faillissementswet is ook van toepassing op de huur voor roerende zaken. Volgens de Hoge Raad bestaat er onvoldoende grond om onderscheid te maken tussen roerende en onroerende zaken. De ratio achter artikel 39 Faillissementswet is dat de verschuldigde huur na datum faillissement niet te hoog kan oplopen. Ter compensatie worden de huurtermijnen na datum faillissement als boedelschuld opgenomen. Er bestaat geen reden om dit anders te zien in het geval van roerende zaken.

Kortom, in het geval van een huurovereenkomst met betrekking tot roerende zaken kan de huur in geval van faillissement worden opgezegd (met inachtneming van een opzegtermijn van drie maanden) en worden de huurtermijnen vanaf de dag der faillietverklaring gekwalificeerd als boedelschuld.

Mr. Mirjam Davelaar – Sectie Insolventierecht – april 2015


Ondernemer let op de taal van uw website bij verkoop aan consumenten.

19-04-2015

Vanaf 10 januari 2015 is de herschikte EEX verordening van toepassing. Deze verordening regelt internationale burgerlijke en handelszaken, in die zin dat uit de verordening duidelijk wordt bij welke rechter in welk land in geval van geschillen u dient te zijn. Ook regelt de verordening de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken.

Hoe kan u als ondernemer met deze herschikte EEX verordening in aanraking komen?

Stel u heeft een webwinkel die zowel in de Nederlandse als Engelse taal benaderbaar is. De webwinkel heeft een .com of een .eu extensie. U richt zich eigenlijk alleen op consumenten binnen de Nederlandse landsgrenzen. Daarnaast verkoopt u steeds vaker aan consumenten woonachtig buiten Nederland. Uw webwinkel is immers ook in het Engels benaderbaar en dus makkelijker toegankelijk geworden voor niet Nederlandstalige consumenten.

Nu blijkt er een door u verkocht product problemen te vertonen. Dit product is verkocht aan een consument woonachtig buiten Nederland. Helaas komt u er onderling niet uit en de consument gaat een procedure starten.

Als webwinkel ondernemer verwacht u wellicht dat de Nederlandse rechter en het Nederlands recht van toepassing is, u richt zich immers primair op de consument binnen Nederland. Echter omdat we hier te maken hebben met een consument kan de consument op grond van artikel 17 van de herschikte EEX verordening procederen in eigen land. Want de activiteiten van uw webwinkel richten zich niet meer zuiver alleen op de consumenten binnen Nederland. Uw website is immers toegankelijk in het Engels en ook de website extensie is een internationale extensie. Dan is vervolgens op grond van artikel 6 Rome I ook nog eens het recht van het land waar de consument woonachtig is van toepassing.

Zo kan het dus zomaar zijn dat u als Nederlandse webwinkel onderneming met de verkoop van uw artikelen aan een in Spanje woonachtige consument bij een onverhoopte procedure dus voor de Spaanse rechter onder toepassing van Spaans recht dient te procederen. Wees u als ondernemer bewust van deze mogelijkheid!

Voor meer informatie of andere ondernemingsrechtelijke vragen kunt u contact opnemen met mij en of mijn kantoorgenoten.

Mr. Yvette Heruer - sectie ondernemingsrecht - april 2015


Opzegging van stilzwijgend verlengde abonnementen

19-04-2015

Abonnementen zijn makkelijk af te sluiten en de meeste mensen hebben verschillende abonnementen tegelijkertijd lopen (denk aan het abonnement op de sportschool, het telefoonabonnement, enzovoorts). Op zich is dit natuurlijk geen probleem. Indien een abonnement in het verleden echter niet tijdig werd opgezegd, werd deze vaak stilzwijgend verlengd, waardoor de abonnementhouder automatisch opnieuw voor lange tijd aan het abonnement vast zat. Dit riep veel irritatie op. De wetgever heeft hier dan ook een einde aan willen maken. Op 1 december 2011 is daarom de Wet “Van Dam” ingevoerd.

Op grond van die wet kan een abonnement, dat stilzwijgend is verlengd voor bepaalde tijd, op elk moment worden opgezegd, op dezelfde manier als waarop het abonnement is afgesloten. Daarbij geldt een opzegtermijn van een maand. Dat betekent dat een abonnement na opzegging nog maximaal een maand mag voortduren, ook indien in de algemene voorwaarden een langere opzegtermijn is opgenomen. Een abonnement voor onbepaalde tijd kan op elk moment worden opgezegd, waarbij eveneens een opzegtermijn geldt van een maand. De algemene voorwaarden van de aanbieder mogen hier niet van afwijken. De wet geldt voor alle contracten die ‘periodieke levering van producten of diensten’ betreffen gedurende een zekere periode (kort gezegd: abonnementen). De wet geldt niet voor opzegging van het eerste (oorspronkelijke) contract. De algemene voorwaarden bevatten vaak bepalingen over de wijze waarop dit contract (tussentijds) kan worden opgezegd (vaak kan dit slechts tegen een vergoeding).

Het abonnement kan dus op elk moment worden opgezegd, zodat bijvoorbeeld niet (langer) als eis kan worden gesteld dat dit enkel tegen het einde van de maand mogelijk is. Voorts kan het abonnement op dezelfde manier worden opgezegd als waarop het is afgesloten, zodat, indien het abonnement bijvoorbeeld telefonisch is afgesloten, deze ook telefonisch kan worden opgezegd en indien het abonnement via een website is afgesloten, deze ook per e-mail kan worden opgezegd. Veel bedrijven stellen in hun algemene voorwaarden nog steeds bepaalde vereisten waaraan de opzegging moet voldoen (bijvoorbeeld dat dit per aangetekende brief moet). Dit mag dus niet.

Voor enkele abonnementen bevat de wet aparte regels. Voor abonnementen op bladen en tijdschriften geldt dat deze stilzwijgend mogen worden verlengd, waarbij een opzegtermijn geldt van drie maanden. Indien de consument het abonnement niet uiterlijk tegen het einde van de tweede maand van de verlenging opzegt, zit hij of zij dan opnieuw drie maanden aan het abonnement vast.

Bij proefabonnementen is stilzwijgende verlenging niet toegestaan. Na de afgesproken proefperiode stopt het abonnement vanzelf. Een proefabonnement hoeft dus niet te worden opgezegd.

Voor internet- en telefoonabonnementen geldt dat deze op grond van de Telecommunicatiewet al langer na de stilzwijgende verlenging per maand opzegbaar waren. De Wet “Van Dam” verandert hier niets aan.

De wet is bedoeld ter bescherming van consumenten, dat wil zeggen: particulieren die niet beroeps- of bedrijfsmatig handelen. Bedrijven zijn in beginsel ‘gewoon’ gebonden aan de regels uit de algemene voorwaarden van de leverancier, maar blijkens rechtspraak kunnen ook kleine bedrijven en zelfstandigen onder omstandigheden een beroep doen op de wet.

Voor bedrijven die abonnementen aanbieden aan consumenten en/of kleine bedrijven of zelfstandigen, maar ook voor deze laatsten is het van belang zijn dat zij de algemene voorwaarden laten controleren op het in overeenstemming zijn met de wet. De advocaten van Okkerse & Schop Advocaten kunnen hierbij van dienst zijn.

Mr. Jan-Hein Efdee - sectie ondernemingsrecht - april 2015


Hoge Raad prikt door poging tot het omzeilen van de ketenregeling heen.

19-04-2015

“Een wolf in schaapskleren blijft een wolf.”


De ketenregeling is al vaak het onderwerp geweest van procedures. Veelal ligt de vraag voor of nu sprake is van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde of voor onbepaalde tijd. De reden daarvan is dat op grond van de ketenregeling een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd op enig moment converteert naar een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Zo converteert een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd onder het huidige recht dat tot 1 juli 2015 geldt onder meer in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd indien er vier opvolgende arbeidsovereenkomsten worden gesloten en er tussen het sluiten daarvan geen onderbreking van drie maanden of langer ligt.


In een casus waarover de Hoge Raad diende te beslissen, waren de feiten als volgt. De werknemer was bij de werkgever in dienst getreden op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van één jaar. Na afloop daarvan sloten partijen nog een tweede en derde arbeidsovereenkomst voor de duur van een half jaar respectievelijk één jaar. Aansluitend daarop werd nog een vierde arbeidsovereenkomst gesloten. Door het sluiten van de vierde overeenkomst werd de ketenregeling weliswaar van toepassing, echter in een poging de ketenregeling te omzeilen, had de werkgever bij het sluiten van de vierde arbeidsovereenkomst als bijlage een beëindigingsovereenkomst opgemaakt. In de beëindigingsovereenkomst was bepaald dat de derde arbeidsovereenkomst alleen zou worden verlengd indien op voorhand duidelijkheid zou bestaan over de datum waarop de door de verlenging ontstane arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd alsnog zou eindigen. Aldus werd in de beëindigingsovereenkomst opgenomen dat de arbeidsovereenkomst zou eindigen op 1 januari 2012.


Eind december 2011 roept de werknemer de nietigheid van de vaststellingsovereenkomst in omdat de vaststellingsovereenkomst volgens hem in strijd is met de dwingendrechtelijke bepalingen over de ketenregeling. De werkgever gaat daar niet in mee en beschouwt de arbeidsovereenkomst per 1 januari 2012 als beëindigd. De werknemer laat het er niet bij zitten en stapt naar de rechter. Hoewel de kantonrechter de vordering van de werknemer toewijst, vernietigt het gerechtshof dat vonnis en wijst de vordering alsnog af. Het is uiteindelijk de Hoge Raad die de vraag moet beantwoorden of partijen een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd of voor onbepaalde tijd zijn overeengekomen.


De Hoge Raad stelt voorop dat bij de beantwoording van deze vraag niet alleen acht dient te worden geslagen op de tekst van de schriftelijke arbeidsovereenkomst, maar mede op de bedoeling van partijen, waarbij alle omstandigheden van het geval van belang zijn. In dit geval is in dat kader van belang dat partijen in samenhang met de arbeidsovereenkomst, een “vaststellingsovereenkomst” hebben gesloten en dat deze vaststellingsovereenkomst in strijd is met het dwingend recht. Waar het voor de werkgever misgaat is dat de vaststellingsovereenkomst alleen dan in strijd mag komen met dwingend recht indien zij strekt ter beëindiging van een reeds bestaand geschil, en dus niet strekt ter voorkoming daarvan zoals in onderhavig geval. De Hoge Raad vernietigt het arrest van het gerechtshof dan ook en verwijst het geding naar een ander gerechtshof ter verdere behandeling en beslissing.


Kort en goed geldt dat een wolf in schaapskleren een wolf blijft. Is de ketenregeling van toepassing, dan kan deze niet vooraf door het sluiten van een vaststellingsovereenkomst worden omzeild. Ook onder de nieuwe ketenregeling die vanaf 1 juli aanstaande geldt, zal dat het geval zijn. Onder het nieuwe ontslagrecht is de ketenregeling overigens verder aangescherpt. Alsdan zal een werkgever gedurende maximaal twee (in plaats van drie) jaar arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd kunnen sluiten, waarbij tussenpozen van zes (in plaats van drie) maanden worden meegerekend in de reeks van (nog steeds maximaal drie) bepaalde tijd contracten.


Indien u naar aanleiding van dit artikel vragen heeft over de ketenregeling, kunt u contact opnemen met ons kantoor. Wij beantwoorden uw vragen graag.


mr. Elsa Bruggink –sectie arbeidsrecht– april 2015


Het belang van een Social media code

15-04-2015

Zeer recentelijk kwam een bekende Limburgse werkgever van een koude kermis thuis toen werd getracht om op basis van dringende redenen afscheid te nemen van een werknemer die bijzonder discriminerende teksten op Facebook had geplaatst. De uitlatingen waren deels onder werktijd geplaatst en werden door een groot deel van het personeel als schokkend en angstaanjagend ervaren. De werkgever had weliswaar in een arbeidsprotocol opgenomen dat discriminatie niet werd getolereerd, maar mede omdat een ‘Social media code’ ontbrak, oordeelde de Kantonrechter dat er geen sprake was van een dringende reden om de arbeidsovereenkomst te ontbinden. Er was simpelweg geen beleid ten aanzien van hoe moet worden omgegaan met Social media.

De arbeidsovereenkomst werd vervolgens wel ontbonden wegens het ontbreken van vertrouwen nu deze werknemer in het verleden al meerdere waarschuwingen had ontvangen. Maar was dat niet het geval geweest, dan had de uitkomst wel eens anders kunnen zijn. Wij raden u dan ook aan om een Social media code te hanteren. Zo voorkomt u discussies over teksten die uw werknemers op Facebook, Twitter en andere media plaatsen en die uw bedrijf mogelijk schade toebrengen. Ook is daarmee voor uw werknemers duidelijk welke sancties er kunnen volgen als de code wordt overtreden, ook na het eindigen van het dienstverband.

Uiteraard zijn wij u graag behulpzaam bij het opstellen van een dergelijke Social media code.

Mr. Miriam Ruijters – sectie arbeidsrecht – april 2015


Scheiden? Vergeet het pensioen niet

13-04-2015

Als u gaat scheiden moeten er veel juridische zaken geregeld worden: zaken rondom de kinderen (zorgverdeling, kinderalimentatie), de financiën (alimentatie) en verdeling van de gemeenschap van goederen of afwikkeling van de huwelijksvoorwaarden. Een ander belangrijk punt is het pensioen.

Vaak wordt tijdens het huwelijk ouderdomspensioen en nabestaandenpensioen voor de partner (hierna kortweg ‘partnerpensioen’) opgebouwd, meestal via de werkgever. Het ouderdomspensioen voorziet in een uitkering na de pensioengerechtigde leeftijd van de werknemer, het partnerpensioen ziet op een uitkering voor de echtgenoot van de werknemer die overlijdt.

Deze pensioenen vallen niet in een eventuele gemeenschap van goederen, maar in het kader van de echtscheiding moet er wel een regeling voor worden getroffen tenzij de huwelijksvoorwaarden iets anders zeggen. Vaak wordt afgesproken dat het ouderdomspensioen wordt verevend, hetgeen ‘verdeeld’ betekent.

Het idee achter deze verdeling is dat tijdens het huwelijk een deel van het inkomen werd gereserveerd voor pensioen en dat er dus minder inkomen te besteden was. Daarom wordt het meestal redelijk geacht om het gereserveerde inkomen na echtscheiding te delen.

In het stuk hieronder wordt steeds gesproken over een werknemer en de ex-echtgenoot. In een klassieke kostwinner situatie is de werknemer dan de man en de ex-echtgenote de vrouw. Als beide echtgenoten werken, geldt onderstaande over en weer.

Ouderdomspensioen
Het ouderdomspensioen wordt opgebouwd door een werknemer. Bij een echtscheiding heeft de ex-echtgenoot van de werknemer recht op verevening van het ouderdomspensioen dat is opgebouwd vanaf de datum van het huwelijk tot aan de datum van de echtscheiding. Dit recht op verevening houdt in dat de pensioenuitvoerder vanaf de datum dat de werknemer de pensioengerechtigde leeftijd bereikt, een deel van het pensioen (de helft van het opgebouwde pensioen tijdens het huwelijk) rechtstreeks moet overmaken aan de ex-echtgenoot, onder de voorwaarden die ook gelden voor de werknemer. Daarbij is belangrijk op te merken dat het hele opgebouwde ouderdomspensioen in geval van verevening intact blijft (één pot), maar de uitkering aan twee personen wordt gedaan. De ex-echtgenoot volgt voor wat betreft het ouderdomspensioen in alles de werknemer. Gevolg 1: op het moment dat de werknemer overlijdt, vervalt voor hem of haar het recht op uitkering van ouderdomspensioen en dus ook voor de ex-echtgenoot. Gevolg 2: stel dat de ex-echtgenoot eerder overlijdt, dan krijgt de werknemer zijn volledige ouderdomspensioen van de pensioenuitvoerder uitgekeerd omdat het pensioen intact is gebleven en niet langer aan twee personen uitgekeerd hoeft te worden.

Om te zorgen dat dit recht op de standaardverevening ontstaat moet binnen twee jaar na de inschrijving van de echtscheiding een formulier aan de pensioenuitvoerder worden toegestuurd. Dit formulier is te vinden op de site van de Rijksoverheid (https://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/formulieren/2014/04/11/formulier-mededeling-van-scheiding-in-verband-met-verdeling-van-ouderdomspensioen.html). Op die pagina vindt u ook de brochure van het ministerie die gaat over de verdeling van ouderdomspensioen bij scheiding.

In overleg kunnen andere afspraken over het ouderdomspensioen worden gemaakt:

• van het recht op verevening kan volledig worden afgezien met als gevolg dat ieder het eigen opgebouwde ouderdomspensioen behoudt;

• in plaats van de standaardverevening kan afgesproken worden om een ander percentage van het ouderdomspensioen te verevenen of het ouderdomspensioen dat in een andere periode is opgebouwd;

• afgesproken kan worden het recht op uitbetaling van het ouderdomspensioen én het partnerpensioen om te zetten in een eigen zelfstandig recht voor de echtgenoot van de werknemer jegens de pensioenuitvoerder (conversie). De pensioenuitvoerder moet daarmee wel akkoord gaan en de pensioenuitvoerder moet ook op de hoogte gesteld worden van de afspraak. Het recht op ouderdoms- en partnerpensioen wordt als het ware bij de pensioenuitvoerder gesplitst en er ontstaan twee potjes, één op naam van iedere echtgenoot. Daarmee verdwijnt de afhankelijkheid die wel blijft bestaan bij de standaardverevening. In geval van overlijden van de werknemer behoudt de ex-echtgenoot de aanspraak op het eigen pensioen (vanaf de eigen pensioengerechtigde leeftijd). Overlijdt de ex-echtgenoot eerder dan krijgt de werknemer geen pensioen terug. Conversie kan bijvoorbeeld interessant zijn als er een groot leeftijdsverschil is: als de werknemer met pensioen gaat, heeft de ex-echtgenoot wellicht nog geen behoefte aan een pensioenuitkering maar pas op een later moment, als de werknemer misschien al is overleden. Indien u geïnteresseerd bent in deze optie dient u altijd contact op te nemen met de pensioenuitvoerder om te kijken wat de precieze gevolgen van conversie in uw situatie zijn en of dat voor- of nadelig is.

Partnerpensioen
Partnerpensioen ziet zoals aangegeven op een uitkering voor de echtgenoot na overlijden van de werknemer. Door de echtscheiding krijgt de ex-echtgenoot van de werknemer een eigen aanspraak jegens de pensioenuitvoerder op dit partnerpensioen (dat vanaf dan bijzonder partnerpensioen wordt genoemd), mits de pensioenregeling voorziet in een partnerpensioen op opbouwbasis (vergelijkbaar met een spaarverzekering, er is dan echt geld gereserveerd). Voorziet de pensioenregeling in partnerpensioen op risicobasis dan bestaat er geen recht op bijzonder nabestaandenpensioen na scheiding. (Partnerpensioen op risicobasis is vergelijkbaar met een glasverzekering: pas als er een bal door de ruit gaat, bestaat recht op uitkering. Voor het partnerpensioen geldt: alleen op het moment dat de werknemer getrouwd is op het moment dat hij overlijdt, bestaat recht op uitkering.)

Het partnerpensioen waar de ex-echtgenoot aanspraak op kan maken, ziet op het partnerpensioen dat vanaf de ingangsdatum van de pensioenvoorziening is opgebouwd tot aan de datum van de inschrijving van de echtscheiding. Het omvat dus ook het partnerpensioen dat vóór het huwelijk is opgebouwd. Stel dat de werknemer na de echtscheiding een nieuwe partner krijgt, dan krijgt deze nieuwe partner een aanspraak op partnerpensioen vanaf de datum van het nieuwe huwelijk, geregistreerd partnerschap of samenlevingscontract. Dat kan een reden zijn om in overleg af te wijken van de hoofdregel dat de eerste ex-echtgenoot een aanspraak krijgt op het partnerpensioen. De pensioenuitvoerder moet daar wel mee akkoord gaan.

Andere mogelijkheden om af te wijken van de hoofdregel zijn:


• u wilt het partnerpensioen inwisselen voor ouderdomspensioen;

• u ziet nu al reden om het partnerpensioen af te staan aan de eerdere of latere partner van de werknemer;

• u wilt helemaal afzien van het recht op partnerpensioen.

Ook deze afwijkingen dienen altijd met de pensioenuitvoerder besproken te worden.

Informatie over pensioen
Omdat de pensioenuitvoerders op de hoogte gesteld moeten worden, moet u wel weten waar uw ex-echtgenoot pensioen heeft opgebouwd. Die informatie is te vinden op www.mijnpensioenoverzicht.nl, waar ingelogd moet worden met DigID. Het is mogelijk om in een procedure te vragen om deze informatie te verstrekken als de andere echtgenoot niet vrijwillig bereid is deze informatie te geven.

Andere situaties
Een ondernemer bouwt vaak in eigen beheer pensioen op. Ook dat ouderdomspensioen dient verdeeld te worden en het deel van de ex-echtgenoot dient in beginsel buiten het bereik van de ondernemer te worden gebracht. We schreven daar al eerder over op onze website. Voor mensen die samenwonen geldt dat zij in hun samenlevingscontract moeten nakijken of zij aanspraak kunnen maken op (partner)pensioen dan wel dit moeten informeren bij de pensioenuitvoerder.

Heeft u vragen die te maken hebben met pensioen en echtscheiding of met een ander onderwerp zoals alimentatie, verdeling of afwikkeling huwelijksvoorwaarden, als zelfstandig ondernemer of als werknemer, neemt u dan contact op met Marleen Falkena (voor cliënten in Lelystad) of Sylvia Raphael (voor cliënten in Almere).


Beter een goede vriend dan familie

12-04-2015

Beter een goede vriend dan familie.  De Werkloosheidswet is een zogenaamde werknemersverzekering. De verzekering wordt uitgevoerd door het UWV en biedt dekking aan werknemers in geval van inkomensverlies als gevolg van (gedeeltelijke) werkloosheid. De premie voor de werknemersverzekering(en) wordt betaald door de werkgever.


De werknemer is de verzekerde. Maar wanneer is men eigenlijk werknemer voor de Werkloosheidswet? Volgens het hoogste rechtsprekende orgaan over uitkeringskwesties (Centrale Raad van Beroep), is bepalend of er sprake is van een arbeidsovereenkomst, zoals bedoeld in de wet. Daarin worden een drietal vereisten gesteld om te kunnen spreken van een arbeidsovereenkomst:


  1. 1. Er dient voor de werknemer een verplichting te zijn tot het verrichten van arbeid;

  2. 2. De werkgever moet daarvoor aan de werknemer loon betalen;

  3. 3.  Er dient sprake te zijn van een gezagsverhouding tussen de werkgever en de werknemer.


Bij het vaststellen van een arbeidsovereenkomst dient voorts rekening te worden gehouden met alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien. Niet alleen dient te worden stilgestaan bij de rechten en verplichtingen die door partijen bij het aangaan van de overeenkomst zijn vastgelegd, maar ook dient te worden stilgestaan bij de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun overeenkomst en aldus daaraan inhoud hebben gegeven.


Wanneer een werkgever ervoor kiest om familie als werknemer in dienst te nemen, dan is er volgens het UWV in beginsel sprake van een verzekeringsplicht van die werknemer, tenzij er sprake is van afwijkende omstandigheden of voorwaarden. Die afwijkende omstandigheden of voorwaarden kunnen bijvoorbeeld betrekking hebben op de beloning, werktijden en de mogelijkheden om vakantie te genieten. Dat familie verplicht verzekerd dient te zijn, lijkt op zichzelf niet vreemd. Maar toch is er iets opmerkelijks.


In de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep ligt namelijk als uitgangspunt vast dat het bestaan van een arbeidsovereenkomst niet snel wordt aangenomen wanneer een kind in dienst is van zijn ouder. De vereiste gezagsverhouding, om te kunnen spreken van een arbeidsovereenkomst, zal vaak ontbreken. Dit sluit de mogelijkheid niet uit dat de ouder werkgeversgezag uitoefent over het kind, maar dat kan alleen worden aangenomen als de omstandigheden van het geval hierop duidelijk wijzen.


Bij dit uitgangspunt van de Centrale Raad van Beroep wordt door het UWV dankbaar aangesloten. Bovendien trekt het UWV deze lijn door tot andere werknemers die in familiaire verhouding staan tot de werkgever. Kortom, bij familie geldt als uitgangspunt dat de werknemer verplicht is verzekerd voor de werknemersverzekeringen. Wanneer diezelfde verplicht verzekerde werknemer een beroep doet op de Werkloosheidswet, dan loopt hij een groot risico achter het net te vissen, omdat de vereiste gezagsverhouding ontbreekt, om te kunnen spreken van een arbeidsovereenkomst. En juist die arbeidsovereenkomst is de sleutel voor toegang tot de Werkloosheidswet.


Op basis van het vorenstaande kan wel worden geconcludeerd dat voorzichtigheid geboden is wanneer u als werkgever overweegt om familie in dienst te nemen, of wanneer u als werknemer overweegt om bij familie in dienst te treden. En als u dat doet, dan is het geboden de gang van zaken zo formeel mogelijk feitelijk vorm te geven én vast te leggen.


Roy van Wolferen – sectie arbeidsrecht- april 2015


De opheffing van een dwangsom wegens de onmogelijkheid van nakoming

06-04-2015

Inleiding

Ons Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bevat de mogelijkheid om de rechter te verzoeken een dwangsom op te leggen voor de situatie dat niet aan de hoofdveroordeling wordt voldaan. Een voorbeeld hierbij is dat iemand wordt veroordeeld tot levering van een woning, waarbij een dwangsom wordt opgelegd voor iedere dag dat hij/zij hiermee in gebreke blijft. Een dwangsom dient zodoende als pressiemiddel. De mogelijkheid om een dwangsom op te leggen bestaat overigens niet in het geval iemand veroordeeld wordt tot de betaling van een geldsom.

Het kan voorkomen dat hetgeen waartoe iemand wordt veroordeeld (tijdelijk of gedeeltelijk) niet meer mogelijk is. In een dergelijk geval zou het onrechtvaardig zijn dat de dwangsom blijft doorlopen. Om dit te voorkomen bevat de wet een bepaling waarin is opgenomen dat de rechter die de dwangsom heeft opgelegd de dwangsom op vordering van de veroordeelde kan opheffen. Tevens kan de looptijd van de dwangsom worden opgeschort gedurende een door de rechter te bepalen termijn en kan de dwangsom verminderd worden.

Recente rechtspraak

De Hoge Raad heeft zich zeer recentelijk uitgelaten over een dergelijke opheffing van een dwangsom (1). De aanleiding voor dit arrest was een burenruzie. Partijen in cassatie wonen in twee vrijstaande, naburige woningen. De woning van verweerders in cassatie is aan de linkerzijde voorzien van een aanbouw die gebruikt wordt als bibliotheek. Eisers in cassatie hebben een aantal jaren geleden aan de rechterzijde van hun woning een zwembad laten bouwen. De fundering van de bibliotheek is voor een deel gelegd boven de fundering van het zwembad.

De buren met het zwembad hebben zich met succes verzet tegen deze inbreuk op hun eigendomsrecht. Het Gerechtshof in Den Bosch heeft de buren met de bibliotheek veroordeeld om de spouwmuur binnen twaalf weken na betekening van het arrest in de oude toestand te herstellen en de betonnen fundering onder de bibliotheek te verwijderen zonder de muur te beschadigen. Hierbij is een dwangsom opgelegd van € 5.000,- per dag dat zij hiermee in gebreke blijven, met een maximum van € 100.000,-.

De buren met de bibliotheek vorderen bij hetzelfde Gerechtshof opheffing, opschorting dan wel vermindering van de dwangsom. Zij stellen dat het onmogelijk is om de fundering te verwijderen zonder dat de spouwmuur beschadigd raakt. Om dit te onderbouwen hebben zij diverse deskundigenrapporten overgelegd, waaruit zou blijken dat het onmogelijk is de fundering onder de spouwmuur te verwijderen zonder deze te beschadigen. Herstel in oude toestand is volgens hen niet mogelijk.

Het Gerechtshof wijst de vordering af. Volgens het hof is het een lastig karwei, maar niet een onmogelijke opgave. Het hof oordeelt daarnaast dat het begrip ‘’oude toestand’’ niet te letterlijk moet worden genomen. De buren met de bibliotheek gaan tegen het arrest van het hof in cassatie en voeren aan dat het hof niet had mogen oordelen dat er in deze situatie geen sprake was van een onmogelijkheid.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof een juiste maatstaf heeft gehanteerd. Volgens de Hoge Raad is van een onmogelijkheid om aan de hoofdveroordeling te voldoen sprake indien zich een situatie voordoet waarin de dwangsom als dwangmiddel zijn zin verliest. Onderzocht moet worden of de veroordeelde sinds zijn veroordeling redelijkerwijs al het mogelijke heeft gedaan om aan de hoofdveroordeling te voldoen. De onmogelijkheid om aan de hoofdveroordeling te voldoen moet worden bepaald aan de hand van de feiten en omstandigheden. Pas indien wordt geoordeeld dat er inderdaad sprake is van (tijdelijke of gedeeltelijke) onmogelijkheid, kan de dwangsom worden aangetast.

Conclusie

Wanneer u in rechte bent veroordeeld tot een doen of nalaten waarbij een dwangsom is opgelegd, kan het gebeuren dat u op enig moment (tijdelijk) niet meer (geheel) aan de hoofdveroordeling kunt voldoen. In dat geval kunt u de rechter verzoeken om de dwangsom op te heffen, op te schorten of te verminderen middels juridische bijstand. Mogelijk kunnen wij u hierbij van dienst zijn. Voor meer informatie kunt u vrijblijvend contact opnemen met ons kantoor via 036-5346220.

Mr. Mirjam Davelaar -sectie Ondernemingsrecht – april 2015 -

 (1)HR 20 februari 2015, ECLI:NL:HR-2015-396


De gedragsaanwijzing is nog steeds actueel

06-03-2015

Opgelet! De gedragsaanwijzing is weer in de belangstelling, en wel onder uw bewoners. Het proefschrift van mr. Dr. Michel Vols, ‘De aanpak van overlastveroorzakers in Nederland, Engeland, Wales en België’, droeg hieraan bij. Veel verhuurders passen gedragsaanwijzing toe in verband met tuinonderhoud, schotelantennes, het onderhouden van (huis)dieren en met het aanvaarden van hulp en begeleiding. Hoe verloopt dat in de praktijk en waar moet u op letten?

In de praktijk
Uit de rechtspraak blijkt dat niet alle geluiden die buren van elkaar horen, ook daadwerkelijk overlast zijn. Het is logisch dat in een dichtbevolkt land als Nederland dicht naast elkaar wonende buren vrijwel altijd enige geluiden van elkaar zullen horen. Daarom moeten buren op dit punt zoveel mogelijk rekening met elkaar houden. Er bestaan geen specifieke regels voor overlast. Het is begrijpelijk dat u soms worstelt met dit soort dossiers. In november 2014 publiceerde het CCV (Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid) de ‘Handreiking woonoverlast effectief aanpakken in de huursector met gedragsaanwijzingen’. De handreiking geeft onder meer inzicht in de wijze van dossieropbouw. Daarnaast geeft het overzichtelijk weer welke wettelijke mogelijkheden u wel of niet tot uw beschikking heeft. Deze handreiking biedt u enige handvatten in het woud dat ‘overlast’ heet.

Samenwerking is noodzakelijk
Het is belangrijk dat het onderwerp ‘overlast’ opnieuw op de agenda staat. Zowel voor de slachtoffers als voor de veroorzakers. Effectieve bestrijding van overlast vergt een goede samenwerking tussen gemeenten, verhuurders, de politie en hulpverlening. Hoewel de afgelopen jaren het besef steeds meer toeneemt dat samenwerking tussen de ketenpartners noodzakelijk is, ontstaat langzamerhand ook meer draagvlak voor samenwerking met verhuurders. Een integrale aanpak van overlast is immers in het belang van iedereen.

Training en informatie
Meer informatie over gedragsaanwijzing? Tijdens de training Huurrecht besteden we aandacht aan deze en gerelateerde zaken. Volg de training of informeer naar de in-company mogelijkheden.

Dit artikel is geschreven door Tom Mulder, advocaat.


Werkgevers motiveer uw concurrentiebeding

01-03-2015

Zoals wij eerder al aankondigden, is het vanaf januari 2015 vereist om een eventueel gewenst concurrentiebeding in een contract voor bepaalde tijd goed te motiveren. Een concurrentiebeding mag in een contract voor bepaalde tijd namelijk alleen nog maar overeengekomen worden indien het noodzakelijk is vanwege zwaarwichtige bedrijfs- of dienstbelangen. Die zwaarwichtige belangen dient u dus kenbaar te maken in de arbeidsovereenkomst. Daarnaast dienen die belangen nog steeds aanwezig te zijn als de werkgever de werknemer aan dat beding wil houden bij het eindigen van de arbeidsrelatie. Indien uw wel een motivering hebt opgenomen, maar de belangen niet voldoende zwaarwegend worden geacht, kan de werknemer het beding trachten te vernietigen. Daarvoor dient de werknemer dus actie te ondernemen. Indien u in het geheel geen motivering opneemt, hoeft dat niet en is het beding van rechtswege nietig. U begrijpt nu waarom het opnemen van een motivering zo belangrijk is.


In de tekst van het concurrentiebeding dient u te omschrijven waarom de betreffende werknemer, gezien zijn functie, kennis en werkzaamheden, gebonden zou moeten zijn aan een concurrentiebeding. Wij raden u aan geen standaard motivering te gebruiken en ook niet bij alle werknemers eenzelfde motivering op te nemen. De kans is groot dat de rechter in een eventuele procedure zal oordelen dat dat niet specifiek genoeg is. Het komt daarnaast ook sterker over als een dergelijk beding slechts met een beperkte groep werknemers is overeengekomen.


Wij raden u af om het concurrentiebeding ook in contracten voor onbepaalde tijd te motiveren. Dat is niet wettelijk vereist en kan slechts tot onnodige discussies leiden. Mocht een contract voor bepaalde tijd worden omgezet in een vast contract, dan is het om diezelfde reden verstandig een nieuw contract te sluiten. Wordt het contract immers voortgezet onder dezelfde voorwaarden zonder nieuwe arbeidsovereenkomst, dan zal de eerder opgenomen motivering toch worden meegewogen in de belangenafweging.


Indien u naar aanleiding van dit artikel vragen heeft, of rechtsbijstand kunt gebruiken bij het opstellen van uw arbeidscontract of concurrentiebeding, kunt u contact opnemen met ons kantoor. Wij helpen u graag.


mr. Miriam Ruijters –sectie arbeidsrecht– februari 2015


Nieuw wetsvoorstel kinderalimentatie

23-02-2015

Vorige week presenteerden de Kamerleden Jeroen Recourt van de PvdA en Ard van der Steur van de VVD het wetsvoorstel herziening kinderalimentatie (wetsvoorstel 34 154). Het nieuwe  systeem zou rechtvaardiger en duidelijker worden en ouders kunnen zelf de berekeningen maken. Thans bestaat er geen wettelijke basis waaruit de wijze van berekenen van kinderalimentatie blijkt. Berekeningen worden in bijna alle gevallen gebaseerd op het tremarapport. Dit rapport is opgesteld door familierechters en wordt door veel rechters en advocaten gehanteerd bij alimentatiezaken, maar het is geen wet waardoor rechters vrij zijn ervan af te wijken. Hieronder kunt u in vogelvlucht de belangrijkste punten uit dit wetsvoorstel lezen.
 
Komst van een nieuw kind niet van invloed op alimentatie voor kinderen uit eerder relatie
In het huidige stelsel vormt de komst van een nieuw kind bij de alimentatieplichtige ouder een wijziging van omstandigheden. Dat is ook begrijpelijk omdat de draagkracht dan over een extra kind moet worden verdeeld. Dat is in het nadeel van het kind uit de eerdere relatie, omdat voor dat kind minder overblijft door de komst van het nieuwe kind. In de nieuwe plannen zou de komst van een nieuw kind niet meer van invloed zijn op de alimentatie ten behoeve van het kind uit de eerdere relatie.
 
Stiefouders spelen geen rol meer
Thans is het zo dat stiefouders alimentatie moeten betalen voor een kind van hun echtgenoot dat bij hen inwoont. Daarover kon u eerder al lezen op onze website (https://www.okkerse-schop.nl/nieuws/alimentatie-en-samengestelde-gezinnen/). Het idee van de Kamerleden is om stiefouders niet te betrekken bij alimentatieverplichting ten opzichte van kinderen die niet de biologische kinderen van de stiefouders zijn om zo het aantal conflicten omlaag te brengen. Dat maakt het systeem in ieder geval minder ingewikkeld.
 
Beperking van de mogelijkheden om kinderalimentatie te wijzigen
Thans kan elke rechtens relevante wijziging van omstandigheden een reden zijn om een wijziging van de kinderalimentatie te verzoeken. Daarbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een wijziging van de verdeling van de zorg, van de hoofdverblijfplaats of van het inkomen. Het is de bedoeling dat dit in de toekomst moeilijker zal worden en dat slechts in uitzonderlijke gevallen om een wijziging kan worden verzocht.
 
Verplichte minimum bijdrage
Het kan in het huidige systeem zo zijn dat een ouder geen alimentatieverplichting krijgt opgelegd, bijvoorbeeld omdat alle kosten al vanuit het kindgebonden budget kunnen worden voldaan of wanneer sprake is van een zogenaamde onaanvaardbare situatie wanneer er een alimentatieverplichting zou worden opgelegd. Het commentaar van de initiatiefnemers van het wetsvoorstel op dit systeem is dat daarbij alleen naar de draagkracht van de alimentatiebetaler wordt gekeken en niet naar de draagkracht van de alimentatieontvanger, die uiteindelijk met of zonder draagkracht toch de kosten van de kinderen zal moeten voldoen, daarom is een verplicht minimum bedrag voorgesteld. In het huidige stelsel wordt al wel een minimum draagkracht aanwezig verondersteld, maar wanneer de alimentatieplichtige in een onaanvaardbare situatie terecht zou komen wanneer er een alimentatieverplichting wordt opgelegd kan het nog wel voorkomen dat er toch een lager bedrag of geen verplichting wordt vastgelegd.
 
Geen problemen meer met kindregelingen
Sinds 1 januari 2015 zijn er veel onduidelijkheden over de kinderalimentatie vanwege de aangepaste kindregelingen (https://www.okkerse-schop.nl/nieuws/wat-zijn-de-gevolgen-van-de-wet-hervorming-kindregelingen-whk-voor-uw-kinderalimentatie/). Thans wordt het gehele kindgebonden budget (inclusief alleenstaande ouderkop) afgetrokken van de kosten van de kinderen, in het resterende bedrag dienen ouders naar rato van draagkracht bij te dragen. Door de rechtbank Den Haag is hier al wel van afgeweken omdat zij dit maatschappelijk onaanvaardbaar vond. In het wetsvoorstel zal de kinderbijslag en het kindgebonden budget opgeteld worden bij het inkomen van de ouder bij wie de kinderen hun hoofdverblijfplaats hebben. Het verhoogt dan dus wel de draagkracht van die ouder, maar verlaagd niet het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen, wat thans wel het geval is omdat het kindgebonden budget van de behoefte wordt afgetrokken.
 
Wijzigen leeftijdsgrens
Thans bestaat er een alimentatieverplichting voor kinderen tot 18 jaar en zijn ouders vervolgens verplicht bij te dragen in de kosten van levensonderhoud en studie van hun meerderjarige kinderen tot 21 jaar voor zover zij niet zelf in hun kosten kunnen voorzien. In het nieuwe wetsvoorstel wordt de duur van de kinderalimentatie beperkt tot 18 jaar, tenzij het kind studeert of naar school gaat. In dat laatste geval ontstaat een recht op kinderalimentatie tot 23 jaar. Dit ter voorkoming van het eindigen van financiële middelen terwijl het kind nog studeert.
 
Al met al zitten er zeker een aantal positieve aspecten aan het wetsvoorstel, maar ook zien wij een aantal bezwaren. De verwachting is dat het wetsvoorstel niet eerder dan in 2016 in zal gaan. Wij houden u vanzelfsprekend op de hoogte van de ontwikkelingen omtrent dit voorstel.
 
Mocht u vragen hebben over kinderalimentatie of over een ander onderwerp hebben dat te maken heeft met het verbreken van een relatie, dan kunt u daarvoor contact op nemen met mr. Sylvia Raphael (Almere) of met mr. Marleen Falkena (Lelystad).