Connect with OKKERSE on Linkedin

Percentage indexering alimentatie 2019 bekend

13-11-2018
Als u alimentatie betaalt, moet dit bedrag per 1 januari 2019 met het indexeringspercentage worden verhoogd. Dat volgt uit de wet. De Minister van Justitie en Veiligheid stelt dit percentage jaarlijks vast en dit is voor 2019 vastgesteld op 2%. Dit indexeringspercentage geldt voor kinderalimentatie en voor partneralimentatie. Door de indexering stijgt de alimentatie mee met de gemiddelde stijging van de lonen.

In een convenant of ouderschapsplan kan worden overeengekomen dat  de wettelijke indexering niet verschuldigd is. Als dit niet expliciet is overeengekomen, wordt de alimentatie dus automatisch (van rechtswege) verhoogd met het indexeringspercentage.

Op de website van het LBIO (Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen) kunt u de geïndexeerde alimentatie berekenen door hier te klikken. Op deze website staan ook voorbeeldbrieven die u kunt gebruiken als uw ex-partner de indexering of een achterstallige alimentatie niet voldoet.

Mocht u nog vragen hebben over indexeren, het innen van alimentatie of over het vaststellen of wijzigen van alimentatie dan kunt u contact opnemen met Rosanne Dijkstra (Lelystad) of Marleen Falkena (Almere).

Marleen Falkena


Mag Radio 538 de Top 40 van de FM-zender halen?

05-11-2018
Wie kent hem niet, die populaire hitlijst die sinds jaar en dag iedere vrijdagmiddag te horen is op Radio 538. Minder bekend is dat de Top 40 wekelijks wordt samengesteld door de Stichting Nederlandse Top 40 (hierna: de Stichting). Radio 538 en de Stichting hebben een samenwerking. Deze partijen hebben afgesproken dat de Top 40 exclusief en wekelijks door Radio 538 zal worden uitgezonden.

Op een bepaald moment hebben Radio 538 en de Stichting besloten dat de samenwerking zal eindigen. Daarna publiceert Radio 538 een persbericht. In dat persbericht kondigt Radio 538 aan dat zij met een eigen hitlijst zal komen, de 538TOP50. Tot het einde van het jaar zal de Top 40 nog worden uitgezonden via het DAB+ kanaal van Radio 538.

FM of DAB+?

De Stichting is het daar niet mee eens. Uit onderzoek blijkt namelijk dat 52% van de luisteraars naar de radio luistert via FM, en slechts 5% via DAB+. Dat betekent dat een flink aantal luisteraars zullen afhaken als de Top 40 niet meer via het FM-kanaal wordt uitgezonden. De Stichting stapt naar de rechter en vordert dat Radio 538 zal worden veroordeeld om op iedere vrijdag in november en december 2018 de Top 40 uit te zenden via het landelijke FM-netwerk. De Stichting vindt dat Radio 538 dat moet doen omdat zij anders de overeenkomst met de Stichting niet nakomt. Het was de bedoeling dat de Top 40 via het FM-netwerk zou worden uitgezonden, aldus de Stichting.

Radio 538 is van mening dat zij zich wel aan de overeenkomst houdt door tot het einde van het jaar uit te zenden. Ook als dat tot het einde van het jaar gebeurt via een andere zender dan het FM-netwerk. Bovendien is volgens Radio 538 over het type zender niets in de overeenkomst afgesproken.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank oordeelt dat Radio 538 verplicht is om de Top 40 uit te zenden tot 1 januari 2019. Radio 538 zendt de Top 40 al 23 jaar uit via de FM-zender. Daarbij worden meer luisteraars bereikt dan via een andere zender, zoals DAB+.
In de overeenkomst is niet vastgelegd via welke zender de Top 40 moet worden uitgezonden. Toch brengt een redelijke uitleg van de overeenkomst met zich mee dat Radio 538 de wijze van uitzending niet zo mag veranderen dat een substantieel lager aantal luisteraars worden bereikt. Een dergelijke structurele wijziging van uitzenden kan alleen plaatsvinden met instemming van beide partijen. Nu de Stichting niet met de zenderwijziging instemt, moet Radio 538 de Top 40 tot 1 januari 2019 via het FM-kanaal blijven uitzenden.

Cathy Brocklebank


Maar dat was zijn taak, ik wist daar niets van af!

01-11-2018
Rechtspersonen zoals stichtingen, verenigingen en B.V.’s worden bestuurd door bestuurders. Slechts in uitzonderlijke gevallen zal een bestuurder in privé aansprakelijk zijn tegenover de rechtspersoon waarvan hij/zij bestuurder is. Wil de rechtspersoon een bestuurder aan kunnen spreken wegens een onjuiste/gebrekkige vervulling van de bestuurstaken, dan moet sprake zijn van een persoonlijk ernstig verwijt. Of daarvan sprake is moet worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval.

Maar wat is nu eigenlijk de taak van het bestuur? De wet zegt dat het bestuur belast is met het besturen van de vennootschap. Dat omvat niet alleen ‘de dagelijkse gang van zaken’, maar ook het maken van toekomstplannen en het bepalen van de strategie. Indien er meerdere bestuurders zijn, dan  worden de taken vaak verdeeld. Zo kunnen de statuten van een rechtspersoon bijvoorbeeld bepalen dat de ene bestuurder verantwoordelijk is voor de financiën en de ander voor het uitzetten van commerciële doelen en het bepalen van de strategie. Toch is het uitgangspunt in het wettelijk stelsel dat sprake is van collectief bestuur. Als bestuurder bent u ook verantwoordelijk voor de taken van een ander bestuurslid. Een collectieve verantwoordelijkheid dus.

De stelling “maar dat was zijn taak, ik wist daar niets van af!’ zal u niet helpen om aan de betreffende verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid te ontkomen. Zo bepaalde het gerechtshof Den Haag dat onwetendheid niet ‘disculperend’ werkt. Dat betekent dat u als bestuurder doorgaans verantwoordelijk bent voor het handelen van het hele bestuur.

Wanneer kunt u zich dan wel disculperen van de collectieve bestuurstaak? U zult als bestuurder moeten bewijzen dat de gedragingen van uw medebestuurder (het wanbeleid dat de rechtspersoon schade heeft toegebracht) niet aan u te wijten is én dat u niet nalatig bent geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen daarvan af te wenden.

Wilt u meer weten over dit onderwerp? Neem dan contact op met Okkerse & Schop Advocaten.

Mariska Zentveldt


Okkerse & Schop Advocaten behaalt glansrijk certificaat audit NVVK

25-10-2018
Schuldhulpverlening voor ondernemers is één van de rechtsgebieden waarin Okkerse & Schop Advocaten zich heeft gespecialiseerd. Ook hierin zijn wij doeltreffend, verrassend en persoonlijk betrokken. Om de kwaliteit van onze dienstverlening op een hoog peil te houden vinden wij het belangrijk dat we regelmatig gecontroleerd worden door de NVVK.

Onlangs is er door Sijtsmanagement een audit uitgevoerd op ons kantoor. Na een spannende dag waarin we uitgebreid hebben gesproken met de auditor,  enkele vragen hebben beantwoord en onze dossiers hebben laten controleren rolde er een prachtig rapport uit. Wij zijn bijzonder trots dat we wederom het certificaat in ontvangst mogen nemen, waarbij er geen herstelpunten zijn geconstateerd en waarbij we een welgemeend compliment hebben ontvangen.

De eindconclusie van deze audit is duidelijk:

Okkerse en Schop advocaten voert al meer dan een decennium schuldhulpverlening voor ondernemers uit. Er is mede door de corebusiness van ondernemingsrecht veel kennis aanwezig die voor de dienstverlening van aanvullend belang is. Een totaalpakket zou je kunnen zeggen. De voorbereiding van Okkerse en Schop op de audit was net als bij de eerste audit uitstekend. Alle documenten en informatie was overzichtelijk in een paar ordners beschikbaar. De wijze van uitvoering van schuldhulpverlening aan ondernemers is prima te noemen. Men gaat tot het uiterste om de ondernemer weer op de rit te helpen. Bij de eerste audit waren er slechts 2 herstelpunt B, bij deze audit heeft auditor geen enkel herstelpunt kunnen constateren, een compliment voor de organisatie!

Auditor is van mening dat Okkerse en Schop volledig voldoet aan alle eisen van de audit NVVK 2018 en per direct het certificaat van de audit 2018 in ontvangst mag nemen.



Gedeeltelijke vergoeding schade op grond van deskundigenbericht

18-10-2018

Eenzijdig door verzekerde genomen maatregelen en gedeeltelijke vergoeding schade op grond van deskundigenbericht


SmartNewz 2018/5429
Het onderhavige arrest betreft vooralsnog het slotakkoord op een tweetal tussenarresten, waarbij is verwezen naar deskundigen (ecli:nl:ghshe:2017:508 (SmartNewz AR 2017/859) en ecli:nl:ghshe:2017:3651 ). De zaak betreft schade aan betonnen vloerelementen in een varkensstal nadat door een medewerker vaneen aannemer met een te zware laadschop over die elementen was gereden. In vervolg daarop zijn al de betonelementen door de eigenaar van de varkensstal vervangen. Het verplaatsen en opslaan van de roosters laat onverlet dat het zinvol is om de roosters (alsnog) afzonderlijk te laten onderzoeken teneinde de schade te bepalen. In beginsel is het voor rekening en risico van de verzekerde indien eenzijdig maatregelen zijn genomen die een zo concreet mogelijke berekening van de schade onmogelijk maken. De door het Hof benoemde deskundige is gevraagd alle nog beschikbare vloerelementen afzonderlijk en grondig te onderzoeken op de aanwezigheid van beschadigingen en daarbij vast te stellen hoeveel elementen beschadigd zijn en waaruit de schade bestaat. De deskundige onderzoekt in totaal 14(van de 870) vloerelementen. Hij staakt vervolgens in overleg met partijen zijn onderzoek omdat hij verwachtte dat de kosten onevenredig hoog zullen oplopen. De deskundige rechtvaardigt de beperking van zijn onderzoek met zijn reeds verkregen indruk dat zijn waarnemingen in hoofdlijn overeenkomen met die in het BASrapport (ingeschakelde expert in eerste aanleg).

De (in totaal) vier deskundigen hebben geen ideeën aangereikt voor een eenvoudig nader onderzoek dat voldoende inzicht geeft tegen aanvaardbare en evenredige kosten. Partijen hebben ook geen ideeën of suggesties op dit gebied gegeven. Het Hof zal bij deze stand van zaken zelf een koers bepalen. Het Hof oordeelt dat bij gebreke van nadere inlichtingen het ervoor moet worden gehouden dat de bevindingen van BAS en de deskundige tezamen – ook qua aantal onderzochte roosters – in
ieder geval een verantwoorde basis voor conclusies kunnen vormen. De schatting van BAS dat ten minste 25% (220 stuks) van de roosters diende te worden vervangen acht het Hof voldoende betrouwbaar om over te nemen. Het Hof betrekt bij de beoordeling dat partijen tegenover elkaar in een rechtsverhouding op grond van de CAR‐verzekering staan. Zij zijn in deze rechtsverhouding gehouden rekening te houden met elkaars gerechtvaardigde belangen. Dit houdt in dat zij zich neer dienen te leggen bij de schatting van BAS en wel op grond van de eisen van redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 lid 1 BW) gelet op de specifieke omstandigheden van het geval en in het bijzonder vanwege de hoge kosten van (nader) onderzoek en de geringe kans dat meer werk tot nieuwe inzichten leidt. Hoewel het Hof aan de varkenshouder toegeeft dat diens keuze om de hele vloer te vervangen begrijpelijk is, gezien het standpunt van de fabrikant (intrekking garantie) en de noodzaak de gezondheid van de varkens te waarborgen, betekent dit niet dat de kosten die daarmee samenhangen geheel voor vergoeding in aanmerking komen.

Het Hof heeft – alles in aanmerking genomen – te weinig aanwijzingen om aan te nemen dat er bij meer dan 25% van de betonelementen schade is als gevolg van een beschadiging in de zin van de polis. Voor abstracte berekening van schade is geen plaats. Het Hof wijst daarom de schade toe tot een bedrag van 25% van de gevorderde hoofdsommen, te vermeerderen met rente.

Robert Lonis, Advocaat


Tekortschieten adviseur

15-10-2018

Tekortschieten adviseur en (gevolgen van) volledige ontbinding overeenkomst


Smartnewz 2018/5312
Een stel runt een praktijk waarin orthomoleculaire behandelingen plaatsvinden. Zij geven opdracht aan een derde, met wie een vriendschappelijke band bestaat, om hun administratie te verzorgen. De opdracht omvat mede de aangiften vennootschapsbelasting, omzet‐, loon en inkomstenbelasting, de administratie en de jaarcijfers. Over een periode van vier jaren betaalt de vennootschap aan de man € 150.928,‐. De belastingdienst kondigt een boekenonderzoek aan naar de administratie. Uit de rapporten van de belastingdienst blijkt dat ten onrechte hypotheekaftrek is genoten voor een woning in Frankrijk, verbouwingskosten van een woning zijn in de zakelijke rekening‐courant geboekt, verschillende privé‐uitgaven zijn ten onrechte als zakelijke uitgaven verwerkt. De belastingdienst legt aan de vennootschap en de vrouw boetes op tot € 16.260,‐ respectievelijk € 3.064,50. Zij (feitelijk de vennootschap) ontbinden daarop de opdracht (volledig) en spreken de administrateur aan op terugbetaling van € 150.000,‐. Ook vorderen zij (in rechte) schadevergoeding tot een bedrag van € 55.671,‐. Dit betreft enerzijds de boete aan de vennootschap en anderzijds € 39.411,‐ aan adviseurskosten voor het op orde brengen van de administratie ten behoeve van de belastingdienst. De administrateur vordert zijnerzijds terugbetaling van een tweetal (€ 17.000,‐ respectievelijk € 13.500,‐) geldleningen. Er liggen uiteindelijk vijf zaken ter beoordeling voor aan de Rechtbank. De administrateur verweert zich door te stellen dat hij onjuist werd geïnformeerd, terwijl hij erop vertrouwde voldoende en correct te zijn geïnformeerd.

De Rechtbank oordeelt dat voor ontbinding voldoende is dat op basis van de stellingen van partijen en het gevoerde verweer vaststaat dat sprake is van een tekortkoming in de nakoming van een overeenkomst. Partijen dienen zich te gedragen als goed opdrachtnemer en goed opdrachtgever. De administrateur liet na een schriftelijke bevestiging te vragen van de belastingdienst van een gestelde afspraak ter zake de Franse woning, daarmee schond hij zijn zorgplicht. Voor het overige is zijn verweer niet voldoende onderbouwd. Het argument dat zakelijke en privé uitgaven door elkaar liepen kan hem evenmin baten. Hij boekte op basis van het kasstelsel en heeft omschrijvingen op facturen genegeerd. Kosten zijn foutief in de administratie verwerkt. De consequenties daarvan kunnen zeer ingrijpend zijn.

Ook wist de administrateur dat de verbouwing van een woning geen zakelijk karakter had. Het tekortschieten staat volgens de Rechtbank afdoende vast en honoreert de ontbinding. Partijen zijn daardoor gehouden reeds ontvangen prestaties ongedaan te maken. De keuze voor volledige ontbinding, waartegen de administrateur niet stelt dat de tekortkoming deze vorm van ontbinding niet rechtvaardigt, leidt tot de slotsom dat het voldane bedrag (verminderd met een correctie voor werkzaamheden die door een derde zijn uitgevoerd) van € 111.863,89 dient te worden terugbetaald. De schadevergoeding is voor wat de boete betreft toewijsbaar.De kosten van de adviseur van bijna 40 duizend niet, dit vanwege de keuze voor volledige ontbinding. Als gevolg daarvan is de administrateur van zijn verplichtingen bevrijd. De overeenkomst van geldlening bepaalt niet op welk tijdstip het geleende geld terug moest worden gegeven. In dat geval moet het geld op eerste aanvraag en alsdan terstond op grond van artikel 6:38 BW worden voldaan. De stelling dat de overeenkomst van geldlening is geantedateerd doet niet af aan de verschuldigdheid van het bedrag en de overeengekomen rente. Door ondertekening levert het contract dwingend bewijs op. Het aangekondigde boekenonderzoek is onvoldoende om aan te nemen dat daarin misbruik van omstandigheden is gelegen. Evenmin blijkt van enige discussie over rente of bedragen ten tijde van het tekenen. De geldleningen dienen, vermeerderd met rente, te worden voldaan. De Rechtbank oordeelt aldus dat over en weer de nodige bedragen, te vermeerderen met rente en kosten, betaald moeten worden.

Robert Lonis, Advocaat


Help! Mijn bedrijf groeit!

15-10-2018

Uitnodiging kleinschalige dialoogsessie voor groeiende ondernemers in Almere

Werk je als ondernemer keihard met je team aan de groei van je bedrijf? Dat kan soms gepaard gaan met groeistuipen. Soms moet je dan even uit de waan van de dag te stappen en met een frisse blik naar je business kijken. Daardoor vergroot je de kans dat je zicht krijgt of dit zich ook vertaalt naar waardegroei EN hoe je daarop zelf de regie kunt nemen.
Tijdens de dialoogsessie “Help!! Mijn bedrijf groeit!!”, ga je samen met andere ondernemers aan de slag.

Herken je jezelf in het volgende?
•         Jouw bedrijf is al meer dan 3 jaar actief
•         Je werkt keihard  met een team van minimaal 3 werknemers in loondienst
•         Je bent gevoelig voor groei kansen
•         Je onderschrijft het motto: delen is het nieuwe vermenigvuldigen
•         Jouw bedrijf is gevestigd in Almere

Dan nodigen wij je van harte uit voor onze dialoogsessie op 5 november a.s.

Wat kun je verwachten?
Na de nodige dosis kennis en inspiratie, ga je samen met de andere deelnemers in dialoog en aan de slag met jouw groeikansen en mogelijkheden. Je  verlaat de sessie met handige tips, nieuwe contacten en jouw call to actionplan.  Drs. Karin Kleingeld van Next level MKB is de host van de dialoogsessie. Aansluitend is er een netwerkborrel.

 Locatie
Okkerse & Schop Advocaten

Wanneer
Maandag 5 november van 16.00 uur (inloop vanaf 15.30uur) tot 18:15 uur. Aansluitend is er een netwerkborrel met een hapje.

Kosten
Aan de deelname zijn geen kosten verbonden

Programma en Aanmelden  
De dialoogsessie is kleinschalig van opzet met een beperkt aantal deelnemers aan de tafels.
Je kan je aanmelden via het e-mailadres; Kenniscentrum-Bedrijfsfinanciering@almere.nl

Organisatie
De dialoogsessie ““Help!! Mijn bedrijf groeit!!””wordt georganiseerd door het Kenniscentrum Bedrijfsfinanciering in samenwerking met Rabobank Almere en Okkerse & Schop Advocaten.





Gratis juridisch spreekuur voor ZZP-ers

15-10-2018
Denk jij hier wel eens over na:

  • Wat moet er in een goede overeenkomst staan?
  • Geldt de AVG ook voor mij?
  • Hoe registreer ik mijn merk?
  • En meer interessante vragen…..

Ben jij een nieuwsgierige ZZP-er die hier meer over wil weten? Maar vraag je je af wat dat allemaal gaat kosten bij een advocatenkantoor? Dan hebben wij speciaal voor jou, ZZP-er in Almere, een goed plan:

Op vrijdag 26 oktober kun je met al je vragen terecht op ons GRATIS juridisch inloop spreekuur op het kantoor van Okkerse & Schop Advocaten in Almere. Tijdens een kop koffie bespreken we je vragen en proberen we in het kort antwoord te geven zodat je weer vooruit kan. Dit is geheel gratis en vrijblijvend. Wil je toch wat dieper op de zaken in gaan? Dan plannen we daarna graag een langere afspraak en zullen we je gelijk laten weten welke kosten hieraan verbonden zijn.

Goed plan? Mooi!  Wel even aanmelden graag zodat je niet voor niks komt!
Stuur ons een mail via advocaten@okkerse-schop.nl onder vermelding van “goed plan” of bel ons op: 036  5346220. Vraag naar Cathy of Jihad.

Graag tot vrijdag 26 oktober!


Interen op vermogen

05-10-2018

Vermogensbeheerder dient indringend te waarschuwen tegen het risico van interen op vermogen


SmartNewz 2018:25
Tussen een vermogensbeheerder en een klant loopt al geruime tijd een procedure. In (inmiddels) het vijfde tussenarrest is de vraag geformuleerd of de samenstelling van de portefeuille en het gevoerde beleggingsbeleid geschikt waren voor het realiseren van een cashflow van 4% per jaar voor het genereren van inkomen én vermogensbehoud. Een vermogen van ruim € 1.7 miljoen was in beheer gegeven. De rapportage van een eerste deskundige beantwoordt de gestelde vragen onvoldoende. Er wordt een tweede deskundige benoemd. Deze stelt dat vanwege grote fluctuaties de betreffende periode niet als regulier is aan te merken. Er werden twee opdrachten verstrekt: vermogensbehoud en realiseren van een direct (relatief hoog) inkomen. Afzonderlijke onderdelen van de portefeuille beoordeelt de deskundige als onvoldoende, mede in verband met de daarmee gemoeide risico’s en de gerealiseerde resultaten. Op de door het Hof gestelde vragen antwoordt de deskundige daarom deels ontkennend. De deskundige merkt voor het overige nog op dat kenbaar is gemaakt dat – om een hoger rendement te kunnen halen – er meer risico diende te worden gelopen. De vermogensbeheerder beroept zich op eigen schuld aan de zijde van de klant en stelt voorts dat ook de tweede deskundige de vragen niet (volledig) beantwoordde.

Het Hof oordeelt dat in het tweede deskundigenrapport op inzichtelijke en consistente wijze uiteen is gezet wat de werkwijze van de deskundige was en op welke gronden zijn bevindingen steunen. De deskundige beoordeelde aldus of de samenstelling van de beleggingsportefeuille naar de destijds bekende kennis en verwachtingen van de financiële markten geschikt was voor de door de klant aan de vermogensbeheerder verstrekte beleggingsopdracht. Het Hof neemt de conclusie van de deskundige dat dit ten dele onvoldoende was over. Dit betekent dat de samenstelling van de portefeuille en het gevoerde beleggingsbeleid ten dele niet overeenkomstig de door de klant aan de vermogensbeheerder verstrekte opdracht was en dat de vermogensbeheerder in zoverre toerekenbaar tekort is geschoten in de uitvoering van de overeenkomst. De vermogensbeheerder is aansprakelijk voor de als gevolg daarvan door de klant geleden schade. Het Hof kan die schade zelf begroten, een verwijzing naar de schadestaatprocedure is niet nodig. Het Hof begroot de schade op € 190.000,‐. Het beroep op eigen schuld passeert het Hof.

Hoewel de klant zelf had kunnen berekenen dat er meer werd onttrokken dan het overeengekomen doelinkomen heeft het Hof niet vast kunnen stellen dat er ooit indringend is gewaarschuwd voor het risico van het interen op het eigen vermogen. Dat mag wel worden verwacht in het geval van een vermogensbeheerrelatie. Deze omstandigheid vormt om die reden geen aanleiding om de schadevergoedingsplicht van de vermogensbeheerder te verminderen. Omdat aannemelijk is dat enige kosten zijn gemaakt ter voldoening buiten rechte wijst het Hof een bedrag van € 2.500,‐ aan buitengerechtelijke kosten toe. De vermogensbeheerder veroordeelt het Hof in de kosten van de procedure. Het Hof vernietigt dan ook het vonnis waarvan beroep.

Robert Lonis, Okkerse & Schop Advocaten


De UBO; vanaf 1 juni 2018 een nieuwe definitie

28-09-2018

De UBO (Ultimate Beneficial Owner) is de uiteindelijke natuurlijke persoon die het stemrecht, het economische belang of de zeggenschap in een entiteit heeft. Het UBO-begrip is vastgelegd in de Europese regelgeving en Nederland had de wijzigingen al uiterlijk 26 juni 2017 in wetgeving moeten implementeren. Nederland implementeert nu de nieuwe definitie in de gewijzigde Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) en in het Uitvoeringsbesluit Wwft 2018. Daarnaast zal naar verwachting in 2019 de Handelsregisterwet worden aangepast. In het Handelsregister zal de (pseudo-)UBO ingeschreven worden per entiteit en gedeeltelijk zullen deze gegevens openbaar worden. Om de in het Handelsregister opgenomen gegevens zo actueel mogelijk te houden, geldt voor Wwft-instellingen (verzekeraars, advocaten, notarissen, banken, belastingadviseurs etc.) dat een terugmeldingsplicht wordt gecreëerd. Deze instellingen zullen dan zelfstandig het Handelsregister op de hoogte moeten brengen indien zij menen dat een bepaald gegeven in de UBO registratie onjuist of onvolledig is.

Kort gezegd is de UBO altijd een natuurlijk persoon én is het degene die het uiteindelijk voor het zeggen heeft in een juridische entiteit ofwel gerechtigd is tot een bepaalde omvang van de omzet van deze juridische entiteit. Met betrekking tot de UBO definitie kunnen twee belangrijke wijzigingen worden geconstateerd:

  1. De grens van 25% van het belang in een entiteit wordt nu gezien als een indicatie om aan te nemen dat iemand kwalificeert als UBO en niet langer als grens.
  2. Er wordt een pseudo-UBO geïntroduceerd. Vanaf 1 juni 2018 heeft iedere juridische entiteit namelijk verplicht een UBO. Soms kan echter niet de ‘echte’ UBO worden gekwalificeerd. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij een verspreid aandelenbezit. Indien hiervan sprake is zal een hogere leidinggevende als pseudo-UBO moeten worden aangewezen. Een hoger leidinggevende kan zijn een statutair bestuurder van een rechtspersoon of een vennoot van een personenvennootschap.
Ratio van de wijzigingen is dat misbruik van het financiële stelsel moet worden voorkomen. Door het inzetten van rechtspersonen (al dan niet door het inzetten van een katvanger) kan worden gepoogd de herkomst van (financiële) middelen te verhullen. De UBO kan dan niet direct in beeld zijn. Met de aangescherpte wetgeving wordt beoogd dat verder te voorkomen. De wetgever acht het daarom noodzakelijk de UBO te achterhalen om inzicht te krijgen in de natuurlijke personen die gelden of andere middelen in het economisch verkeer brengen.

Naar verwachting zal ook u vanaf 2019 de UBO van uw entiteit moeten registreren bij het Handelsregister. Heeft u hier vragen over? Neem dan contact op met onze sectie ondernemingsrecht voor advies.

mr. M. (Mariska) Zentveldt, september 2018


Goedkoop is duurkoop

28-09-2018

Misbruik van faillissementsrecht door bestuurders van een vennootschap


Het doen van een eigen aangifte tot faillietverklaring is voor bestuurders vaak een moeilijke en pijnlijke beslissing. De van nature veelal positief en ondernemend ingestelde bestuurder moet dan immers onder ogen zien dat de vennootschap waarin hij lief en leed heeft gestopt, geen bestaansrecht meer heeft. Toch zijn er –helaas– ook bestuurders die de mogelijkheid om zelf het faillissement van de vennootschap aan te vragen zien als een goedkope manier om van een duurovereenkomst, zoals bijvoorbeeld een arbeidsovereenkomst, af te komen. In faillissement gelden immers andere regels. Zo zijn in faillissement de reguliere ontslagregels niet integraal van toepassing. Het verbod om een arbeidsongeschikte werknemer te mogen ontslaan, geldt in faillissement niet. Een curator kan daardoor toch een einde maken aan een arbeidsrelatie met een arbeidsongeschikte werknemer. Een arbeidsongeschikte werknemer die op deze manier werd ontslagen, nam daarmee geen genoegen en stapte naar de rechter.
 
Wat was er aan de hand?
De betreffende werknemer heeft vanaf 1988 als spuiter/bedrijfsleider voor vennootschap X gewerkt. Begin 2014 heeft het bestuur van vennootschap X zowel voor de werknemer als voor de enige andere werknemer in het bedrijf een ontslagvergunning bij het UWV aangevraagd. Het UWV heeft geoordeeld dat er een bedrijfseconomische noodzaak was voor ontslag. Echter doordat de werkgever geen berekening aan de hand van het afspiegelingsbeginsel heeft overgelegd, heeft het UWV niet kunnen vaststellen of de betreffende werknemer terecht voor ontslag is voorgedragen. Het UWV heeft de gevraagde ontslagvergunning geweigerd. Het UWV heeft overigens ook de gevraagde ontslagvergunning voor de andere werknemer geweigerd. De arbeidsovereenkomst van de werknemer duurde daardoor voort.

In juni 2014 heeft de werknemer zich ziek gemeld. Omdat de werknemer niet zijn volledige salaris ontving, heeft hij in kort geding betaling daarvan gevorderd. Op dezelfde dag waarop de loonvordering van de werknemer werd toegewezen, werd de vennootschap op eigen aanvraag in staat van faillissement verklaard. Dat faillissement werd ruim een jaar later opgeheven bij gebrek aan baten. De werknemer bleef aldus met lege handen achter.

De werknemer heeft het daar niet bij laten zitten. Hij heeft onder andere de (middellijk) bestuurders in privé aangesproken. De werknemer heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat zij misbruik hebben gemaakt van het recht om het faillissement van vennootschap X aan te vragen, omdat het faillissement is aangevraagd met het enkele, althans hoofdzakelijke doel om (de arbeidsongeschikte) werknemer te lozen en de activiteiten van vennootschap X op de oude voet te kunnen voortzetten in een andere vennootschap. Het doel, dan wel hoofdzakelijke doel, is geweest om via het faillissement de ontslagregels te omzeilen. De werknemer heeft gesteld dat hij door de handelswijze van de bestuurders schade heeft geleden, bestaande uit (onder andere) zijn inkomensverlies.

Wat heeft de rechter geoordeeld?
Hoewel de werknemer in eerste instantie bot ving, werden de bestuurders door het gerechtshof wel veroordeeld tot betaling aan de werknemer. Het gerechtshof heeft in zijn arrest inzichtelijk gemaakt dat er sprake kan zijn van misbruik van faillissementsrecht indien de failliet de betalingsonmacht heeft gearrangeerd/georkestreerd. Ook heeft het gerechtshof een aantal indicatoren genoemd die erop kunnen wijzen dat sprake is van misbruik van faillissementsrecht. Die indicatoren zijn:

a. de onderneming vraagt haar eigen faillissement aan;

b. de financiële noodzaak – indien aanwezig – vloeit (onder meer) voort uit een overschot aan personeel;

c. de aanvraag van het faillissement vindt plaats kort nadat ontslagvergunningen of collectief ontslag zijn geweigerd of kort na het intrekken van ontbindingsverzoeken;

d. op het moment van de faillietverklaring ligt reeds een uitgebreid plan voor doorstart klaar;

e. de bedrijfsactiviteiten van de onderneming worden voortgezet in een andere rechtspersoon of personenvennootschap door de bestuurders of verwante rechtspersonen of er zijn op andere wijze nauwe banden tussen de verkrijger en de vervreemder;

f. de verkrijger wil de onderneming alleen in afgeslankte vorm overnemen.

Bij de beoordeling van de vraag of de indicatoren aanwezig zijn, dient te worden uitgegaan van de zogenaamde ruime leer: ook als de financiële situatie aanleiding geeft tot aangifte van het faillissement kan er sprake zijn van misbruik van bevoegdheid.

Het gerechtshof komt na weging van de feiten en omstandigheden tot het oordeel dat de bestuurders de resultaten van vennootschap X in substantiële mate negatief hebben beïnvloed. Bovendien, zo heeft het gerechtshof geoordeeld, hebben alle vermelde indicatoren zich in het onderhavige geval voorgedaan. Het gerechtshof heeft het aannemelijk geacht dat het verlies van arbeidsrechtelijke bescherming door het faillissement van vennootschap X het uitsluitende of hoofdzakelijke doel is geweest van de faillissementsaanvraag van vennootschap X. Van deze handelswijze kunnen de bestuurders een persoonlijk ernstig verwijt worden gemaakt. Het gerechtshof heeft de bestuurders dan ook veroordeeld tot vergoeding van de schade die de werknemer hierdoor heeft geleden.

Twijfelt u of er sprake is van faillissementsfraude? Neem dan contact op met ons kantoor. Wij beantwoorden uw vragen graag.

mr. Elsa Bruggink, september 2018


Schade na joyriding

27-09-2018

Schade na joyriding; sleutel hoeft niet stelselmatig achter slot en grendel om dekking te houden


SmartNewz  2018/7923
Een man leaset een bestelauto bij Autolease Company. Via een tussenpersoon loopt bij ASR een beperkte casco verzekering. De polis vermeldt dat ASR voor 30% risicodrager is. Bij het voertuig hoort een drietal sleutels. De man heeft zelf een sleutel, een sleutel is in bezit bij een meerderjarige zoon, een sleutel is opgeborgen in een la in de werkkamer van de man.
Een minderjarige zoon neemt op een dag de reservesleutel weg en gaat uit rijden. Hij heeft geen toestemming van zijn vader, die lag te slapen. Er vindt een ongeval plaats, het voertuig raakt daarbij total‐loss. De man doet aangifte van diefstal. Bij de aangifte meldt hij dat zijn zoon nooit zijn toestemming heeft gekregen om het voertuig mee te nemen. De polis bepaalt dat in geval van joyriding en diefstal geen dekking bestaat als de verzekerde niet de normale voorzichtigheid betracht om dat te voorkomen. Deze uitsluiting geldt niet als de verzekerde aantoont dat omstandigheden zich buiten zijn medeweten en wil om voor hebben gedaan en hem dat redelijkerwijze niet kan worden verweten. De minderjarige zoon had eerder één keer een auto meegenomen en is daarvoor gestraft, waarna het niet weer voor is gekomen. ASR weigert dekking te verlenen.

De man vordert vergoeding van zijn schade, te weten een bedrag van € 26.373,30. De leasemaatschappij bracht dit bedrag bij hem in rekening conform het door een expert vastgestelde schadebedrag. Door ASR is, om kosten te besparen, in dit geval geen eigen onderzoek naar de omvang van de schade ingesteld, de dekking werd direct afgewezen. ASR stelt dat de man niet voldoende zorgvuldig is geweest in het voorkomen van joyriding. De sleutel lag niet achter slot en grendel, maar in een la in een kamer. Bovendien, zo stelt ASR, was de man bekend met de eerdere actie van zijn zoon, zodat hij bedacht had moeten zijn op het risico van joyriding. De Rechtbank overweegt dat de sleutel in een la en daarom niet voor het grijpen lag. De zoon was het niet toegestaan om in de werkkamer te komen, bovendien wist hij op voorhand niet waar de sleutel lag. De eerdere baldadige actie van de zoon was bestraft en het betrof een eenmalig incident onder niet vergelijkbare omstandigheden. Ook overweegt de Rechtbank dat een sleutel niet steeds achter slot en grendel hoeft te worden opgeborgen. De Rechtbank acht de man in het leveren van bewijs, mede op grond van het (na vertaling van diens verklaring gewijzigde) proces‐verbaal van aangifte van de man, geslaagd.

Niet in geschil is dat het rijden door de minderjarige zoon als joyriding kwalificeert. ASR dient derhalve dekking te verlenen onder de polis. Wel volgt de Rechtbank ASR in het verweer dat ASR slechts ten dele, te weten voor 30%, is aan te spreken nu uit het polisblad voortvloeit dat voor het overige deel andere verzekeraars zijn aan te spreken. Dat heeft de man in deze procedure ten onrechte niet gedaan. De rechtbank veroordeelt ASR tot vergoeding van € 7.911,99, te vermeerderen met wettelijke rente. De eveneens gevorderde buitengerechtelijke kosten wijst de Rechtbank als niet voldoende onderbouwd af.

Robert Lonis


Deelbetaling

18-09-2018

Geen erkenning van verschuldigdheid van meer dan hetgeen is betaald


SmartNewz AR2018/3113
Meer dan tien jaar geleden verkoopt een man een auto aan een ander. Kennelijk betaalt de koper een bedrag van in totaal € 11.000,‐ in delen en over een langere periode. De verkoper stelt dat de koopprijs € 30.000,‐ bedroeg en vordert bij de Kantonrechter betaling van het restantbedrag. Op grond van artikel 6:44 BW dient het ontvangen bedrag van € 11.000,‐ eerst in mindering te strekken op kosten en rente en tenslotte op de hoofdsom. De koper beroept zich op verjaring en betwist dat de man een vordering op hem heeft. Ook betwist hij dat de ontvangst van betalingen – voor zover door hem verricht – uit de in de procedure afgelegde verklaringen niet kan worden afgeleid dat daardoor enige verjaringstermijn is gestuit. Ook blijkt uit niets dat met de betalingen niet al werd voldaan aan hetgeen waar de man recht op meende te hebben. De man stelt dat uit verklaringen blijkt dat telkens op een zodanig tijdstip betalingen zijn verricht dat daardoor een eventuele verjaring is gestuit. In eerste aanleg honoreert de Kantonrechter het verjaringsverweer en wijst de vorderingen af. Daarbij veroordeelt de Kantonrechter de man ook in de proceskosten. Van het vonnis van de Kantonrechter komt de man in Hoger Beroep.

 Het Hof overweegt dat de verkoper zich beroept op stuiting van de verjaring op grond van het bepaalde in artikel 3:318 BW. Het Hof moet daarom beoordelen of de gestelde deelbetalingen opgevat kunnen worden als een erkenning van de vordering van de verkoper. Een deelbetaling houdt in het algemeen, behoudens bijzondere omstandigheden, niet de erkenning in van meer dan wat daadwerkelijk is betaald. Het Hof verwijst naar het arrest van de Hoge Raad van 10 december 1993, NJ 1994/190 . Dat zal anders kunnen zijn wanneer aan de deelbetaling correspondentie over een hoger, in termijnen te betalen, bedrag is voorafgegaan en het betaalde bedrag gelijk is aan een in die correspondentie genoemd termijnbedrag. Niet blijkt dat daarvan in dit geval sprake is. Evenmin blijkt van andere bijzondere omstandigheden. Erkenning, en daarmee stuiting van de verjaring in de zin van artikel 3:318 BW, van de gevorderde hoofdsom kan volgens het Hof daarom niet worden aangenomen. Een door de verkoper verzonden brief is te laat verzonden en kan de man daarom niet baten. Volgens de verkoper heeft hij, ook al is de vordering verjaard, geld tegoed van de koper. Om die reden meent de man dat de koper alsnog in de proceskosten veroordeeld moet worden. Het Hof overweegt dat de Kantonrechter de vordering vanwege de verjaring terecht afwees. Als gevolg daarvan komt de Kantonrechter niet meer toe aan behandeling van overige verweren. Daarmee staat niet vast dat de man geld van de koper te vorderen heeft. Het Hof concludeert dat de Kantonrechter de man terecht in de proceskosten veroordeelde omdat hij in de procedure in eerste aanleg ongelijk kreeg. Het Hof bekrachtigt het vonnis waarvan beroep en veroordeelt de man ook in de kosten van het geding in Hoger Beroep. Het Hof gaat voorbij – gezien de overwegingen ‐ aan een gedaan bewijsaanbod, nu bewijslevering niet tot een ander oordeel zal kunnen leiden.

Robert Lonis, Okkerse & Schop Advocaten


Varkenshouder gemangeld door politiek

03-09-2018


Smartnewz AR 2018/4566
Een echtpaar voert in de vorm van een maatschap een varkenshouderij. Zij hebben twee zoons die op enig moment in de maatschap treden. Varkensrechten worden in de maatschap ingebracht. In verband met gewenste planologische ontwikkelingen elders, beoogt de gemeente de varkenshouderij te verplaatsen naar een duurzame vervangende locatie. Dit is in lijn met een provinciale beleidsregeling. De zittende gemeenteraad is, zo wordt later verklaard, unaniem voorstander van wijziging van het bestemmingsplan. De familie sluit een overeenkomst teneinde de oude locaties te sluiten en te slopen. De koopsom beloopt € 2.015.168,‐ Het plan is om vervolgens op een nieuwe locatie een varkensstal te realiseren. Deze locatie koopt men aan voor € 800.000,‐, waarna diverse trajecten worden ingezet om benodigde vergunningen (milieu, welstandscommissie etc) te verkrijgen. Een en ander lijkt in kannen en kruiken. Inmiddels haalt de minister van LNV het besluit tot registratie van de overdracht van varkensrechten door. De toenmalige wederpartij zou daar niet over hebben kunnen beschikken en dus ook niet hebben kunnen overdragen. De aanvraag van diverse vergunningen wordt – in afwachting van ontwikkelingen – even geparkeerd. De Rabobank heeft als gevolg van het intrekken van de varkensrechten een rem gezet op de financieringsbereidheid van de verplaatsing. Na een bestuursrechtelijke procesgang verklaart het College voor Beroep en Bedrijf het door de maatschap ingestelde beroep gegrond. In de maatschappij leeft dan de Q‐koorts discussie op. Bij de gemeenteraadsverkiezingen komen partijen in de raad die beduidend minder op hebben met de varkenshouderij. De nieuwe coalitie stelt het aangepaste bestemmingplan vast, maar zonder het hoofdstuk over de beoogde locatie. De ouders zijn inmiddels uit de maatschap getreden.

De zoons stellen de Staat aansprakelijk voor schade, waaronder gederfde winst, geleden door de onrechtmatige doorhaling van de varkensrechten. Zij stellen dat als gevolg van de doorhaling de financiering stokte en dat daardoor plannen die zeker goed zouden zijn gekeurd door de oude coalitie, nadien zijn gesneuveld. Zij vorderen afzonderlijk € 1.008.443,‐ dan wel (voorwaardelijk) vanwege de maatschap € 1.446.734,67, met de gebruikelijke nevenvorderingen. De grondslag is onrechtmatig handelen en schending van artikel 1 van het eerste protocol van het EVRM. De rechtbank oordeelt dat vaststaat dat de doorhaling van de varkensrechten onrechtmatig was. Voor aansprakelijkheid van de staat is vereist dat causaal verband tussen schade en het onrechtmatig handelen vast komt te staan. Voorts oordeelt de rechtbank dat de zoons niet, maar de maatschap wel vorderingsgerechtigd is. Het is verder aan de maatschap, bij inhoudelijke  betwisting door de Staat, om aan te tonen dat het causaal verband aanwezig is. Voldoende aannemelijk is dat de Rabobank bereid was te financieren indien de varkensrechten niet zouden zijn ingetrokken. Onvoldoende aannemelijk is echter dat onder de gestelde omstandigheden de plannen voor de nieuw te realiseren varkensstal zonder slag of stoot door de gemeenteraad zouden zijn geloodst en goedgekeurd. De rechtbank neemt daarbij in overweging dat een bestuursrechtelijke procedure, gelet op de naar voren gebrachte realistisch te achten bezwaren, tenminste 17 maanden zouden hebben gevergd. De rechtbank overweegt voorts dat de destijds bestaande bezwaren tegen Mega‐stallen en de Q‐koorts discussie tot een andere opstelling van de gemeenteraad leidde. De rechtbank acht het daarom waarschijnlijk dat de oude plannen niet zouden worden goedgekeurd, waarbij er in redelijkheid niet van kon worden uitgegaan dat de zoons alsnog snel de beschikking zouden hebben gehad over een onherroepelijke bouw‐ en milieuvergunning. De rechtbank concludeert dat ook als er geen doorhaling van de varkensrechten zou hebben plaatsgevonden en een verzoek om een wijziging van het bestemmingsplan tijdig zou zijn ingediend, het nog zeer onzeker was dat een voor de maatschap gunstige bestemmingsplanwijziging zou zijn doorgevoerd en de benodigde vergunningen zouden zijn verleend. Daarmee ontbreekt het vereiste conditio sine qua non‐verband voor aansprakelijkheid van de Staat, de rechtbank wijst de vorderingen af.

Robert Lonis, Okkerse & Schop Advocaten


Rechter oordeelt over de AVG en het personeelsdossier

23-08-2018
In een uitspraak van 25 juli jl. kwam de vraag aan de orde of de AVG van toepassing is op het personeelsdossier. De kortgedingrechter kwam (terecht) tot de conclusie dat het antwoord op die vraag bevestigend luidt.

De AVG is van toepassing op de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens, en ook op de verwerking van persoonsgegevens die in een bestand zijn of worden opgenomen. Van een geautomatiseerde verwerking is bijvoorbeeld sprake als er wordt gewerkt met een online-database of als er documenten worden opgeslagen op de computer. Als van geautomatiseerde verwerking geen sprake is, zal beoordeeld moeten worden of de persoonsgegevens in een bestand zijn opgenomen. Van een bestand in de zin van de AVG is sprake als de persoonsgegevens een gestructureerd geheel vormen dat volgens bepaalde criteria toegankelijk is. Een “gestructureerd geheel” houdt in dat de verzameling van de gegevens op grond van meer dan één kenmerk een onderlinge samenhang vertoont.  

De rechter kwam in genoemde uitspraak tot de conclusie dat een personeelsdossier meerdere kenmerken bevat die met elkaar samenhangen. Om deze reden oordeelde de rechter dat het (niet geautomatiseerde) personeelsdossier is aan te merken als ‘bestand’ en dat de AVG daarom van toepassing is op het (niet geautomatiseerde) personeelsdossier. Dit brengt bijvoorbeeld met zich mee dat werkgevers er op grond van de AVG voor moeten zorgen dat zowel het geautomatiseerde als het niet geautomatiseerde personeelsdossier niet méér gegevens bevat dan noodzakelijk is, dat de gegevens niet langer worden bewaard dan dat nodig is én dat het personeelsdossier goed is beveiligd. Daarnaast moet de werkgever de eigen werknemers (o.a.) wijzen op hun rechten, zoals bijvoorbeeld het inzagerecht.

Heeft u vragen over de verplichtingen die voortvloeien uit de AVG voor uw personeelsadministratie? Neem dan contact op met onze sectie privacy voor advies.  

mr. S. (Sanne) Kleerebezem, augustus 2018


14 september 2018: Dag van de Scheiding

23-08-2018

Uit cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) blijkt dat één op de drie getrouwde stellen gaat scheiden. Voor de Nederlandse vereniging van Familierecht Advocaten Scheidingsmediators (vFAS) was dit in 2010 de aanleiding om een speciale dag in het leven te roepen: de ‘Dag van de Scheiding’. Dit jaar vindt deze dag plaats op vrijdag 14 september. Het motto van de vFAS is ‘uit elkaar, met respect voor elkaar’.

Het verbreken van een relatie heeft verstrekkende gevolgen. Niet alleen emotioneel maar ook financieel, fiscaal en praktisch. Het is belangrijk om in een roerige tijd van een echtscheiding te worden bijgestaan door iemand die persoonlijk betrokken en vakbekwaam is. Dan bent u bij ons kantoor aan het juiste adres. Er is veel specifieke kennis binnen het kantoor gericht op de zelfstandig ondernemer, kennis die door de echtscheidingsadvocaten ingezet kan worden. Daarnaast hebben onze echtscheidingsadvocaten een groot netwerk van accountants, fiscalisten en notarissen, in en rondom Flevoland, aan wie advies gevraagd kan worden of naar wie u doorverwezen kunt worden.

De scheidingscheck die u tijdens de ‘Dag van de Scheiding’ kunt laten uitvoeren, biedt inzicht in keuzes die u maakt in specifieke scheidingssituaties. Ook krijgt u dankzij de check en het advies van onze advocaat-scheidingsmediator een beter besef van de gevolgen van bepaalde beslissingen ten tijde van scheiding.

Op vrijdag 14 september bent u van 9:00 tot 18:00 uur welkom op ons kantoor in Almere om gratis informatie in te winnen over zaken die met echtscheiding of met het verbreken van een relatie te maken hebben. Daarbij kunt u denken aan de verdeling van de gemeenschap van goederen, verrekening van huwelijkse voorwaarden, het opstellen van een ouderschapsplan (inclusief de zorgverdeling en de kinderalimentatie), partneralimentatie, pensioen, de woning, een eigen onderneming etc. Uiteraard kunt u ook samen komen of een derde meenemen.

Op ons kantoor kunt u terecht bij mr. Marleen Falkena. Wij verzoeken u om u van tevoren aan te melden en uw voorkeur voor een tijd aan te geven. Afspraken worden elk heel uur ingepland. U kunt een mail sturen aan advocaten@okkerse-schop.nl. Een afspraak duurt maximaal 45 minuten. Indien gewenst kunnen we uiteraard een vervolgafspraak maken om u verder goed te kunnen adviseren.

Voor meer informatie over de dag van de scheiding verwijzen wij u naar: https://www.verder-online.nl/dagvandescheiding


Compensatie transitievergoeding zieke werknemers

20-08-2018

Wij vragen uw aandacht voor het volgende.

Er is een definitieve regeling over de compensatie van de transitievergoeding bij beëindiging van arbeidsovereenkomsten met langdurig zieke medewerkers.

Nadat op 5 juli jl. het wetsvoorstel al door de Tweede Kamer als hamerstuk was aangenomen, heeft op de laatste dag vóór de ingang van het reces de Eerste Kamer het wetsvoorstel over de compensatie Transitievergoeding Zieke Werknemers als hamerstuk afgedaan. 

Op grond van de gewijzigde wettekst treedt de regeling op 1 april 2020 in werking. De werkgever dient binnen zes maanden een aanvraag in te dienen bij het UWV. Compensatie van transitievergoedingen in de periode van 1 juli 2015 tot 1 april 2020 kunnen tot uiterlijk 1 oktober 2020 worden ingediend. Daarvoor hebben we dus nog even de tijd. Maar we willen u vast informeren over deze mogelijkheid voor wat betreft de achter ons liggende periode, maar zeker ook voor de komende tijd.

Als u dus bijvoorbeeld vorig jaar afscheid hebt genomen van een arbeidsongeschikte werknemer, nadat deze 2 jaar ziek was, dan heeft u die werknemer een transitievergoeding moeten betalen. En dat bedrag kan worden verhaald op basis van de vergoedingsregeling in deze wet.


Er wordt gewerkt aan een verlaging van de transitievergoeding, met name voor werknemers met een lang dienstverband, per 1 januari 2020, op grond van de Wet Arbeidsmarkt in Balans (WAB). 

Op deze te verwachten nieuwe wet komen we terug zodra daartoe aanleiding is.


Mocht u naar aanleiding van dit bericht vragen hebben, dan kunt u altijd contact opnemen met één van de leden van de sectie Arbeidsrecht.


Sectie Arbeidsrecht Okkerse & Schop Advocaten

Namens deze: Cees Okkerse, sectievoorzitter


Belangenorganisatie niet‐ontvankelijk, bestuursrechtelijke rechtsgang met voldoende waarborgen omkleed

16-08-2018
Smartnewz AR 2018/4297
Uit diverse internationale en nationale regelgeving vloeien voor de levensmiddelenindustrie verplichtingen voort die samenhangen met (de controle op) hygiëne en de volksgezondheid. Specifieke voorschriften voor de organisatie van officiële controles van producten van dierlijke oorsprong zijn neergelegd in EU verordening 854/2004, terwijl de Wet Dieren op nationaal niveau voorziet in het regelgevend kader voor de uitvoering van deze verplichtingen. De exploitanten van levensmiddelen‐ en diervoerderbedrijven zijn primair verantwoordelijk voor de naleving van hygiënevoorschriften. Deze zijn onder meer uitgewerkt in de Hazard Analysis and Critical Control Points procedures (HACCP). COV behartigt de belangen van bedrijven in de vlees‐ en vleesbewerkende sector in het algemeen en die van haar leden in het bijzonder. De Nederlandse Voedsel‐ en Warenautoriteit (NVWA) is belast met het toezicht op de naleving van de bij of krachtens de Wet Dieren gestelde regels en daarmee ook de bevoegde autoriteit belast met het toezicht op naleving van de communautaire regels. Deze omvatten onder meer keuringen rondom (voor en na) de slacht van dieren. Deze keuringen zijn onder meer gericht op het tegengaan/ontdekken van fecale bezoedelingen (zichtbare verontreiniging die afkomstig lijkt uit de maagdarmtractus). NVWA stelt regelmatig handhavingsprotocollen vast met daaraan verbonden een sanctiesysteem in geval van overtreding. Bij dagvaarding vordert COV verklaringen voor recht dat zowel het protocol als de daarop gebaseerde (tussen)controle wegens strijd met de levensmiddelenwetgeving onrechtmatig en daardoor onverbindend is. Ook zou een en ander strijdig zijn met Europese regelgeving en niet proportioneel zijn.

In eerste aanleg verklaart de Rechtbank COV niet ontvankelijk. Het Hof verwijst naar jurisprudentie van de Hoge Raad (Staat/Vreemdelingenorganisaties ECLI:NL:HR:2010:BM2314; Staat/Privacy First ECLI:NL:HR:2015:1296; SCAU/Universiteiten ECLI:NL:HR:2016:1049). Wanneer een met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang openstaat voor een partij wordt met het oog op een behoorlijke taakverdeling tussen de bestuursrechter en de burgerlijke rechter aangenomen dat geen taak voor de burgerlijke rechter (meer) is weggelegd. Dit geldt in het bijzonder wanneer het individu voldoende rechtsbescherming geniet, bijvoorbeeld wanneer het omstreden voorschrift eerst tot toepassing komt door een besluit dat voor bezwaar en beroep vatbaar is, behoudens de gevallen waarin een voorziening bij voorraad niet door de bestuursrechter kan worden getroffen. In gevallen waarin de rechtsbescherming van individuen is opgedragen aan de bestuursrechter, kan de enkele bundeling van hun belangen door een rechtspersoon niet ertoe leiden dat voor die rechtspersoon een beroep op artikel 3:305a BW mogelijk wordt en de gang naar de burgerlijke rechter alsnog komt open te staan, ook niet als de belangenorganisatie niet slechts opkomt voor de (gebundelde) belangen van een bepaald of bepaalbaar aantal individuele personen, maar ook voor het algemeen belang van de rechten van een grotere groep van personen die diffuus en onbepaald is. Op deze hoofdregel wordt enerzijds een uitzondering gemaakt in de situatie dat de desbetreffende rechtspersoon een eigen belang náást dat van de betrokken individuen stelt waarvan die individuen niet bij de bestuursrechter kunnen opkomen en anderzijds indien het individu rechtstreeks in zijn belang getroffen wordt door een gewraakt algemeen verbindende voorschrift. In deze kwestie staat niet ter discussie dat een met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang openstaat tegen elk concreet besluit dat op basis van het handhavingsprotocol wordt genomen. De enkele bundeling van de belangen van haar leden door COV kan er niet toe leiden dat aldus een beroep op artikel 3:305a BW mogelijk wordt en de weg naar de burgerlijke rechter alsnog open staat. Het door COV gestelde eigen belang is slechts een afgeleid belang. Het Hof bekrachtigt het vonnis van de Rechtbank.

Robert Lonis, Okkerse & Schop Advocaten


Autoriteit Persoonsgegevens (AP) controleert op verwerkingsregisters

19-07-2018
De AP heeft op 17 juli jl. aangekondigd dat er een steekproef wordt gehouden bij dertig grote organisaties uit tien private sectoren waarbij zal worden gecontroleerd of er een register van verwerkingsactiviteiten wordt bijgehouden.

Uit de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) volgt dat veel organisaties een register van verwerkingen moeten hebben. In dat register staat onder meer vermeld welke persoonsgegevens die organisaties verwerken en met welk doel zij dat doen.

Organisaties met meer dan 250 medewerkers zijn verplicht een verwerkingsregister bij te houden. Ook kleinere organisaties moeten zo’n register hebben in de volgende gevallen:
•    er worden niet uitsluitend incidenteel persoonsgegevens verwerkt,
•    er worden persoonsgegevens verwerkt met een hoog risico voor de rechten en vrijheden van betrokken personen,
•    er worden bijzondere persoonsgegevens verwerkt, zoals medische gegevens.

Vraagt u zich af of uw organisatie verplicht is een verwerkingsregister bij te houden? Neem dan contact op met onze sectie Privacyrecht.


Garantieclausule bevat geen vereiste tot schriftelijke vastlegging genormeerde controle, dekking ten onrechte geweigerd

19-07-2018

Smartnewz AR 2018/3779

Een boek‐ en kantoorvakhandel verzekert de risico’s van schade door brand bij Reaal. In de boekhandel bevindt zich een postbalie en een ING Servicepunt. De voor dat servicepunt benodigde (aanvullende) elektrische installatie legt een gecertificeerde monteur aan conform strikte voorschriften van de opdrachtgever. De verzekeringspolis bevat clausules met aanvullende bepalingen, waaronder de verplichting te voldoen aan veiligheidsnormen (NEN 1010) en tenminste eens per drie jaar een controle conform NEN 3140. Voldoet de verzekerde daar niet aan, dan is de verzekeraar niet gehouden tot vergoeding van schade, tenzij de verzekerde bewijst dat die schade niet het gevolg is van niet‐nakoming van de garanties. Binnen drie jaar na de aanleg van de (aanvullende) installatie voor het servicepunt breekt brand uit. Deze ontstaat in de meterkast. De schade beloopt volgens deskundigen € 986.152,50. Reaal weigert uitkering van de schade en stelt dat niet voldaan werd aan de in de clausules opgenomen verplichtingen. De monteur van destijds verklaart in een brief de gevolgde werkwijze, waarbij de installatie van het servicepunt en de aansluitend uitgevoerde controle van de (gehele) installatie conform genoemde NEN‐normen plaats vond, dat het in bedrijf stellen van de installatie onder strikte voorwaarden pas na visuele inspectie en metingen mocht plaatsvinden. Ook was de monteur gecertificeerd elektricien. In eerste aanleg krijgt de boekhandel gelijk en luidt het oordeel dat er dekking is onder de polis.

Het Hof oordeelt allereerst dat bij verdeeldheid over de uitleg van de betekenis van een beding, waar niet over is onderhandeld, het aankomt op objectieve factoren zoals de bewoordingen daarvan. Niet in discussie is of de installatie dient te voldoen aan de NEN‐1010‐norm en dat controle plaats dient te hebben conform NEN‐3140.
Volgens Reaal moet er van uit worden gegaan dat inspectie niet conform die norm plaatsvond omdat er niet een rapport van is opgemaakt. Uit de bewoordingen van de clausule valt evenwel niet op te maken dat een (schriftelijk) rapport vereist is. Het Hof oordeelt dat het op de weg van de verzekeraar(s) had gelegen om, als men een schriftelijk rapport verplicht had willen stellen, die verplichting uitdrukkelijk in de polisvoorwaarden op te nemen. De NEN‐3140 kent als zodanig geen schriftelijkheidsvereiste, zo bevestigde ook de eigen expert van Reaal. De stelling van Reaal dat de inspectie door de monteur niet voldoet passeert het Hof. De gedetailleerde verklaring van de monteur en de wijze waarop metingen en installatie plaatsvonden zijn afdoende om te concluderen dat Reaal haar stellingen dienaangaande onvoldoende heeft onderbouwd. Ook de omstandigheid dat de verklaring van de monteur ruimschoots na de installatie is afgelegd vormt geen aanleiding voor het Hof om de verklaring van de monteur als onbetrouwbaar aan te merken. De herinnering van de monteur blijkt uitstekend, mede vanwege de betekenisvolle opdracht waaruit de werkzaamheden voortvloeiden. Het Hof corrigeert de uitspraak van de Rechtbank wel op het punt van de toewijzing van wettelijke rente. Reaal kwam volgens het Hof pas in verzuim te verkeren nadat door de boekhandel het standpunt werd ingenomen dat de verplichte periodieke controle wel binnen de daarvoor gestelde termijn had plaatsgevonden. Bij arrest bekrachtigt het Hof dan ook het vonnis in eerste aanleg op het punt van de wettelijke rente na.

Mr. Robert Lonis, juli 2018


Opleiding aangeboden zonder vooruitzicht op diploma en titel;

12-07-2018
Smartnewz AR 2018/3629
Opleiding aangeboden zonder vooruitzicht op diploma en titel; instituut schadeplichtig, ook wegens verlies aan vrije tijd

Een man volgt aan Universiteit Nyenrode een E‐MBA opleiding. Nyenrode neemt tot uitgangspunt dat de studenten die de opleiding afronden een MBA‐titel verkrijgen. Later wordt echter bekend dat de opleiding niet is geaccrediteerd. Een diploma verkrijgen de studenten die de opleiding afronden dan ook niet. De oplossingen die Nyenrode aan de studenten biedt, kosteloos volgen van een andere MBA of restitutie van 50% van het collegegeld, passen de man niet. Hij stelt Nyenrode aansprakelijk wegens wanprestatie en onrechtmatig handelen nu aan hem na afronding van de E‐MBA geen diploma kan worden verstrekt. In rechte vordert hij betaling van € 55.913,18 aan schadevergoeding, bestaande uit collegegelden, reiskosten, gederfde loonsverhoging, lening kosten en verlies van vrije tijd. Ook vordert hij voorwaardelijk € 43.632,87 aan schadevergoeding indien hij opnieuw een MBA zal volgen en alsdan geen gebruik kan maken van afspraken die hij met zijn werkgever had over deze opleiding. De man beëindigt de opleiding voordat deze is afgerond. Nyenrode betwist niet dat de man op grond van de studieovereenkomst mocht verwachten na afronding een MBA titel te mogen voeren, wel betwist Nyenrode aansprakelijk te zijn, mede omdat niet vaststaat dat de man de opleiding met goed gevolg kon afronden. Het causaal verband tussen de tekortkoming en het niet verkrijgen van een diploma ontbreekt, aldus Nyenrode. Volgens Nyenrode was de man zeker geen briljante student en was zijn niveau onvoldoende. De man stelt het diploma te hebben willen halen met minimale inspanningen en een maximaal resultaat. Hij doet dit omdat zijn werkgever een MBA‐diploma wenselijk vindt, niet uit liefhebberij.

De Rechtbank oordeelt dat niet van de man verlangd kan worden dat – slechts om te demonstreren dat hij in staat is om de studie af te ronden – een studie afmaakt die niet tot een MBA‐diploma leidt. Onder de geschetste omstandigheden is niet aanvaardbaar dat hij van vergoeding van de schade die hij door de wanprestatie mogelijk heeft geleden verstoken blijft op de enkele grond dat niet zeker is dat hij zijn studie zou hebben afgerond. Het leerstuk van de proportionele aansprakelijkheid biedt een uitweg om deze onzekerheid schattenderwijs in de aansprakelijkheid te verdisconteren door de waarschijnlijkheid dat het diploma zou zijn behaald uit te drukken in een percentage waarvoor Nyenrode aansprakelijk is te achten. Op Nyenrode rustte een zorgplicht. De rechtbank stelt vast dat de man een goed deel van zijn studie had doorlopen en dat vertraging wegens ziekte hem niet is aan te rekenen. De Rechtbank acht het voor 90% waarschijnlijk dat de man de studie zou hebben afgerond, Nyenrode zal tot dat percentage (vergoedbaar te achten) schade dienen te vergoeden. De Rechtbank ziet aanleiding om een zekere objectivering toe te passen bij de vaststelling van de schade. Dat de man wel onderwijs heeft genoten en kennis heeft opgedaan, hetgeen hij ook laat blijken via zijn LinkedIn‐profiel, rechtvaardigt volgens de Rechtbank aan te sluiten bij een factor van 50% als toegepast in een vergelijkbare zaak die eerder bij de Rechtbank Midden‐Nederland werd beslecht. Vervolgens loopt de Rechtbank de diverse opgevoerde schadeposten langs. De Rechtbank gaat voorbij aan de berekening van Nyenrode dat de helft van het betaalde collegegeld is toe te rekenen aan de waarde van het geleverde onderwijs. Het kan niet zo zijn dat de waarde van het geleverde onderwijs afhankelijk is van de vraag of het collegegeld uit eigen zak is betaald, dan wel door de werkgever. Het is redelijk om die vergoeding toe te rekenen aan dat deel van de prestatie waarvoor wel waarde is geleverd. De rente over een door de man ten behoeve van de opleiding gesloten lening is ten dele toewijsbaar, ook de reiskosten zijn, na omslag van de factor, toewijsbaar. Nyenrode stelt dat voor vergoeding van het verlies aan vrije tijd (2678 uren) geen juridische grond bestaat. De man beroept zich op een rechtseconomische analyse van L.T. Visscher (‘Vergoeding van ‘verlies van tijd’ als ander nadeel’, AV&S 2012/10 ). De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van art. 6:97 BW de vrijheid heeft om de schade te begroten op de wijze die het meest met de aard daarvan in overeenstemming is. Doordat de investering als gevolg van de tekortkoming niet het rendement heeft waarop de man mocht rekenen, is geen sprake van “ander nadeel” maar van schade. Vergoeding daarvan is – zij het abstract begroot – volstrekt redelijk te achten. De voorwaardelijke vorderingen zijn niet als direct toewijsbare gederfde winst gevorderd maar
afhankelijk zijn gesteld van de voorwaarde dat opnieuw een MBA zal worden gevolgd. De Rechtbank wijst de voorwaardelijke vordering tot schadevergoeding toe, op voorwaarde van vertoon van een bewijs van inschrijving en bewijs van betaling van collegegeld. Ook wijst de Rechtbank gederfd brutoloon toe van € 500,‐ over een periode van 27 maanden.

Mr. Robert Lonis, juli 2018


Ik ga op reis met mijn minderjarige kind en neem mee

09-07-2018
Ik ga op reis met mijn minderjarige kind en neem mee…..een toestemmingsverklaring van de andere ouder!

De zomervakantie staat alweer voor de deur en wellicht gaat u binnenkort met uw minderjarige kinderen (zonder de andere ouder) afreizen naar het buitenland om te genieten van een welverdiende vakantie.

Bent u gescheiden en oefent u samen met uw ex-partner het gezamenlijk ouderlijk gezag uit over uw kind die jonger is dan 18 jaar, vergeet dan vooral niet om uw ex-partner te vragen om schriftelijke toestemming voor de reis. Doet u dit niet, dan kunt u bij de grens voor een vervelende verrassing komen te staan: reizen zonder toestemming van de andere ouder kan namelijk worden aangemerkt als onttrekking aan het ouderlijk gezag en zelfs als internationale kinderontvoering(!)

Vraag uw ex-partner daarom (bij voorkeur ruim) voorafgaand aan de reis om schriftelijke toestemming. De Rijksoverheid heeft hiervoor een speciaal toestemmingsformulier ontwikkeld (‘Formulier toestemming reizen met minderjarige naar het buitenland’) en dit is te downloaden via deze link.

Als u als ouder met eenhoofdig ouderlijk gezag met uw kind op reis gaat, dan hoeft u dit formulier niet in te vullen, maar wel is het belangrijk om documenten op reis mee te nemen waarmee u kunt aantonen dat u het eenhoofdig gezag over uw kind heeft.   

Wat te doen als uw ex-partner met wie u het gezamenlijk ouderlijk gezag uitoefent over uw kind, niet wil meewerken aan het geven van toestemming voor de reis? Voor zo’n situatie kunt u een advocaat inschakelen die voor u zo nodig in een kort geding-procedure aan de rechtbank kan vragen om vervangende toestemming te verlenen voor de reis naar het buitenland. Bij toewijzing van het verzoek door de rechter, wordt de vereiste toestemming van de andere ouder vervangen door een uitspraak van de rechter, zodat u daarmee alsnog zorgeloos op vakantie kunt gaan.

Wilt u meer weten over deze procedure of een andere kwestie omtrent het ouderlijk gezag, neemt u dan geheel vrijblijvend contact op met één van de familierechtadvocaten van ons kantoor, Rosanne Dijkstra (Lelystad) of Marleen Falkena (Almere). Zij staan u graag te woord om u te informeren over de mogelijkheden.

mr. Rosanne Dijkstra – juli 2018


Terugkerende gebreken vestigen zorgplicht en aansprakelijkheid reparateur

26-06-2018
Smartnewz AR 2018/3362
Rechtbank Amsterdam, 28 december 2016 - ECLI:NL:RBAMS:2016:9972. Op SmartNewz sinds: 26 juni 2018

Een man koopt in 2008 een Hyundai Santa Fe met turbodieselmotor. Hij gebruikt de auto als taxi en rijdt daarmee veelal korte(re) ritten in stedelijk gebied. Na enkele maanden treden er problemen op, waaronder rookontwikkeling in de auto. Met een ter zake het voertuig kundig reparatiebedrijf spreekt de man expliciet af dat dit bedrijf de problemen met het voertuig zal verhelpen. Na enkele jaren van reparaties, nieuwe  problemen en onderzoeken, vindt op enig moment een incident plaats waarbij een noodreparatie noodzakelijk blijkt. In navolging daarop vindt uitgebreid technisch onderzoek plaats naar de oorzaken van het probleem en de eerdere problemen. Het voertuig blijkt onbruikbaar te zijn geworden door beschadiging van de turbo. Het onderzoek wijst uit dat de toevoerleiding vanaf het motorblok voor een groot deel is vervuild met kooldeeltjes, de turboas is door smering/koelingsgebrek in ernstige mate beschadigd. Kortgezegd komt de expertise er op neer dat door korte ritten en stationair draaien het regeneratieproces, nodig om periodiek het roetfilter te reinigen van kooldeeltjes, niet voldoende tot wasdom komt. Als gevolg daarvan kan een defect ontstaan aan het turbosysteem. De man vordert schadevergoeding van het reparatiebedrijf omdat er niet aan de zorgplicht is voldaan. De man spreekt daarnaast de producent aan op productaansprakelijkheid en onrechtmatige daad.

Een beroep op verjaring wijst de Rechtbank af. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad volstaat het enkele vermoeden van het bestaan van schade niet en begint de verjaringstermijn te lopen op de dag na die waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van deze schade in te stellen.
Volgens de Rechtbank is dat in dit geval de dag na het laatste incident, niettegenstaande eerdere problemen en reparaties, omdat aannemelijk is dat pas toen duidelijk werd hoe slecht de auto er aan toe was. Daarbij weegt de Rechtbank mee dat het reparatiebedrijf betwist dat er (eerder) iets mis was met de auto. De Rechtbank oordeelt dat de zorgplicht in het kader van een reparatieverbintenis de verplichting inhoudt om te zoeken naar verdere oorzaken als na het verrichten van diverse reparaties de klachten niet zijn hersteld. Het reparatiebedrijf was bekend met het gebruik als taxi en is bijzonder technisch deskundig ten aanzien van dit type auto. Er was sprake van terugkerende klachten. De Rechtbank concludeert dat het reparatiebedrijf in strijd met de zorglicht heeft gehandeld. Voorts oordeelt de Rechtbank dat doorde schending van de zorgplicht de man schade heeft geleden in de zin van artikel 6:74 BW bestaande uit onder meer de huidige eindsituatie, te weten een onbruikbare auto. De Rechtbank baseert zich daarbij op de bevindingen als opgenomen in diverse rapporten en stelt vast dat tegen deze achtergrond het op de weg van het reparatiebedrijf was gelegen om te stellen en zo nodig te bewijzen dat indien er door haar duidelijke initiatieven waren ontplooid of deadlines waren gesteld aan de man en eerder een (onafhankelijke) expert was ingeschakeld voor nader onderzoek, de schade ook was ontstaan. Dit heeft het reparatiebedrijf echter nagelaten. Een beroep op eigen schuld passeert de rechtbank, de man hoefde de gebreken zelf niet te (kunnen) onderkennen. De rechtbank wijst diverse verklaringen voor recht toe en verwijst de kwestie naar de schadestaatprocedure. Uit geen van de in het geding gebrachte rapporten volgt dat de auto als product reeds bij het in het verkeer brengen daarvan gebrekkig was. De vorderingen wegens productaansprakelijkheid en onrechtmatig handelen jegens de producent wijst de rechtbank daarom af.

Robert Lonis


Update wetsvoorstel Wet Herziening Partneralimentatie

22-06-2018
Het is u vorige week vast niet ontgaan: er is weer 'beweging’ gekomen in het Wetsvoorstel partneralimentatie. Het is alweer drie jaar geleden dat het wetsvoorstel 'Wet Herziening Partneralimentatie' werd ingediend.

Wat willen de indieners eigenlijk precies bereiken met hun initiatiefwetsvoorstel?

Zij vinden de huidige partneralimentatie-regeling niet meer van deze tijd en deze regeling moet dan ook grondig op de schop genomen worden.

Niet alleen de grondslag voor partneralimentatie moet veranderd worden, maar ook de wijze waarop de alimentatie wordt berekend, moet eenvoudiger worden. Een belangrijke voorgestelde wijziging is de verkorting van de duur van de alimentatietermijn. Voorts willen de indieners van het voorstel met deze wet voorzien in de mogelijkheid om het recht op partneralimentatie uit te sluiten bij huwelijkse voorwaarden. Ook zou er een wettelijke onderhoudsverplichting gecreëerd moeten worden voor ongehuwd samenwoners.

Lange tijd was het stil rondom dit wetsvoorstel, maar maandag 11 juni hebben de initiatiefnemers van de wet een aangepaste en een vergaande vereenvoudiging van het wetsvoorstel gepresenteerd, waarmee zij tegemoet zijn gekomen aan een aantal kritiekpunten op het oorspronkelijk voorstel. Dit zijn de belangrijkste punten uit het vereenvoudigde wetsvoorstel zoals gepresenteerd op 11 juni jl.:

Grondslag
De wettelijke grondslag voor partneralimentatie blijft ongewijzigd. Deze grondslag is de lotsverbondenheid welke door het huwelijk is ontstaan.

Termijn
De maximale termijn waarover partneralimentatie is verschuldigd, bedraagt nu nog twaalf jaar. Deze termijn wil men verkorten naar vijf jaar. Omdat dit niet wenselijk is voor alle gevallen, zijn er twee uitzonderingen opgenomen in het voorstel, namelijk:
-    als er sprake is van een langdurig huwelijk waarbij de alimentatieontvanger ten hoogste 10 jaar jonger is dan de toepasselijke AOW-leeftijd, kan de partneralimentatie maximaal tien jaar duren (totdat de AOW-leeftijd is bereikt).
-    als er zorg is voor jonge kinderen, dan blijft de maximale partneralimentatie-duur twaalf jaar. Op het moment dat het jongste kind twaalf jaar oud wordt, eindigt de partneralimentatie

Geen uitsluiting bij huwelijkse voorwaarden
Er zal geen mogelijkheid komen om in huwelijkse voorwaarden een beding op te nemen waarmee het recht op partneralimentatie op voorhand wordt uitgesloten. Een dergelijk beding is nietig (ongeldig).

Geen partneralimentatie bij ongehuwd samenwoners
Er wordt geen wettelijke onderhoudsverplichting gecreëerd voor ongehuwd samenwoners. Dit vindt men te ver gaan. Als samenwoners dit wel willen afspreken, dan zullen zij dit, net zoals nu het geval is, samen met elkaar moeten afspreken in een (samenlevings)overeenkomst.

Verder afwachten
Het wetsvoorstel zal nu in de Tweede Kamer besproken moeten worden. Bij een meerderheid van stemmen, zal de wet worden aangenomen, waarna het wetsvoorstel besproken wordt in de Eerste Kamer. Wordt het wetsvoorstel ook door de Eerste Kamer aangenomen, dan kunnen we pas spreken over een nieuwe wet.

Zover is het nu nog niet, maar wij volgen de actuele ontwikkelingen voor u op de voet. Zelf kunt u de ontwikkelingen ook volgen. Klik hier!

Voor vragen over partneralimentatie of andere kwesties binnen het personen- en familierecht neemt u gerust contact op met Rosanne Dijkstra (Lelystad) of Marleen Falkena (Almere). Zij staan u graag te woord om u te informeren over de mogelijkheden.

mr. Rosanne Dijkstra - juni 2018


Mededeling met stuitende werking, verjaring en bewijslast; enkele perikelen aangaande een geldleningsovereenkomst

22-06-2018
Smartnewz AR 2018/3263
Rechtbank Overijssel, 6 juni 2018, ECLI:NL:RBOVE:2018:2122 ‐ Op SmartNewz sinds: 21 juni 2018

In een ver verleden verstrekt een echtpaar een geldlening van € 95.000,‐ exclusief rente aan een schuldenaar. In de loop der tijd geeft de schuldenaar tot drie keer toe een schuldbekentenis af. In een schema staat wanneer welk bedrag dient te worden afgelost. Driemaal schrijft de vrouw (de echtgenoot is overleden) de schuldenaar aan. In rechte vordert de vrouw thans betaling van de geldlening. In de procedure geeft zij aan op welke wijze de verjaring van de vordering(en) is gestuit. De schuldenaar geeft aan dat sinds de datum van de ondertekening van de overeenkomst(en) de verjaring op geen enkele wijze is gestuit. Ook ontving hij nooit een aanmaning, herinnering en/of sommatie van de vrouw. In een brief van september 2013 schrijft de vrouw de schuldenaar aan en herinnert hem aan een gemaakte afspraak. Het citaat besluit met de woorden: “…al is het ook maar iedere maand € 200,00 zodat ik ook verder kan leven.” De schuldenaar betwist het betreffende schrijven te hebben ontvangen. In rechte gaat er nu om vast te stellen wanneer de verjaring is gaan lopen en of vast kan worden gesteld dat de verjaring van is gestuit.

De Rechtbank overweegt dat de verjaringstermijn voor vorderingen uit geldlening in het algemeen vijf jaar (artikel 3:307 lid 1 BW) bedraagt. De verjaringstermijn gaat in na de aanvang van de dag volgende op die waarop de vordering opeisbaar is geworden. Op grond van artikel 3:317 BW wordt de verjaring van een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis gestuit door een schriftelijke aanmaning/mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorhoudt. Daarnaast bepaalt artikel 3:318 BW dat erkenning van het recht tot welks bescherming een rechtsvordering dient, de verjaring van de rechtsvordering stuit. Bij stuiting van de verjaring door middel van een schriftelijke mededeling dient niet alleen te worden gelet op de formulering daarvan, maar ook op de context waarin de stuitingsmededeling wordt gedaan en de overige omstandigheden van het geval. Het doel van een stuitinghandeling is om de schuldenaar te waarschuwen dat hij ook na het verstrijken van de verjaringstermijn er rekening mee moet houden dat hij de beschikking behoudt over zijn gegevens en bewijsmateriaal, zodat hij zich tegen een dan alsnog ingestelde vordering behoorlijk kan verweren. In een schuldbekentenis van eind oktober 2008 erkent de schuldenaar een bedrag van € 140.986,‐ schuldig te zijn, deze erkenning stuit de verjaring. Met betrekking tot de brief van september 2013 stelt de rechtbank dat de inhoud van die brief een voldoende duidelijke waarschuwing aan de schuldenaar inhield, namelijk dat hij rekening moet houden met de mogelijkheid dat de vordering nog geldend wordt gemaakt. De schuldenaar betwist echter de ontvangst van die brief. Op grond van artikel 3:37 lid 3 BW moet een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring, om haar werking te hebben, die persoon hebben bereikt. Indien de verklaring niet of niet tijdig de schuldenaar bereikt en dit het gevolg is van zijn eigen handeling (of van de handeling van personen voor wie hij aansprakelijk is) of andere omstandigheden die zijn persoon betreffen en rechtvaardigen dat hij het nadeel draagt, heeft die verklaring ook zijn werking. De rechtbank draagt aan de vrouw (als eisende partij) op te bewijzen dat de schuldenaar de verklaring heeft ontvangen, dan wel hem niet heeft bereikt ten gevolge van omstandigheden die aan hem kunnen worden toegerekend.

Robert Lonis


De agenda voor de algemene vergadering van aandeelhouders; wie betaalt bepaalt?

13-06-2018
In een recent arrest van de Hoge Raad stond de vraag centraal of een vennootschap verplicht is een onderwerp ter (informele) stemming op te nemen in de agenda voor de algemene vergadering, ook als dat onderwerp een aangelegenheid is van het bestuur.  Voordat ik het antwoord op deze rechtsvraag zal verklappen, zal ik de onderliggende zaak en het juridisch kader schetsen.

Wat was er aan de hand?
Boskalis is aandeelhouder van Fugro. Boskalis heeft bezwaar tegen een door Fugro ingestelde beschermingsconstructie. De moedermaatschappij van Boskalis heeft Fugro verzocht over te gaan tot ontmanteling van de betreffende beschermingsconstructie, hetgeen Fugro heeft geweigerd. Boskalis heeft Fugro vervolgens verzocht om een agendapunt met toelichting ter stemming op te nemen in de agenda van de algemene vergadering. Het agendapunt betrof een aanbeveling aan het bestuur en de raad van commissarissen om al hetgeen te doen wat nodig is om te komen tot ontmanteling/beëindiging van de betreffende beschermingsconstructie. Fugro is niet bereid het door Boskalis voorgedragen agendapunt ter stemming op te nemen in de agenda van de algemene vergadering. Wel is Fugro bereid het onderwerp ter bespreking te agenderen en de door Boskalis geformuleerde toelichting in de agenda op te nemen. Boskalis neemt hiermee geen genoegen en stapt naar de rechter.

Juridisch kader
De regels omtrent het bijeenroepen van de algemene vergadering van aandeelhouders zijn wettelijk vastgelegd. Zo is in artikel 2:109 BW bepaald dat het bestuur en de raad van commissarissen bevoegd zijn tot het bijeenroepen van een algemene vergadering. Wettelijk, en wel in artikel 2:114 lid 1, aanhef en onder a, BW, is vastgesteld dat bij de oproeping de te behandelen onderwerpen worden vermeld. Uit de bevoegdheid van het bestuur en de raad van commissarissen tot bijeenroeping volgt de bevoegdheid van deze organen tot vaststelling van de agenda en dus tot vaststelling van de te behandelen onderwerpen.
Van belang is dat artikel 2:114a BW hierop een uitzondering maakt in die zin dat indien door één of meer aandeelhouders die alleen of gezamenlijk ten minste drie procent van het geplaatste kapitaal vertegenwoordigen, een onderwerp wordt aangedragen waarvan de behandeling tijdig schriftelijk is verzocht, dit onderwerp wordt opgenomen in de oproeping. Dit wordt ook wel het agenderingsrecht van de aandeelhouders genoemd.

In dit geval betreft het voorgedragen onderwerp een aangelegenheid van het bestuur waarover het bestuur niet verplicht was de algemene vergadering te consulteren. Boskalis en Fugro zijn het er over eens dat dit onderwerp niet tot de bevoegdheid van de aandeelhoudersvergadering behoort maar daar wel besproken kan worden.

Wie betaalt bepaalt?
Het geschilpunt is de vraag of Boskalis Fugro kan dwingen het bespreken van het onderwerp op de vergadering af te ronden met een (informele) stemming over het onderwerp.

Zowel de rechtbank als het hof wijzen de vordering van Boskalis af. Ook bij de Hoge Raad vangt Boskalis bot. Een verplichting tot het agenderen van een stemming over een onderwerp dat niet tot de bevoegdheid van de aandeelhoudersvergadering behoort, is volgens de Hoge Raad niet te lezen in de wet. Ook als die stemming geen rechtsgevolg heeft en wordt betiteld als een informele stemming, een aanbeveling, een motie of een peiling, is van een dergelijke verplichting geen sprake, aldus de Hoge Raad.

Twijfelt u of een agendapunt verplicht ter stemming moet worden opgenomen in de agenda voor de algemene vergadering, neem dan contact op met ons kantoor. Wij beantwoorden uw vragen graag.

mr. Elsa Bruggink,  juni 2018


Klagen binnen bekwame tijd en onderscheid tussen eigenaar en eiser; nieuwe verweren in appel ter beoordeling van toewijsbaarheid schadevergoeding

11-06-2018
Een Duits stel huurt een aanhangwagen om aangeschafte tegels mee te vervoeren. De bestuurder verliest de macht over het stuur en raakt de vangrail. Zowel aanhangwagen als auto raken beschadigd. Het stel schakelt een Duitse expert in, die gebreken constateert aan een van de banden. Twee jaren later beroept de Duitse man zich op een gebrek. Na verstek en zuivering wijst de kantonrechter de gevorderde schade af. In appel komen nieuwe verweren op, daarop mag worden gereageerd. Tussenarrest.

Een Duitse man koopt, samen met zijn levenspartner, bij een Nederlandse vennootschap tegels en grind. Ook huurt men een dubbelassige aanhangwagen om het gekochte te vervoeren. In de huurovereenkomst sluit de verhuurder aansprakelijkheid uit voor schade die ontstaat in de periode dat de huurder het gehuurde object in gebruik heeft. Ook bevat de huurovereenkomst enkele veiligheidstips, waaronder de tip: “Rijd niet sneller dan 80 km per uur”. De aanhangwagen wordt gekoppeld aan het voertuig en na het laden van de tegels, voor de eerste rit, rijdt het koppel weg. Kort daarna komt het voertuig op de N281 (een in Nederland gelegen weg) in aanraking met de vangrail aan de rechterzijde van de weg. Het betreft een eenzijdig ongeval. De dag na het ongeval onderzoekt een Duitse expert, op verzoek van de levenspartner, de aanhangwagen. Deze stelt vast dat een van de banden een te lage spanning (1.4 bar) had en ook vervormd was en scheuren van meer dan 1 mm diep had. Deze omstandigheden, in samenhang met belading en een snelheid van 80 km/h leidden tot eigen stuurgedrag (onder en overstuur) van de aanhangwagen en zijn bijgevolg de oorzaak van rij-instabiliteit welke uiteindelijk tot de botsing leidt. Na het onderzoek, wanneer is echter niet exact bekend, wordt de aanhangwagen opgetakeld en geretourneerd.

In eerste aanleg vordert de Duitse man schadevergoeding tot een bedrag van € 23.039,19, onder andere vanwege schade aan zijn auto. Hij stelt dat het ongeval is te wijten aan de te lage bandenspanning en dat aan de aanhangwagen een gebrek kleefde in de zin van artikel 7:204 lid 2 BW, de verhuurder behoorde dat gebrek te kennen en is gehouden om de schade te vergoeden. De verhuurder mag zich niet beroepen op een uitsluiting van aansprakelijkheid ex artikel 7:209 BW. Bij verstek wijst de kantonrechter het gevorderde toe, waarna de verhuurder in verzet komt. Meerdere verweren leiden tot vernietiging van het vonnis waarvan verzet, een vordering in reconventie – schadevergoeding wegens het niet in goede staat retourneren van de aanhangwagen – wordt ten dele toegewezen. De Duitse man komt in hoger beroep met 13 grieven. De verhuurder werp bij memorie van antwoord op dat het voertuig geen eigendom van de Duitse man (als eisende partij) is, maar van diens levenspartner. Hij lijdt daarom zelf geen schade. Daarnaast voert de verhuurder als verweer op dat het ongeval plaatsvond op de dag van de verhuur zelf en dat de ingeschakelde Duitse expert de dag daarop de aanhangwagen onderzocht. Een gebrek zou alsdan direct moeten zijn ontdekt, pas in het najaar van 2015 is echter geklaagd over dat gebrek bij de verhuurder. Door aldus te handelen is niet binnen bekwame tijd geklaagd en kan op enig gebrek geen beroep worden gedaan ex artikel 6:89 BW. De verhuurder stelt als gevolg van het tijdsverloop tussen de verhuur van de aanhangwagen en de melding van het gebrek te zijn geschaad in haar bewijspositie en dat de mogelijkheid om verweer te voeren belemmerd is. Het Hof oordeelt dat deze verweren, die in eerste aanleg niet werden gevoerd, nieuw zijn en dat de Duitse man gelegenheid krijgt om daarop bij akte te reageren. In reconventie verwerpt het Hof dat de Grief tegen de vaststelling van de kantonrechter van de (dag)waarde van de aanhangwagen op € 250,- zou zijn te stellen. Het object was bruikbaar als aanhanger en niet van belang is of deze boekhoudkundig was afgeschreven. Voor het overige houdt het Hof iedere beslissing aan.

Mr. Robert Lonis - juni 2018


Een Functionaris Gegevensbescherming, ja of nee? Meer duidelijkheid voor de zorg.

08-06-2018
Een verplichting die voortvloeit uit de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) is dat bepaalde organisaties een FG dienen aan te stellen. Een FG heeft de belangrijke taak om erop toe te zien dat een organisatie voldoet aan de privacywetgeving.  De verplichting om een FG aan te stellen geldt voor overheidsinstanties, organisaties die zich in de kern van hun activiteiten bezighouden met het volgen van individuen en organisaties die op grote schaal bijzondere persoonsgegevens verwerken. Omdat met name dit laatste criterium ruimte laat voor interpretatie, bestaat er nog onduidelijkheid over de precieze invulling daarvan. De AP heeft recentelijk meer helderheid verschaft voor organisaties die zich bezig houden met medische zorg.

In de zorg worden er veel medische gegevens verwerkt. Omdat die gegevens aan te merken zijn als bijzondere persoonsgegevens, dient er een FG te worden aangesteld als die gegevens op grote schaal worden verwerkt. De AP heeft op 31 mei 2018 uitleg gegeven over de vraag wanneer sprake is van grootschaligheid in de zorg. Een verwerking door huisartsenpraktijken en instellingen voor medisch specialistische zorg, niet zijnde ziekenhuizen, is volgens deze richtlijn aan te merken als grootschalig als:

-    die praktijk of instelling meer dan 10.000 patiënten heeft ingeschreven óf als die gemiddeld meer dan 10.000 patiënten per jaar behandelt;
-    én de gegevens van deze patiënten in één informatiesysteem staan.

Let op: de verwerking van patiëntgegevens door ziekenhuizen, zorggroepen, huisartsenposten en apotheken (een solistisch werkende zorgverlener uitgezonderd) wordt altijd gezien als een verwerking op grote schaal.

Voor andere dan de hiervoor genoemde zorgaanbieders geldt het criterium van 10.000 patiënten niet. De AP heeft bekend gemaakt ook voor de andere zorgaanbieders meer uitleg te zullen geven m.b.t. de vraag wanneer er sprake is van een verwerking op grote schaal. Tot dat moment dienen organisaties zelf te beoordelen of zij op grote schaal bijzondere persoonsgegevens verwerken aan de hand van vier factoren:

•    het aantal betrokkenen (het aantal patiënten over wie gegevens worden verwerkt)
•    de hoeveelheid persoonsgegevens die worden verwerkt
•    de duur van de gegevensverwerking (in de zorg doorgaans vijftien jaar)
•    de geografische reikwijdte van de verwerking.


Claims made of act committed? Beoordeling polisvoorwaarden naar objectieve maatstaven bij voorgestelde beëindiging van dekking onder polis

05-06-2018
Onder de naam ToplandLanbouwpolis bood Achmea een verzekering aan in de agrarische sector met dekking voor aansprakelijkheidsrisico’s voor schade door asbest. Als gevolg van berichtgeving in 2011 van de Gezondheidsraad over de (grotere) risico’s van asbest bericht Achmea de relevante verzekerden dat de dekking wijzigt. De polis bevat ter zake aansprakelijkheid voor schade van derden en schade aan personen van elkaar afwijkende categorieën en omschrijvingen. De polisbepaling ter zake schade aan zaken (van derden, categorie A) bepaalt onder meer dat deze tijdens de geldigheidsduur van de verzekering moet zijn aangemeld. Een dergelijke beperking ontbreekt bij de bepaling omtrent aansprakelijkheid voor schade aan personen (categorie B). Achmea stelt op grond van de algemene verzekeringsvoorwaarden een wijziging en beëindiging van dekking door te kunnen voeren, waarbij verzekerden de gelegenheid wordt geboden om de polis op te zeggen. De risico’s zijn voor Achmea te groot en daarom niet langer verzekerbaar. Diverse verzekerden alsmede belangenorganisatie Stichting Asbest tekenen bezwaar aan, maar Achmea volhardt. Naar aanleiding van diverse vorderingen in eerste aanleg van de Stichting c.s. oordeelde de Rechtbank dat Achmea gerechtigd was om de verzekeringen per contractvervaldatum op te zeggen en het asbestrisico bij nieuwe bedrijfsaansprakelijkheidsverzekeringen niet langer te dekken, maar dat Achmea in redelijkheid niet heeft kunnen komen tot uitoefening van haar bevoegdheid om en bloc de dekking al gedurende de looptijd van de verzekering te beperken.

De rechtbank verklaarde voor recht dat de ingevoerde en bloc wijziging geen stand houdt. Zij heeft Achmea geboden om meldingen van asbestschades en aansprakelijkheden die onder de verzekering worden gedaan en meldingen van omstandigheden van de wijziging waaruit aanspraken voor asbestschades kunnen voortvloeien en van asbestschades en aanspraken die hun oorzaak vinden voor  de wijzigingsdatum in behandeling te nemen en dekking niet van de hand te wijzen op de enkele grond dat deze meldingen niet tijdig zouden zijn gedaan. De Stichting c.s. krijgen daarmee voor een groot deel gelijk, maar zien toch aanleiding beroep in te stellen. De Rechtbank (b)lijkt de polisvoorwaarden van categorie B, net als categorie A, uit te leggen als een (in de tijd beperkte) claims made bepaling. Volgens de Stichting c.s. dient Achmea in categorie B echter (ook) dekking te verlenen voor aanspraken die worden gemeld na afloop van de verzekering, wanneer deze aanspraken hun oorzaak vinden in een evenement dat heeft plaatsgevonden gedurende de looptijd van de verzekering, een zogeheten act committed dekking. Het Hof stelt vast dat, nu niet blijkt van onderhandelingen over de inhoud van de polisvoorwaarden, voor de uitleg daarvan bij objectieve factoren aan moet worden geknoopt. Het staat een verzekeraar voorts vrij om in polisvoorwaarden de grenzen te omschrijven waarbinnen hij bereid is dekking te verlenen en binnen een samenhangend feitencomplex slechts aan bepaalde feiten of omstandigheden (rechts)gevolgen te verbinden en aan andere niet. Het Hof overweegt dat de strekking van verzekeringsvoorwaarden voor de verzekeringnemers duidelijk en kenbaar moet zijn. In de omschrijving in de polis van categorie B is geen beperking opgenomen, een dergelijke beperking leidt het Hof evenmin af uit de context van het gehele artikel. Nu in de bepaling met betrekking tot categorie A duidelijk en kenbaar is vermeld dat een beperking in de tijd geldt, merkt het Hof die bepaling aan als een claims made bepaling. Door het gemaakte onderscheid in categorieën en (juist) het ontbreken van (een soortgelijke) beperking, merkt het Hof categorie B aan als een act committed beding. In zoverre slaagt de ingestelde grief, waarna het Hof het vonnis van de Rechtbank onder correctie met betrekking tot de aard van de dekking bekrachtigt.

Mr. Robert Lonis - juni 2018


Creatieve oplossing rechter ontbinding geregistreerd partnerschap

05-06-2018

Als je in Nederland een geregistreerd partnerschap wilt beëindigen, omdat je niet meer met elkaar verder wilt en er zijn minderjarige kinderen in het spel, dan moet de rechter daaraan te pas komen. Net als bij een echtscheidingsprocedure geldt hierbij het vereiste dat de ouders verplicht zijn om een gezamenlijk ouderschapsplan te maken en daarnaast moet de rechter beoordelen of er sprake is van een zogenaamde ‘’duurzame ontwrichting’’ van het geregistreerd partnerschap (of huwelijk). Dit staat in de wet opgenomen, omdat de wetgever vindt dat echtgenoten c.q. geregistreerd partners niet lichtvaardig, dus niet’’ zomaar’’ van elkaar moeten kunnen scheiden. 


Stel nu dat je juist niet uit elkaar wilt, maar het geregistreerd partnerschap wilt beëindigen, omdat je alsnog met elkaar wilt trouwen. Voor die situatie biedt de wet de mogelijkheid om het geregistreerd partnerschap om te zetten in een huwelijk. Maar, wat als dit in het buitenland problemen kan opleveren voor de rechtsgeldigheid van zo’n ‘’omgezet’’ huwelijk?


In een recente uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, moest de rechter een gemeenschappelijk verzoek tot ontbinding van een geregistreerd partnerschap beoordelen.


Aan de ene kant stelden de verzoekers dat hun geregistreerd partnerschap duurzaam was ontwricht, maar tegelijkertijd gaven zij aan dat zij na ontbinding van het geregistreerd partnerschap met elkaar in het huwelijk wilden treden.


Partijen zouden kunnen kiezen voor de omzetting van het geregistreerd partnerschap naar een huwelijk, maar dat was voor deze mensen helaas geen optie, omdat de omzetting van het geregistreerd partnerschap naar een huwelijk, in bepaalde landen niet wordt erkend.


Aangezien de man als IT-specialist werkzaam is, waarbij de kans zeer aanwezig was dat hij op korte termijn in het buitenland werkzaamheden zou moeten verrichten, zou dit voor partijen problemen kunnen opleveren wanneer het desbetreffende land hun huwelijk niet erkent en zij daardoor niet in dat land mogen werken. Ook voorzagen de partners andere nadelige gevolgen voor hun kinderen als hun huwelijk niet erkend zou worden in het buitenland. Tot slot, hadden partijen nog aangevoerd dat zij er waarde aan hechten om alsnog een  huwelijksceremonie met ‘officiële’ getuigen plaats te laten vinden.


De rechter zag zich vermoedelijk in eerste instantie geplaatst voor een dilemma: aan de ene kant gaven partijen namelijk als reden voor het ontbindingsverzoek op dat hun geregistreerd partnerschap duurzaam was ontwricht, maar aan de andere kant werd duidelijk dat er van een duurzame ontwrichting juist geen sprake was en zij hun relatie (weliswaar mede om praktische redenen) wilden bezegelen met een huwelijk!


De rechter kwam met een creatieve oplossing om toch een ontbinding van het geregistreerd partnerschap uit te spreken. Ondanks dat er feitelijk geen sprake was van een duurzame ontwrichting, stelde de rechter vast dat het inderdaad zo is dat een huwelijk, wat tot stand is gekomen door omzetting vanuit een geregistreerd partnerschap, niet in alle landen wordt erkend en dat het daarnaast ook nog moeilijk is om dit per land te achterhalen. Daarom oordeelde de rechter dat deze partijen er een redelijk belang bij hadden om eerst het geregistreerd partnerschap te beëindigen en daarna in het huwelijk te treden. De rechter vond namelijk dat partijen voldoende aannemelijk gemaakt hadden dat er een vrij grote kans bestond dat zij vanwege de baan van de man geconfronteerd konden worden met de nadelige gevolgen van het feit dat zij oorspronkelijk geregistreerd partners zijn geweest. De rechter was het ook met partijen eens dat die nadelige gevolgen niet weg te nemen waren door middel van een omzetting van het geregistreerd partnerschap in een huwelijk.  Omdat er voor partijen dus geen enkele andere manier was om tot een huwelijk te komen welke internationaal gegarandeerd erkend zou worden, heeft de rechter in dit specifieke geval toch de ontbinding van het geregistreerd partnerschap voor deze partners uitgesproken.  


Maar hoe zit het nu met die eis van duurzame ontwrichting? De rechter vond het ontbreken van de duurzame ontwrichting in deze casus geen belemmering, omdat het doel van dit vereiste, te weten het niet te lichtvaardig scheiden, in dit geval geen geweld werd aangedaan.


Wilt u meer weten over de procedure van de ontbinding van een geregistreerd partnerschap, een echtscheidingsprocedure of een andere kwestie binnen het personen- en familierecht, neemt u dan contact op met Rosanne Dijkstra (Lelystad) of Marleen Falkena (Almere). Zij staan u graag te woord om u te informeren over de mogelijkheden.

 

mr. Rosanne Dijkstra – juni 2018


Iedereen heeft met de AVG te maken

25-05-2018
Geplaatst op vrijdag 25 mei 2018 - Flevopost

Lelystad - De Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) is vandaag ingegaan. ​Okkerse & Schop Advocaten zet misverstanden op een rij.

‘De AVG legt een grotere nadruk op het verantwoordelijk gebruik van persoonsgegevens door organisaties en brengt meer en verbeterde rechten met zich mee voor personen van wie persoonsgegevens worden verwerkt,’ zeggen Cathy Brocklebank, Phuong Nguyen en Sanne Kleerebezem. De advocaten zijn binnen Okkerse & Schop Advocaten specialisten op het gebied van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG).

Er bestaan nogal wat misverstanden met betrekking tot de Europese verordening. Daarom zetten zij een aantal van deze misverstanden op een rij.

De AVG brengt uitsluitend verplichtingen met zich mee voor ‘grote’ ondernemingen
‘De AVG geldt voor iedere organisatie die persoonsgegevens verwerkt. Dat betekent dat bijvoorbeeld ook stichtingen en eenmanszaken die persoonsgegevens verwerken moeten voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de AVG. Persoonsgegevens zijn gegevens die zijn te herleiden tot  een natuurlijk persoon. Denk hierbij aan een naam of adres maar ook bijvoorbeeld aan een foto, vingerafdruk of kenteken. Vrijwel alle organisaties verwerken persoonsgegevens. Voorbeelden van verwerken zijn: het verzamelen, opslaan, wijzigen, verspreiden en het vernietigen van persoonsgegevens.’

Organisaties hebben toestemming nodig om persoonsgegevens te verwerken
‘Toestemming is slechts één van de mogelijke wettelijke gronden om persoonsgegevens te verwerken. Persoonsgegevens kunnen in veel gevallen op grond van een andere wettelijke grondslag worden verwerkt, waardoor toestemming vragen niet nodig is. Sommige organisaties verkeren in de veronderstelling dat personen van wie er persoonsgegevens worden verwerkt akkoord moeten gaan met het privacy statement. Dat is een misverstand. Het privacy statement wordt gebruikt om te voldoen aan de informatieplicht en heeft aldus alleen een informatiefunctie.’

Organisaties moeten een verwerkersovereenkomst sluiten met eigen personeel
‘De AVG stelt iedere organisatie verplicht om een verwerkersovereenkomst te sluiten met haar verwerkers. In zo een verwerkersovereenkomst worden onder meer afspraken vastgelegd over de beveiliging van persoonsgegevens. Met ondergeschikten, zoals eigen personeel, hoeft geen verwerkersovereenkomst te worden gesloten. Eigen personeel is ondergeschikt aan het rechtstreeks gezag van de organisatie en wordt daarmee beschouwd als onderdeel van de organisatie waar desbetreffend personeel werkzaam is. Om het risico op datalekken te verkleinen is het wel een optie om eigen personeel een geheimhoudingsverklaring te laten ondertekenen.’

Feitelijk is er niets veranderd ten opzichte van de Wet bescherming persoonsgegevens
Veel bepalingen uit de Wbp zijn in de nieuwe regelgeving terug te vinden. Dat betekent evenwel niet dat er feitelijk niets veranderd is. De AVG brengt wel degelijk verandering met zich mee. Zo bestaat er, op een paar uitzonderingen na, een verplichting om alle verwerkingsactiviteiten te registeren in een zogenoemd verwerkingsregister. Ook worden de rechten van natuurlijke personen uitgebreid. Een voorbeeld van een zo’n recht is het recht op dataportabiliteit, waardoor personen het recht krijgen om de eigen persoonsgegevens op te vragen en mee te nemen naar een andere organisatie. Van belang is ook dat de (maximale) boetebevoegdheid van de Autoriteit Persoonsgegevens flink is uitgebreid van 820.000 euro of 10% van de jaaromzet naar 20.000.000 euro of 4% van de wereldwijde jaaromzet.’

Okkerse & Schop advocaten heeft een privacy team. Gespecialiseerde advocaten geven advies over de verplichtingen die de AVG meebrengt voor organisaties, bijvoorbeeld door het uitvoeren van een privacy quickscan. Klik hier voor meer informatie over het Privacyrecht.


Schade-uitkering verknocht? Nee!

22-05-2018
Bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heb ik laatst weer een discussie gevoerd over de al dan niet verknochtheid van een schade-uitkering. In die zaak is de vaste rechtspraak (gelukkig) weer bevestigd. Het uitgangspunt is dat een goed of een schuld in de gemeenschap valt en dat degene die stelt dat er sprake is van verknochtheid dat ook uitgebreid moet stellen en bewijzen, dat had de wederpartij hier onvoldoende gedaan.

De casus: ten gevolge van een auto-ongeluk heeft de vrouw tijdens het huwelijk een schade-uitkering ontvangen. Partijen waren getrouwd in gemeenschap van goederen. Bij de scheiding stelt de vrouw zich op het standpunt dat deze uitkering aan haar verknocht is, dat zij nu en in de toekomst niet voor herstel vatbare lichamelijke gevolgen ondervindt en dat er sprake is van verlies van verdiencapaciteit. Echter de uitkering is tijdens het huwelijk volledig uitgegeven aan diverse zaken (die niet aan het ongeval of het vermeende letsel gerelateerd waren). De echtelijke woning van partijen was echter inmiddels verkocht en de vrouw meende dat zij op grond van verknochtheid aanspraak kon maken op een gedeelte van de verkoopopbrengst en dat het resterende gedeelte vervolgens bij helfte moest worden verdeeld.

Ik stelde namens de man dat er geen sprake was van zgn. voortgezette verknochtheid (dat houdt in dat als van een schade-uitkering een goed wordt gekocht, dat goed automatisch ook verknocht is). De schade-uitkering was niet meer identificeerbaar, nu deze aan diverse zaken was uitgegeven en de stelling van de vrouw dat de overwaarde van de woning rechtstreeks zou zijn toe te schrijven aan de ontvangen schade-uitkering heb ik betwist, deze is te wijten aan de huizenmarkt, de aflossing op de hypothecaire geldlening, de in de polissen opgebouwde waardes, verbouwingen en verbeteringen aan de woning en aan ander geld dan dat ontvangen uit de schade-uitkering wat in de woning was geïnvesteerd.

Het hof overwoog dat de gemeenschap (van goederen) wat haar baten betreft alle goederen van de echtgenoten omvat die bij het begin van het huwelijk aanwezig waren of die tijdens het huwelijk zijn verkregen. Een uitzondering daarop geldt voor goederen en schulden die aan een van de echtgenoten op enigerlei bijzondere wijze verknocht zijn, deze vallen slechts in de gemeenschap voor zover de verknochtheid zich daar niet tegen verzet. Wanneer dat het geval is, wordt volgens vaste rechtspraak, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waaronder met name de aard van het goed, zoals deze mede door maatschappelijke opvattingen wordt bepaald. In deze zaak kwam het hof aan beantwoording van deze vraag niet toe omdat vaststond dat het geld aan diverse zaken was uitgegeven. Daardoor was geen sprake meer van een afzonderlijk goed, ook kon niet worden aangenomen dat die goederen (die er ook niet meer allemaal waren) verknocht waren. De gehele uitspraak kunt u hier lezen.

Wilt u meer weten over verknochtheid, een verdeling of een andere kwestie binnen het personen- en familierecht, neem dan contact op met Marleen Falkena (Almere) of Rosanne Dijkstra (Lelystad).

Mr. Marleen Falkena – mei 2018


Een woning kopen via WhatsApp?

17-05-2018
Eind 2017 gingen de verkopers van een woning met geïnteresseerden in onderhandeling over de verkoop van een woning. Enkele weken later lieten de kopers weten akkoord te gaan met de vraagprijs van €649.000. Vervolgens hebben de verkopers een concept koopovereenkomst aan de kopers verzonden. Na enkele wijzigingen aan te brengen hebben de kopers de koopovereenkomst ondertekend en aan de verkopers geretourneerd. Omdat de kopers enigszins ongeduldig waren, appten zij de verkopers een dag later het volgende bericht: “Hallo, hebben jullie de overeenkomst gelezen en getekend? Of hebben jullie nog vragen?” De verkopers hebben daarop met het volgende bericht gereageerd: “Haha ongeduldige. Hij is gelezen en prima volgens wat we hebben besproken opgetekend. Morgen heb jij hem in bezit met onze handtekening.” Twee dagen na het WhatsApp-bericht bedenken de verkopers zich alsnog. Zij bellen de kopers met de mededeling dat zij de koopovereenkomst niet zullen ondertekenen omdat de woning bij nader inzien niet zal worden verkocht. Hierop eisen de kopers nakoming van de afspraken over de verkoop van de woning. De verkopers wijzen de kopers erop dat er geen ondertekende koopovereenkomst is en geven opnieuw aan niet te zullen overgaan tot de verkoop van de woning.

Tussen partijen ontstaat ter discussie of er een perfecte koopovereenkomst is gesloten zoals bedoeld in artikel 7:2 lid 1 BW. Op grond van genoemd wetsartikel dient de koop van een woning schriftelijk te geschieden indien de koper een particulier is. De kopers stellen zich op het standpunt dat genoemd WhatsApp-bericht -waarin de verkopers toezeggen de koopovereenkomst te zullen ondertekenen- de schriftelijke ondertekening van de koopovereenkomst vervangt. De voorzieningenrechter stelt de kopers in het ongelijk. Volgens de voorzieningenrechter maakt het WhatsApp-bericht geen deel uit van de koopovereenkomst, maar houdt het WhatsApp-bericht hoogstens een toezegging in dat de verkopers de koopovereenkomst zullen ondertekenen. Omdat de verkopers de koopovereenkomst niet hebben ondertekend, is er niet voldaan aan het schriftelijkheidsvereiste van artikel 7:2 lid 1 BW. De gemaakte afspraken over de verkoop van de woning krijgen daardoor niet het door kopers gewenste gevolg.

Mr. Cathy Brocklebank


Privacy servicedesk (abonnement) Okkerse & Schop Advocaten

16-05-2018
Een juridisch “spar” abonnement ten bedrage van € 495,- (ex BTW) per maand.

Jij kunt dan voor al jouw juridische privacy vragen telefonisch contact opnemen met onze sectie privacyrecht, waarbij de maximumduur per telefonisch contact een half uur bedraagt. Al deze ad hoc vragen c.q. sparringsmomenten zijn bij dit abonnement inbegrepen.

Indien naar aanleiding van het telefonisch advies vervolgmaatregelen c.q. vervolgstukken moeten worden opgemaakt, zal naar aanleiding daarvan een dossier worden geopend tegen een gereduceerd uurtarief. Na een jaar dient deze werkwijze te worden geëvalueerd.


Hans Blom - 25 jaar advocaat

07-05-2018
Vol trots proosten wij op onze zilveren jubilaris, Hans Blom, vandaag 25 jaar advocaat!



Reclamecampagne niet ongeoorloofd, blinkende glimlach voor bedenkers reclame “Genius”

23-04-2018
Smartnewz AR 2018/2052
Rechtbank Rotterdam, 12 april 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:2964
Op SmartNewz sinds: 17 april 2018

Procter & Gamble (P&G) en Philips brengen al jaren elektrische tandenborstels op de markt. Deze verschillen (tegenwoordig) van elkaar in aandrijftechniek en de vorm van de borstelkoppen. In het verleden sloten partijen na procedures over en weer een vaststellingsovereenkomst, waarin zij vast legden wat tussen hen als toelaatbaar in de zin van vergelijkende reclame werd geacht. Enkele weken geleden lanceerde P&G een reclamecampagne voor haar product Oral‐B Genius. Bij die campagne gebruikt P&G een blauwe achtergrond en een afbeelding van een tandenborstel met ovalen kop en daarnaast de naam van een Philips product (Diamond Clean), welke afbeelding in de schaduw (of minder helder) is afgebeeld. P&G gebruikt als vergelijkende term “Rond reinigt beter” en verwijst naar klinische studies over meerdere weken (in een kleiner lettertype). Philips heeft bij P&G bezwaar gemaakt tegen de campagne en vordert in Kort Geding veroordeling tot het staken en gestaakt houden van de campagne en de claim dat rond beter reinigt. Volgens Philips voldoet P&G niet aan de vereisten als genoemd in artikel 6:194a BW (lid 1 sub a, c en e). Het donker afbeelden van de Philips borstel dient geen doel en is denigrerend. Zwart afbeelden roept associatie met tandbederf op en wekt de indruk van een inferieur product. De claim rond reinigt beter is niet specifiek genoeg aldus Philips.

De Voorzieningenrechter oordeelt dat voor de beoordeling van de zaak als juridisch relevant kader de bepalingen omtrent vergelijkende en misleidende reclame (6:193c‐193g BW, 6:194a BW en verder) van toepassing zijn, alsook de vaststellingsovereenkomst tussen partijen. De gewone bewijsregels zijn, vanwege de aard van het Kort Geding, niet van toepassing. De bewijslast ter zake de juistheid en volledigheid van feiten en mededelingen hoeft daarom slechts aannemelijk te worden gemaakt (door P&G). Het gevraagde verbod kan op grond van artikel 254 RV ook in Kort Geding worden gevorderd. Het enkele feit dat bij een vergelijking van producten er een minder goed uitspringt is onvoldoende om aan te nemen dat een adverteerder zich kleinerend uitlaat. Het afbeelden van de Philips borstel in de schaduw is volgens de Voorzieningenrechter niet een nodeloos denigrerende inkleding. De claim “reinigt beter” beoordeelt de Voorzieningenrechter in het licht van de mate waarin tandplak wordt verwijderd waarmee in geval van tandenborstels sprake is van een vergelijking van een wezenlijk, relevant, controleerbaar en representatief kenmerk van het product. De overige stellingen van Philips plaatst de Voorzieningenrechter in het licht van de vraag of sprake is van misleiding van de consument als gevolg van een algemene presentatie van informatie, en of sprake is van het verstrekken van informatie die feitelijk onjuist is. De wijze waarop P&G de reclame‐uitingen presenteert, zowel op beeld als op posters, leidt de Voorzieningenrechter tot het oordeel dat dit niet misleidend is en evenmin dat er sprake is van een algemene presentatie van informatie. Ook is volgens P&G niet sprake van een algemene superioriteitsclaim, zodat ook niet in strijd met enige bepaling van de vaststellingsovereenkomst werd gehandeld. De verwijzing naar klinische studies onderbouwt P&G afdoende, in Kort Geding is geen plaats voor nader onderzoek naar de juistheid van de verstrekte informatie geen plaats. Evenmin ziet de Voorzieningenrechter aanleiding om aan te nemen dat P&G de elektrische tandenborstel van Philips hetzelfde zou bewerkstelligen als een handtandenborstel. Het oordeel luidt dat de reclamecampagne niet ongeoorloofd is, de vorderingen tot het staken en gestaakt houden worden afgewezen. Dit geldt ook voor de vordering tot staken van merkinbreuk.

Mr. Robert Lonis, april 2018


Verantwoordelijkheid advocaat

10-04-2018

Verantwoordelijkheid advocaat; duidelijke, schriftelijke vastlegging van opdracht en adequate scheiding

tussen zakelijke en privé opdrachtgever


Een zoon neemt de aandelen, die zijn vader via een beheer vennootschap in Ploegro BV houdt, over en gaat deze houden via zijn eigen beheer vennootschap. Niet lang daarna overlijdt de vader. In het kader van de afwikkeling van de nalatenschap blijkt over de periode van voor de overdracht van de aandelen een claim te zijn opgekomen. Voor de afwikkeling daarvan wordt door de erven geld in depot gestort. De procedure die volgt, wordt behandeld door de advocaat van Ploegro BV, waarvan de zoon dan bestuurder is. Declaraties worden ook aan Ploegro BV gezonden en door de vennootschap voldaan. In de procedure veroordeelt het Hof Ploegro tot voldoening van € 21.148,‐ vermeerderd met nevenvorderingen. Na het arrest verzoekt de notaris aan de erven medewerking te verlenen tot het afwikkelen van het in depot gestorte bedrag. Medewerking van één van hen (de stiefmoeder) blijft echter uit. De advocaat schrijft vervolgens deze erfgename aan, waarbij in de aanhef namens de zoon (in privé) een verzoek wordt geformuleerd. Aan Ploegro BV richt de advocaat vervolgens een schrijven met het advies om een dagvaarding uit te brengen ter zake de verdeling van het depot. De advocaat stuurt nogmaals een bericht met het verzoek om een reactie, waarop de zoon schrijft “dit is dus duidelijk, wat van stappen kunnen wij nu onder nemen met deze draak??????????” Waarop de advocaat reageert “dagvaarden, zoals besproken”. Vervolgens blijft het kennelijk enige tijd stil. De advocaat stuurt 2 ½ maand later een concept dagvaarding, waarop de zoon vraagt wat er tot dan toe is gebeurd. Vervolgens stuurt de advocaat een maand later een bericht met (slechts?) enige vraagtekens (“?????”) retour. Enige tijd daarna bericht de zoon de samenwerking met de advocaat te beëindigen.

Het kantoor van de advocaat stuurt een einddeclaratie van ongeveer € 2.000,‐ aan de zoon. Deze laat de declaratie onbetaald en betwist verschuldigdheid. Hij verwijt de advocaat wanprestatie en stilzitten. De Raad van Discipline oordeelt de klacht van de zoon dat het kantoor hem heeft gefactureerd voor werkzaamheden waarvoor geen opdracht was gegeven gegrond. Vast staat dat de gestelde opdracht niet schriftelijk is vastgelegd. Niet vast staat dat de advocaat met de zoon op zorgvuldige wijze heeft gecommuniceerd over gemaakte afspraken. In rechte vordert het kantoor veroordeling tot betaling van de facturen, buitengerechtelijke kosten en proceskosten. De kantonrechter wijst die vorderingen toe en verwerpt het verweer dat de zoon niet de opdrachtgever is. Het Hof stelt vast dat de zoon zich beroept op het bevrijdend verweer dat hij in naam van Ploegro BV communiceerde, niet in privé en oordeelt dat het kantoor de opgeworpen tegenwerpingen niet voldoende onderbouwt. De werkzaamheden lagen in het verlengde van de ten behoeve van Ploegro BV gevoerde procedure. Het enkele feit dat in de door de advocaat verzonden correspondentie en in de concept‐dagvaarding de naam van de zoon wordt genoemd vormt geen toereikende onderbouwing voor de betwisting van zijn de stelling dat hij ervan uit mocht gaan dat de werkzaamheden aan (een van zijn) Bv’s in rekening zouden worden gebracht. Ook valt niet in te zien waarom hij, als leek, zou hebben moeten inzien dat en waarom het een privéaangelegenheid betrof. Het niet door hem aanslaan op het gebruik van zijn naam wekte evenmin vertrouwen bij het kantoor dat de zoon dat zo had begrepen. Het Hof oordeelt dat (conform het oordeel van de Raad van Discipline, aan welke tuchtrechtelijke uitspraak in deze civielrechtelijke zaak betekenis toekomt, zonder daarvoor beslissend te zijn) het op de weg van de advocaat als professional was gelegen om door schriftelijke vastlegging te voorkomen dat over een en ander misverstanden zouden kunnen ontstaan. Het Hof vernietigt dan ook het vonnis van de kantonrechter, met veroordeling van het kantoor in de kosten van de procedure in beide instanties.

mr. Robert Lonis


Hof oordeelt: Nederlandse consument niet misleid

03-04-2018

Hof oordeelt: Nederlandse consument niet misleid door volgens concurrent (te) rooskleurig voorgestelde prestaties stofzuiger


Dyson produceert huishoudelijke apparaten, waaronder zakloze stofzuigers. Miele brengt sinds enkele jaren ook zakloze stofzuigers op de markt, waaronder de Blizzard CX1. Beide partijen opereren wereldwijd. Miele claimt dat deze stofzuiger unieke prestaties levert, onder meer door relatief nieuw ontwikkelde gescheiden opvangbakken voor fijnstof en grofvuil. IBR laboratories is een erkend en gerenommeerd onderzoeksinstituut, onder andere op het gebied van filterprestaties van stofzuigers. Miele  verzocht aan IBR om de Blizzard CX1 te testen, hetgeen ook heeft plaatsgevonden. IBR stelde vast dat het opvangreservoir van de Blizzard CX1 hygiënisch kan worden geleegd, zonder dat (fijn)stof noemenswaardig opdwarrelt en mengt met de omgevingslucht. Ook geeft IBR Miele toestemming om het logo van IBR te gebruiken, met daarbij de tekst “Certified clean emptying Miele Blizzard CX1 dust separation system allows certified hygienic dust bin emptying”. Dyson trekt ten strijde, onder andere in Duitsland, Groot‐Brittannië en Ierland. In Duitsland acht men de melding misleidend, in Groot‐Brittannië en Ierland past Miele na bericht van de reclame‐code autoriteiten de claims aan. In Nederland wijst de Voorzieningenrechter diverse vorderingen gestoeld op het verwijt van misleidende handelspraktijken, misleidende mededelingen, ongeoorloofde reclame‐vergelijkingen en onrechtmatig handelen af. Dyson komt van die beslissing in hoger beroep.

Dyson verwijt Miele dat de handelspraktijken onrechtmatig zijn omdat zij ten onrechte de indruk wekt dat Miele over een keurmerk beschikt. Een dergelijk keurmerk bestaat niet. De test van IBR zou gebrekkig zijn. Het Hof oordeelt dat voorshands onvoldoende blijkt dat het hanteren van het begrip ‘gecertificeerd’ onder de gegeven omstandigheden misleidend is of een oneerlijke  handelspraktijk oplevert. Bij gebrek aan een algemeen vastgelegde norm, kan aan Miele in ieder geval niet worden tegengeworpen dat zij een test door IBR liet uitvoeren. Het Hof acht het voldoende aannemelijk dat die test betrekking had op de Blizzard CX1, vast staat IBR toestemming gaf om het IBR‐logo te gebruiken. De claim van Miele houdt in dat zij op het punt van hygiënisch legen beschikt over een door IBR afgegeven certificaat, waarbij het woord certificaat gebruikt wordt in de betekenis van ‘schriftelijke verklaring’. Dat de Nederlandse consument in het woord gecertificeerd een synoniem ziet van het woord keurmerk (als garantie voor een bepaalde officiële standaard) acht het Hof niet aannemelijk. De wijze waarop elders in Europa de materie is behandeld kan evenmin tot enige conclusie leiden met betrekking tot de wijze waarop de gemiddelde Nederlandse consument de  claim van Miele zal begrijpen. Volgens het Hof is ook de kritiek van Dyson op de testmethode van IBR niet relevant. Al zou die test gebreken vertonen, dan nog blijft overeind dat IBR, een gerenommeerd en erkend testinstituut, het systeem heeft getest en tot positieve conclusies is gekomen zodat de claim van Miele in zoverre niet ongegrond (en niet misleidend) is. Volgens Dyson suggereert Miele dat de opvangbak met grof vuil 100% vrij van fijnstof is, dat betwist Miele gemotiveerd. Het Hof oordeelt dat niet aannemelijk is gemaakt dat de gemiddelde Nederlandse consument de claim van Miele anders zal begrijpen, zodat ook op dit punt niet valt aan te nemen dat sprake is van onjuiste of misleidende reclame, noch van een misleidende handelspraktijk. Het Hof bekrachtigt het vonnis waarvan beroep en veroordeelt Dyson in de kosten.

mr. Robert Lonis


Maak kennis met de schuldhulpverlening van Okkerse & Schop Advocaten!

29-03-2018
Okkerse & Schop Advocaten biedt in samenwerking met het Zelfstandigen Loket Flevoland (ZLF) schuldhulpverlening aan ondernemers en ex-ondernemers die in financiële problemen verkeren. Om hen een beter beeld te geven over wat wij voor hen kunnen betekenen, hebben wij een korte introductiefilm gemaakt. Deze film is vanaf vandaag te vinden op onze website. Bekijk de film via deze link.

Daarnaast hebben we een aantal (ex)ondernemers gevraagd naar hun ervaringen met onze dienstverlening en ook hiervan hebben wij vandaag een filmpje op onze website gezet. Deze film vind je onderaan deze pagina.


Opgenomen telefoongesprek nekt aanspraak verzekerde

22-03-2018

Door verzekeraar opgenomen telefoongesprek nekt aanspraak verzekerde op vergoeding onder polis

Een student bedrijfseconomie rijdt motor en verzekert deze tegen diefstal bij Univé. De voorwaarden van verzekeraar vermelden dat, indien de motor niet in een afgesloten stalling staat, naast het standaard slot een ART goedgekeurd slot van de categorie 4 of 5 voor de beveiliging dient te worden gebruikt. In geval van fraude beëindigt Univé de verzekering, uitgekeerde schadevergoeding dient te worden terugbetaald, alsmede de kosten van onderzoek. Indien in voldoende mate vaststaat dat een verzekerde is betrokken bij een gedraging die een bedreiging vormt of kan vormen voor de (financiële) belangen van in casu de verzekeraar, kan dit worden vastgelegd in het incidentenregister, waaraan een extern verwijzingsregister is gekoppeld. In verband met mogelijk nadelige gevolgen van registratie wordt, met inachtneming van het proportionaliteitsbeginsel, vastgesteld of het belang van de instelling prevaleert boven de belangen van de betrokkene. De motor wordt gestolen. Bij de melding daarvan bij Univé verklaart de student dat er geen ART‐slot was gebruikt, de motor stond op (stuur)slot en het alarm was ingeschakeld. In het gesprek meldt de medewerker van Univé dat zonder een ART‐slot er geen dekking onder de polis is. Later komt de student van zijn verklaringen terug en stelt dat er wel een ART‐slot was gebruikt.

De voorzieningenrechter in eerste aanleg wijst de vorderingen van de student, te weten verwijdering van persoonsgegevens uit de registers (EVR en CBV) onder last van een dwangsom en herstel van de verzekering, toe. Univé vordert in hoger beroep vernietiging van het vonnis. Opname in het Incidentenregister en de koppeling met het externe register kan verstrekkende gevolgen hebben. Te denken valt aan weigering van (andere) financiële dienstverlening, maar ook aan gevolgen voor carrière(perspectieven) bij financiële instellingen. Er dienen hoge eisen te worden gesteld aan de gronden voor opname in het EVR, dit dient in overeenstemming met de Wbp en het Protocol te gebeuren. Een strafrechtelijke veroordeling is geen voorwaarde. Een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit is echter onvoldoende. De vastgestelde gedragingen dienen een zwaardere verdenking dan een redelijk vermoeden van schuld op te leveren. De bewijslast ligt bij Univé. Het hof dient daarom te beoordelen of voldoende aannemelijk is of Univé in een bodemprocedure dit bewijs zal kunnen leveren. Daartoe loopt het Hof de verklaringen van de student af. De argumenten die de student aanvoert acht het hof ongeloofwaardig. Waarom de student in eerste instantie wel verklaart over een stuurslot en een alarm maar niet over een ART‐slot acht het hof onverklaarbaar. Het Hof acht het in hoge mate aannemelijk dat de student de motorfiets niet met een ART‐slot had afgesloten en dat hij dit de eerste keer ook conform de waarheid heeft gemeld aan Univé. Toen hij ontdekte dat de diefstal dan niet verzekerd zou zijn, heeft hij in strijd met de waarheid verklaard dat wel een ART‐slot door hem is gebruikt, met het doel Univé tot uitkering onder de polis te bewegen. Dit levert een zwaardere verdenking dan een redelijk vermoeden van poging tot fraude op. De student is 22 jaar oud en first offender. Van een vooropgezet plan is niet gebleken. Het financiële belang van de zaak is beperkt. Een langere opname in de registers dan twee jaar is in casu niet proportioneel, het Hof stelt die termijn dan ook (indien Univé tot her‐inschrijving over gaat, na het vonnis in eerste aanleg was de registratie reeds beëindigd) op maximaal twee jaren en veroordeelt de student tot restitutie van aan hem werd uitbetaald.

mr. Robert Lonis


Bezuinigen op verzekeringspremies valt duur uit

19-03-2018

Bezuinigen op verzekeringspremies valt duur uit voor transportbedrijf die assurantietussenpersonen liet concurreren op prijs


Een transportbedrijf met een eigen wagenpark en eigen chauffeurs in dienst sluit haar verzekeringen graag af tegen de laagst mogelijke premie. Daarbij maakt zij gebruik van twee assurantietussenpersonen: Rabobank en Meeùs. Het transportbedrijf verzocht beide tussenpersonen offertes uit te brengen, zodat er sprake zou zijn van optimale prijsvorming. Voor schade als gevolg van eenzijdige ongevallen kon het transportbedrijf kiezen uit de Schadeverzekering inzittenden (SVI) en de Werkgeversaansprakelijkheid Motorrijtuigen (WEGAM). Het transportbedrijf koos altijd voor deze laatste. Via Meeùs liep lange tijd een wagenparkverzekering zonder SVI‐dekking bij Achmea en een WEGAM polis bij Turien. Na een verzoek nieuwe offertes uit te brengen, komt Nationale Nederlanden met een scherpe offerte. Meeùs leidt berichtgeving door waarin is vermeld dat de SVI niet in de premie is meegenomen, dat zou € 30,‐ per voertuig extra kosten. Enige tijd later beëindigt de Rabobank namens het transportbedrijf de WEGAM‐verzekering, in plaats daarvan sluit zij een Bedrijven Compact Polis bij Interpolis. Deze polis verzekert tevens het WEGAM‐risico, maar alleen als het kentekenbewijs van het motorvoertuig waarmee schade wordt geleden niet op naam van het transportbedrijf staat. Aan Rabobank werd voorgehouden dat het transportbedrijf ook een SVI‐dekking had. Een chauffeur raakt betrokken bij een eenzijdig ongeval en lijdt schade. Hij stelt het transportbedrijf aansprakelijk.

Het transportbedrijf probeert de schade te verhalen op Nationale Nederlanden enerzijds en de assurantietussenpersonen anderzijds. Volgens het transportbedrijf bestond er bij NN wel SVI‐dekking omdat dit werd vermeld in de collectieve contractenafspraken ter zake het wagenpark. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de collectieve contractafspraken als polis worden aangemerkt en leveren deze als zodanig dwingend bewijs op. Dat bewijs ontkracht NN door aannemelijk te maken - door het overleggen van correspondentie ‐ dat partijen SVI‐dekking niet zijn overeengekomen. Nationale Nederlanden mocht er voorts op vertrouwen dat Meeùs met het transportbedrijf besprak welke vorm van dekking wenselijk was en erop toezag dat die dekking vervolgens ook werd verkregen. Ook had het transportbedrijf andere mogelijkheden om risico’s voor haar chauffeurs af te dekken en werd zij bijgestaan door twee professionele partijen. Daarom rustte er op Nationale Nederlanden geen verplichting haar ervoor te waarschuwen dat zij niet koos voor SVI‐dekking. In het licht van de omstandigheden van het geval, Meeùs was immers bekend met de eerder gesloten WEGAM‐polis, oordeelt de rechtbank dat Meeùs niet kan worden verweten dat zij er niet voor heeft gezorgd dat de (overgesloten) wagenparkverzekering SVI‐dekking ‐ welke optie zij wel had aangeboden ‐ zou bieden. Ter zitting komt vervolgens vast te staan dat het transportbedrijf voorafgaand aan het oversluiten van de WEGAM‐verzekering, eind 2012, uitdrukkelijk heeft verteld dat zij beschikte over een SVI. Rabobank mocht van deze mededeling, nota bene van een professioneel transportbedrijf, uitgaan. De rechtbank oordeel dat in een geval als het onderhavige, waarbij twee of meerdere  assurantie-tussenpersonen zijn ingeschakeld, van de afzonderlijke partijen niet een grotere oplettendheid kan worden verwacht. In zo’n situatie rust veeleer een grotere verantwoordelijkheid op de verzekerde om ervoor te zorgen dat de tussenpersonen goed worden geïnformeerd over de omvang van de dekking van de verzekeringen waarbij de andere tussenpersoon niet heeft bemiddeld. De zorgplicht van de assurantietussenpersoon gaat in het algemeen niet zo ver dat hij moet controleren of de informatie die zijn klant hem verstrekt wel juist is. De gevolgen van een eigen vergissing kan het transportbedrijf niet afwentelen op de tussenpersoon, de rechtbank wijst de vorderingen af.

mr. Robert Lonis


Hypotheekverstrekker moet BKR-registratie tussentijds verwijderen

15-03-2018
Als u een lening met een kredietbedrag boven de € 250,- afsluit, is de kredietverstrekker verplicht om dit aan het Bureau Kredietregistratie (BKR) te melden. U wordt in dat geval geregistreerd in het Centraal Krediet Informatiesysteem (CKI). Er is echter één lening die pas wordt gemeld bij een achterstand, namelijk de hypotheek. Als u op uw hypotheek een betalingsachterstand heeft van meer dan drie maandtermijnen, krijgt u een negatieve registratie. Die registratie blijft in beginsel vijf jaar zichtbaar, maar er kan tussentijds aanleiding bestaan om de registratie te verwijderen, namelijk als handhaving van die registratie in strijd is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Zo rees in de uitspaak van de Rechtbank Oost-Brabant van 30 oktober 2017 de vraag of een hypotheekverstrekker op die grond een BKR-registratie tussentijds diende te verwijderen.

De heer en mevrouw (hierna: ‘’betrokkenen’’) hebben begin 2011 een appartement gekocht. Voor de financiering van de aankoop van het appartement hebben zij een hypothecaire geldlening afgesloten bij een hypotheekverstrekker. Een week nadat het appartement aan hen was opgeleverd is de heer door zijn werkgever ontslagen, waardoor zijn inkomen aanzienlijk was gedaald.  De betrokkenen hebben de hypotheekversterker echter in eerste instantie niet ingelicht over het ontslag en de inkomensdaling. Pas op het moment dat er een betaalachterstand ontstond gaven de betrokkenen aan dat de situatie niet op korte termijn zou veranderen. De hypotheekverstrekker heeft hierop aangegeven dat zij verplicht is om de betaalachterstand bij het BKR te melden, als deze niet binnen 10 dagen wordt afgelost. Nadat de betaalachterstand niet was afgelost kregen de betrokkenen een zogenaamde A-codering (betaalachterstand) in het CKI van het BKR.

De woning is vervolgens na onderling overleg tussen de betrokkenen en de hypotheekverstrekker verkocht. De volledige hypotheekschuld werd met de verkoopopbrengst afgelost. De hypotheekversterker heeft na de volledige aflossing een H-codering (H staat voor herstel) geregistreerd, waarmee werd aangegeven dat de betaalachterstand was ingelopen.

De betrokkenen moesten echter op zeer korte termijn hun huurwoning verlaten maar werden door de registratie belemmerd in het vinden van een vervangende (koop)woning. Om die reden wenste zij dat de registratie in zijn geheel zou worden verwijderd. Met tussenkomst van CoderingVrij hebben zij de hypotheekverstrekker meermaals verzocht om de BKR-registratie te laten verwijderen. De hypotheekverstrekker heeft de verzoeken echter steeds afgewezen.

Nu de hypotheekverstrekker de BKR-registratie niet wilde verwijderen, vorderden de betrokkenen middels een kort geding om de hypotheekverstrekker de vermelde ‘A’ en ‘H’ coderingen bij het BKR geheel door te laten halen. Volgens hen zou de hypotheekverstrekker ten onrechte niet mee willen werken met de verwijdering van de coderingen bij het BKR. Zo stelde zij dat de hypotheekverstrekker de in de jurisprudentie voorgeschreven belangafweging niet goed zou hebben uitgevoerd en dat de registratie in zijn geheel ten onrechte zou hebben plaatsgevonden. Daarnaast zou het handhaven van de registratie volgens betrokkenen in strijd zijn met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. De hypotheekverstrekker deelde dat standpunt niet en voerde daarentegen, dat de betrokkenen geen spoedeisend belang hadden. Voorts zou de BKR-registratie volgens haar geheel in verhouding staan tot de omvang en duur van de betalingsachterstand.

De voorzieningenrechter overwoog dat de betrokkenen voldoende spoedeisende belang hadden bij het gevorderde, nu zij voldoende aannemelijk hadden gemaakt dat zij de woning die zij huurde op korte termijn diende te verlaten. Daarnaast was het volgens de rechter evident dat de betrokkenen door de BKR-codering werden beperkt in hun mogelijkheden tot het verkrijgen van een financiering en dus in hun mogelijkheden tot het vinden van een vervangende woning.

De hypotheekversterker was gelet op het arrest van de Hoge Raad van 9 september 2011 ( ECI:NL:HR:2011:BG8097) verplicht om voor de BKR-registratie een belangenafweging uit te voeren en heeft dat volgens de voorzieningenrechter ook gedaan. Die belangenafweging is, gezien de toenmalige achterstand, terecht in het nadeel van de betrokkenen uitgevallen. Het handhaven van de registratie gedurende de volledige vijf jaar is echter in dit geval in strijd met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Het doel van een BKR-registratie is volgens de rechter namelijk om zakelijke klanten een goed te beeld geven van de financiële positie van een consument en om te voorkomen dat een consument teveel schulden opbouwt. De betaalachterstand van betrokkenen was gelegen in het feit dat het inkomen van betrokkenen dramatisch was gedaald. Het risico dat zo’n situatie zich nogmaals zou voordoen was volgens de rechter zo goed als uitgesloten. Daarbij was het ook van belang dat de hypotheekschuld volledig was afbetaald, de betrokkenen geen andere schulden meer hadden en het inkomen inmiddels stabiel was. De rechter oordeelt derhalve dat de hypotheekverstrekker de registratie binnen 24 uur na de betekening van het vonnis tussentijds moest verwijderen.

Deze uitspraak laat vooral zien dat het bij de beoordeling van de verwijdering van een BKR-registratie aankomt op de specifieke omstandigheden van het geval. Mocht u vragen hebben of twijfelen over de rechtmatigheid en of handhaving van uw BKR-registratie, dan helpt Okkerse & Schop Advocaten u daar graag mee.

mr. Jihad Bennani-karim


Klare taal in echtscheidingsconvenant

12-03-2018

Klare taal in echtscheidingsconvenant; advocaat niet aansprakelijk voor vermeende wanprestatie en onrechtmatige daad


Een advocaat staat een man bij in verband met een echtscheidingsprocedure. Bij de scheiding, na 23 jaar huwelijk, veroordeelt de Rechtbank de man tot betaling van partner‐ en kinderalimentatie. Het echtscheidingsconvenant stelt het scheidende paar in overleg en na onderhandeling met behulp van hun advocaten op. Na ommekomst van vier jaren verzoekt de vrouw in rechte herziening van de bijdrage in de kosten van levensonderhoud en nabetaling van een bedrag van ruim € 9.000,‐ in verband met omzetting van kinderalimentatie in partneralimentatie. De rechtbank wees de vorderingen van de vrouw toe, in hoger beroep komen de man en vrouw tot een vaststellingsovereenkomst.

De man spreekt vervolgens zijn advocaat aan. Deze zou zijn tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen ingevolge de met de man gesloten overeenkomst van opdracht. De advocaat heeft de bedoeling van partijen bij de redactie van het convenant miskend. Bedoeld was volgens de man om de alimentatie te maximeren tot vier jaren. Ook was het niet de bedoeling om de kinderalimentatie om te kunnen zetten in partneralimentatie bij het bereiken van de leeftijd van 21 jaren en verzuimde de advocaat hem te wijzen op een in dat opzicht mogelijk ruimere uitleg van het convenant. De man vordert een verklaring voor recht (wanprestatie) en schadevergoeding tot een bedrag van € 61.083,44. De rechtbank wijst de vorderingen af. In Hoger Beroep vult de man zijn eis aan met onrechtmatig handelen.

Het Hof oordeelt als volgt.
Als uitgangspunt staat voorop dat een advocaat als beroepsbeoefenaar de zorgvuldigheid dient te betrachten die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht. Dit brengt onder meer mee dat een advocaat die een cliënt adviseert in het kader van een door deze te nemen beslissing over een bepaalde kwestie, zijn cliënt in staat stelt goed geïnformeerd te beslissen (vgl.HR 18 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2745).

Het Hof stelt daarbij voorop dat de stelplicht en bewijslast bij de man berust. Dit geldt zowel voor de gestelde tekortkomingen c.q. onrechtmatige gedragingen van de advocaat als voor de gestelde schade en het causale verband tussen de gestelde schade en de gestelde tekortkomingen c.q. onrechtmatige gedragingen van de advocaat. De stelling dat de advocaat de bepalingen niet redigeerde zoals de man en de vrouw (gezamenlijk) bedoelden strandt. De vrouw stelde (namelijk) in de herzieningsprocedure dat in het convenant verwoord was wat zij overeengekomen waren. Een door de man veronderstelde erkenning door de advocaat in een e‐mail blijkt dat niet te zijn geweest, daarbij voldoet deze niet aan de vereisten van artikel 154 RV. Het beroep op de opdrachtbevestiging, waarin staat dat de man bereid is om gedurende een afgebakende periode bij te dragen in het levensonderhoud van de vrouw, baat de man evenmin. De omschrijving in de brief is daartoe te vaag en aan de intentie van alleen de man kan de bedoeling van (beide) partijen bij het ondertekenen van het convenant niet worden ontleend. Dat in een van de (eerste) concepten een beperkte termijn van vier jaren was vermeld, betekent nog niet dat partijen bij het sluiten van het convenant in de definitieve versie iets anders bedoelden dan dat daar in stond.

Het Hof oordeelt dat de betekenis van de bepalingen in het convenant voor de man voldoende duidelijk moeten zijn geweest, hij heeft deze ook na overleg met zijn advocaat goedgekeurd. De man stelt onvoldoende om zijn stellingen te onderbouwen. De stelling van de man dat de redactie van de bepaling omzetting kinderalimentatie naar partneralimentatie ruimte voor discussie laat acht het Hof niet juist. Het in dat kader door de vrouw gevorderde werd door de Rechtbank eerder al toegewezen, volgens het Hof ontbreekt causaal verband de gevorderde schade en de beslissing van de rechtbank. Het Hof stelt de man in het ongelijk en veroordeelt hem in de kosten.

mr. Robert Lonis


Geslaagde workshop AVG in samenwerking met VBA

28-02-2018
De leden van de Vereniging Bedrijfskring  Almere volgden gisteren een workshop over de Algemene Verordening Gegevensbescherming bij Okkerse & Schop Advocaten. Tijdens de workshop werden de leden bijgepraat over de nieuwe privacyregelgeving. Aansluitend vond het VBA-zakenuurtje plaats, waar onder het genot van een hapje en drankje werd nagepraat. Geslaagde bijeenkomst!



Niet handelen gemeente leidt tot oordeel eigen schuld en verkrijgende verjaring

26-02-2018

Niet handelen gemeente bij kenbare inbreuk op eigendom grond leidt tot oordeel eigen schuld en

verkrijgende verjaring


In 1984 koopt een echtpaar een woning met een achtertuin. Achter de woning ligt een stuk grond dat in eigendom toebehoort aan de gemeente. Het echtpaar neemt een deel van die grond in gebruik. Zij gaan aan de slag met de beplanting en plaatsen een hek, dit om te voorkomen dat de kippen en honden kunnen ontsnappen uit de tuin en om te voorkomen dat de (dan nog) kleine kinderen in de nabij gelegen vijver belanden. Ook plaatst het echtpaar een speelhuisje, dat later wordt vervangen door een tuinhuisje. Het aldus in gebruik genomen stuk grond is ongeveer 61 vierkante meter groot. Sindsdien is de gemeente niet meer op dat stuk grond geweest en pleegt daar dus ook geen onderhoud aan. Wel pleegt de gemeente onderhoud aan naastgelegen stukken grasland en groen. In het najaar van 2014 voert de gemeente beleid in om versnipperd groen te verkopen aan gebruikers. Het echtpaar ontvangt een aanbod om het door hen in gebruik genomen stuk grond te kopen tegen betaling, met enige andere voorwaarden, van € 75,‐ per vierkante meter. Na initieel akkoord onder voorbehoud stelt het echtpaar zich op het standpunt eigenaar te zijn geworden door inbezitneming en verkrijgende verjaring. De gemeente deelt dat standpunt niet.

In rechte vordert de gemeente te verklaren voor recht dat het perceel toebehoort aan de gemeente, met nevenvorderingen onder dwangsom om de grond te ontruimen. Het echtpaar vordert in reconventie te verklaren voor recht dat zij eigenaars zijn geworden, met als nevenvordering een vonnis te wijzen dat kan worden ingeschreven in het kadaster. De gemeente vordert subsidiair, indien de vordering van het echtpaar voor toewijzing vatbaar blijkt, te verklaren voor recht dat door de inbezitneming te kwader trouw en onrechtmatig door het echtpaar is gehandeld. De Rechtbank stelt dat de kern van het geschil de vraag betreft wie nu eigenaar van de grond is. De Rechtbank betrekt hanteert de objectieve maatstaf die voortvloeit uit wet en jurisprudentie. Bezit dient ondubbel-zinnig en openbaar te zijn, op grond waarvan de eigenaar tegen wie verjaring loopt, daaruit niet anders kan afleiden dat dat de bezitter pretendeert eigenaar te zijn (HR 15 januari 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0826). Vereist is dat de machtsuitoefening zodanig is dat naar verkeersopvatting het bezit van de oorspronkelijke eigenaar teniet wordt gedaan (vgl. HR 18 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2743). Op de (algemene) verweren van de gemeente , verklaart het echtpaar – na overleg van fotomateriaal – nader over het ononderbroken gebruik en bezit van het stuk grond.

De Rechtbank oordeelt dat de situatie kennelijk al jaren hetzelfde is, waarbij de grond is ingericht met pretentie van eigendom gelet op gebruik, hekwerk en het voor derden niet toegankelijk zijn daarvan. Het gebruik door het echtpaar was kenbaar, maar vormde voor de gemeente blijkbaar geen reden om in te grijpen. Het oordeel luidt dat de (verkrijgende) verjaring is voltooid omdat het echtpaar gedurende twintig jaar onafgebroken het bezit van de grond heeft gehad. Over de onrechtmatige daad oordeelt de Rechtbank dat het echtpaar te kwader trouw handelde, daarmee toerekenbaar inbreuk pleegde op het eigendomsrecht van de gemeente en in beginsel schadeplichtig is. Artikel 6:103 BW bepaalt dat schadevergoeding wordt voldaan in geld, tenzij de rechter een andere vorm toekent. Het beroep van de gemeente op de Rechtspraak (HR 24 februari 2017 ECLI:NL:HR:2017:309) waarbij terug levering in geval van kwader trouw werd toegewezen passeert de Rechtbank. In het onderhavige geval wist de gemeente immers dat inbreuk werd gemaakt, maar liet zij na op te treden. Als gevolg van eigen schuld stuit toewijzing van de vordering tot schadevergoeding in de vorm van teruggave af. Een  schadevergoeding in geld is niet gevorderd, zodat de Rechtbank daartoe ook geen ruimte heeft. De Rechtbank verklaart wel voor recht dat het echtpaar jegens de gemeente onrechtmatig heeft gehandeld, maar kent geen schadevergoeding toe. Verder wijst de Rechtbank de vorderingen van het echtpaar toe en veroordeelt de gemeente in de kosten van het geding.

mr. Robert Lonis


Geslaagde Startersdag Almere!

21-02-2018
Tijdens de Startersdag Almere, die op 20 februari jl. plaatsvond, hebben we met veel starters kennis mogen maken. Ook ons seminar: Starter, heb jij de juridische zaken al goed geregeld? is goed bezocht.

Een geslaagd evenement!



Automobilist niet aansprakelijk na val fietser

21-02-2018

Automobilist niet aansprakelijk na val fietser. Geen aanrijding, overmacht aannemelijk gemaakt


Een Duits stel fietst tijdens hun vakantie over een smalle weg nabij Schoorl. De weg is dan nog niet voorzien van (onderbroken) strepen. Het stel rijdt op mountainbikes, de man voorop, de vrouw, die lerares is, er achteraan. In de weg is een bocht waarbij het zicht op tegemoetkomend verkeer volledig wordt belemmerd door begroeiing. Het stel fietst daar sportief (redelijk snel) op af. Van de andere kant nadert een Nederlands stel in een Fiat 500 de bocht. Hun snelheid is laag, zij verklaren met ongeveer 15 km per uur de bocht te hebben genaderd. De man passeert de auto rechts, dus op zijn eigen weghelft. De vrouw lijkt de auto pas laat op te
merken. Als zij de auto ziet schrikt zij en remt krachtig. Ook gooit ze haar stuur om naar rechts. Vervolgens valt zij van haar fiets op het asfalt. Alleen haar rugzak raakt de auto, die dan inmiddels stil staat. Haar situatie lijkt mee te vallen, de bestuurder van de auto brengt de vrouw naar haar vakantiehuis. Later gaat de vrouw alsnog naar het ziekenhuis, haar pols blijkt gebroken evenals haar onderbeen en wel op twee plaatsen. Als gevolg van haar val kan de vrouw haar werk als lerares – na een re‐integratietraject – niet meer aan en is zij in behandeling voor een posttraumatisch stresssyndroom.

De vrouw vordert een verklaring voor recht dat de automobilist aansprakelijk is voor de schade. De basis voor die vordering ligt in artikel 185 lid 1 Wegenverkeerswet, die bepaalt als volgt: “Indien een motorrijtuig waarmee op de weg wordt gereden, betrokken is bij een verkeersongeval waardoor schade wordt toegebracht aan, niet door dat motorrijtuig vervoerde, personen of zaken, is de eigenaar van het motorrijtuig (…) verplicht om die schade te vergoeden, tenzij aannemelijk is dat het ongeval is te wijten aan overmacht (…).” Hoewel er geen aanrijding met de auto plaatsvond, was deze wel “betrokken” bij het ongeval, zodat deze bepaling van toepassing is. Het uitgangspunt is daarom aansprakelijkheid van de automobilist, tenzij deze aannemelijk maakt dat het ongeval te wijten is aan overmacht. In het kader van de behandeling worden diverse personen onder ede gehoord. De verklaringen zijn grotendeels gelijkluidend, maar wijken op enige punten – in het bijzonder over de plaats van het voertuig op de smalle weg – ook af. Er vindt een decente plaats om nader inzicht te verwerven. De verklaringen van het Duitse stel gaan uit van een positie van de auto op hun weghelft. Het Nederlandse stel verklaart dat zij op hun eigen weghelft reden, zodat er voldoende ruimte was
voor tegemoet komend verkeer om te passeren. De man kon dat ook gewoon. De rechter stelt vast dat het een openbare weg betreft, open voor alle verkeer, waar een maximum snelheid geldt van 50 km/h. De automobilist kan, gezien de situatie ter plaatse, de fietsers niet hebben gezien. Hij reed langzaam de bocht in, naar het oordeel van de Rechtbank bracht de automobilist met 15 km/h zijn snelheid voldoende terug. De stelling van de advocaat van de fietsers dat de automobilist stil moest gaan staan, volgt de rechter niet. Het is voldoende als de snelheid gepast is teruggebracht. Over de positie van de auto oordeelt de rechter dat de verklaring van de man, die de auto kon passeren, niet strookt met de plaats waar de vrouw en haar fiets na de val op het asfalt waren terechtgekomen. Die plek duidt er op dat er voldoende afstand was om te passeren. Het lijkt er op dat de schrik bij de vrouw tot haar val leidde, waarmee de rechter tot het oordeel komt dat aan de automobilist rechtens geen verwijt valt te maken. Het beroep op overmacht slaagt, de rechter wijst de vorderingen van de Duitse af en veroordeelt haar in de kosten van het geding.

mr. Robert Lonis


Laagste eigen bijdrage in geval van minnelijk schuldhulpverleningstraject

19-02-2018
Op het moment dat een schuldenaar in een minnelijk schuldhulpverleningstraject een toevoegwaardige rechtsvraag heeft, hoeft hij hiervoor alleen de laagst mogelijke eigen bijdrage te betalen. In een dergelijk geval wordt het inkomen van de rechtzoekende schuldenaar niet getoetst. In 2018 is de laagste eigen bijdrage voor rechtsbijstand € 196. Hierop kan een korting verkregen worden van € 53,- indien men een diagnosedocument – een doorverwijzing - van het Juridisch Loket heeft verkregen. Een schuldenaar in een minnelijk schuldhulpverleningstraject wordt hierin gelijk gesteld aan schuldenaren in het wettelijke schuldsaneringstraject, waarvoor de laagste eigen bijdrage ook geldt. Aanvullend vereiste voor de schuldenaar in het minnelijke schuldhulpverleningstraject is dat de schuldregelingsovereenkomst tussen de schuldhulpverleningsinstantie en de schuldenaar ondertekend dient te zijn. 

Ondanks dat de afspraak tussen de branchevereniging voor schuldhulpverlening en sociaal bankieren, de NVVK en de Raad voor Rechtsbijstand hieromtrent reeds bestond, bleek dat zich in de praktijk problemen voordeden met het toekennen van de laagste eigen bijdrage. Zo vereiste de werkinstructie voor de medewerkers van de Raad voor Rechtsbijstand dat sprake diende te zijn van een getekende overeenkomst met alle schuldeisers voor wat betreft het akkoord. Hierdoor vielen schuldenaren die zich in de fase voor het akkoord bevonden, buiten de gelijkstelling aan schuldenaren in het wettelijk schuldsaneringstraject.

De NVVK heeft met de Raad voor Rechtsbijstand overeenstemming bereikt over de gelijkstelling van de schuldenaren in het minnelijke schuldhulpverleningstraject aan de schuldenaren in het wettelijke schuldsaneringstraject. Vanaf 1 januari jl. geldt dan ook dat schuldenaren de laagste eigen bijdrage verschuldigd zijn in geval van toevoeging, ongeacht of met schuldeisers al een akkoord is bereikt. De werkinstructie voor de medewerkers van de Raad voor Rechtsbijstand is sindsdien aangepast.


mr. Mariska Zentveldt


Meld je aan voor het webinar AVG!

15-02-2018
Op dinsdag 27 februari a.s. organiseren wij in samenwerking met Wolters Kluwer een interactief webinar over de AVG met praktische tips en uitleg over duurzaam digitaal ondernemen. Lees meer >>


Een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, tenzij

14-02-2018
... de ontbindende voorwaarde in het arbeidsrecht

Een ontbindende voorwaarde wordt meer dan eens opgenomen in een overeenkomst. Er is dan direct sprake van een overeenkomst tussen partijen, maar deze overeenkomst wordt ontbonden als de ontbindende voorwaarde zich voordoet (bijvoorbeeld als de financiering niet tot stand komt). Hoewel een ontbindende voorwaarde in principe in elke overeenkomst kan worden opgenomen, is het minder gebruikelijk dit te doen bij een arbeidsovereenkomst. Door werkgevers wordt het toch wel eens geprobeerd, zonder succes. De ontbindende voorwaarde dat de arbeidsovereenkomst eindigt als de musicalproductie (waarin de werknemer speelde) stopt, is bijvoorbeeld niet toegestaan. In haar uitspraak van 10 oktober 2017 zag het Hof Den Haag echter wél reden de ontbindende voorwaarde in de arbeidsovereenkomst toe te staan. Wat speelde daar?

De betreffende werknemer was sinds 1999 als schilder werkzaam voor een schilderbedrijf. Twaalf jaar later blijkt het niet goed te gaan met de onderneming en vraagt het schildersbedrijf bij het UWV een ontslagvergunning aan. Aangezien deze werknemer al eind vijftig is, probeert het schildersbedrijf hem te herplaatsen zodat de werknemer tot aan zijn pensioen kan blijven werken. Uiteindelijk blijkt bedrijf X bereid om de werknemer over te nemen. De intentie van het schilderbedrijf wordt gecommuniceerd met de vakbonden en tussen het schilderbedrijf en het bedrijf X komt een overeenkomst tot stand. Daarin wordt onder andere bepaald dat indien de werknemer langdurig ziek wordt (26 weken of langer), hij per direct terugvalt in het oude dienstverband met het schildersbedrijf. Nadat de werknemer een aantal maanden voor het bedrijf X heeft gewerkt wordt hij langdurig ziek en 26 weken later ontvangt hij een brief van het bedrijf X waarin wordt aangegeven dat – vanwege de langdurige ziekte – hij per direct terugvalt in zijn oude dienstverband en hij wordt verzocht zich te melden bij het schildersbedrijf.

Aangezien zowel het schildersbedrijf als het bedrijf X geen loon meer uitkeren, stapt de werknemer naar de kantonrechter. Daar vangt de werknemer bot: de kantonrechter bepaalt dat er een terugkeerbepaling was opgenomen in de arbeidsovereenkomst en het dienstverband met het schildersbedrijf daarom is gaan herleven. Dit is – volgens de kantonrechter – een geldige ontbindende voorwaarde die de overeenkomt met het bedrijf X van rechtswege heeft doen laten eindigen.

In hoger beroep stelt het Hof voorop dat het wettelijke stelsel van ontslagrecht en de arbeidsovereenkomst een grote mate van bescherming bieden aan een werknemer en dat een ontbindende voorwaarde in de arbeidsovereenkomst daarom de uitzondering dient te zijn.

Nu dat niet uit de wet of rechtspraak volgt, meent het Hof dat een ontbindende voorwaarde op zich niet schriftelijk overeen hoeft te worden gekomen. De terugkeerbepaling betekent feitelijk dat de werknemer bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst met het bedrijf X, nog een slapend dienstverband had met het schildersbedrijf, welke overeenkomst na het inroepen van de ontbindende voorwaarden als het ware herleeft. Het Hof hecht dan vooral veel belang aan het feit dat door het inroepen van de ontbindende voorwaarde de werknemer niet zonder arbeidsovereenkomst komt te zitten en zijn bijbehorende rechtspositie niet kwijtraakt. Integendeel, zijn eerdere dienstbetrekking (met het schildersbedrijf) herleeft en daardoor komt hij in dezelfde rechtspositie te verkeren als voordat hij de overeenkomst met het bedrijf X aanging. Op zichzelf komt de werknemer door de ontbindende voorwaarde niet in een slechtere positie dan waarin hij zich voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst bevond. Het Hof oordeelt daarom dat deze ontbindende voorwaarde niet onverenigbaar is met het ontslagrecht.

Deze uitspraak van het Hof laat vooral zien dat het bij de beoordeling van de geldigheid van een ontbindende voorwaarde in de arbeidsovereenkomst aankomt op de specifieke omstandigheden van het geval. Laat een ontbindende voorwaarde in uw arbeidsovereenkomst daarom altijd controleren door een advocaat. De arbeidsrechtspecialisten van Okkerse & Schop Advocaten helpen u daar graag mee.

mr. Simon Booij


Ben jij als starter juridisch goed voorbereid?

13-02-2018

Kom naar de Startersdag Almere!

Op dinsdag 20 februari a.s. vind de Startersdag in Almere plaats. Tijdens dit evenement kun jij je als starter laten informeren over verschillende onderwerpen. Ook wij zijn aanwezig en gaan graag met je in gesprek over alle juridische zaken die jij als starter geregeld moet hebben. Lees meer >>


Toekenning smartengeld na letsel als gevolg van onzorgvuldige behandeling met antibiotica

13-02-2018
Een vrouw bezoekt in verband met plotselinge pijn in haar rug het ziekenhuis. Na onderzoek luidt de conclusie dat zij een bacteriële infectie van een tussenwervelschijf had opgelopen. Zij wordt behandeld met breedspectrum antibiotica, waaronder het middel Gentamicine. De behandeling duurt 6 weken. Aansluitend krijgt de vrouw toenemende last van loopstoornissen, duizelingen, moeheid, rugklachten, hartkloppingen en algehele malaise. Een later onderzoek duidt op Gentamicine ototoxiciteit (vergiftiging van het binnenoor als gevolg van chemische producten), waarvan de schade onomkeerbaar kan zijn. Daarop stelt de vrouw het ziekenhuis aansprakelijk. Kort daarna erkent de beroepsaansprakelijkheid verzekeraar (Medirisk) van het ziekenhuis aansprakelijkheid voor het feit dat onvoldoende rekening is gehouden met de bijwerkingen van Gentamicine. De vrouw ervaart bijzonder veel ongemak van de gevolgen van de behandeling. Zo valt zij regelmatig, onder andere viel zij van de trap waarbij nek, borstkas en pols braken. De vrouw is haar zelfstandigheid kwijt, kan het huishouden niet meer doen, heeft continue zorg en ondersteuning nodig en haar sociale leven is radicaal veranderd. De behandelduur met Gentamicine dient zo kort mogelijk te worden gehouden (7 tot 10 dagen) en niet zes weken. Abusievelijk is bij de vrouw de spiegel van het medicijn niet meermaals gemeten. Bij zorgvuldig handelen zou de kans op evenwichtsstoornissen klein zijn geweest.

In de onderhavige deelgeschilprocedure vordert de vrouw voor recht te verklaren dat haar een bedrag van € 100.000,‐ aan smartengeld toekomt. Zij stelt daartoe dat haar leven, maar ook het leven van haar partner en minderjarige kind, als gevolg van de beroepsfout ingrijpend is veranderd. Medirisk stelt vraagtekens bij de mate van arbeidsongeschiktheid en stelt enige mate van eigen schuld als gevolg van alcoholgebruik (bij de val van de trap). De rechtbank overweegt dat de deelgeschilprocedure is bedoeld ter vereenvoudiging en versnelling van de buitengerechtelijke afhandeling van letsel‐ en overlijdensschade. De te geven beslissing dient bij te dragen aan het tot stand komen van een vaststellingsovereenkomst, zo nodig om een mogelijke impasse te doorbreken. Er is slechts verzocht om de omvang van de smartengeldvergoeding vast te stellen. Deze kan ook worden vastgesteld als tussen partijen nog geen overeenstemming bestaat over de omvang van de beroepsfout. Smartengeld is een naar billijkheid vast te stellen vergoeding voor het niet in vermogensschade bestaande nadeel dat is geleden als gevolg van een gebeurtenis (beroepsfout), waarbij lichamelijk letsel is opgelopen. Rekening moet worden gehouden met de omstandigheden van het geval, waaronder aard, ernst en duur van het letsel, pijn, intensiteit van het verdriet en de gederfde levensvreugde en de gevolgen daarvan voor de betrokkene. De rechter betrekt in zijn oordeel de zwaarte van het voorgaande door deze af te leiden uit min of meer objectieve factoren, de ernst van het te maken verwijt, aard van de aansprakelijkheid en dient daarbij te letten op in vergelijkbare gevallen uitgekeerde schadevergoeding. De Rechtbank neemt in het oordeel mee dat de vrouw met enige regelmaat is gevallen, met botbreuken tot gevolg. Het drinken van enige glazen wijn voorafgaand aan de val van de trap is daarbij niet maatgevend (voor eigen schuld). De Rechtbank sluit aan bij een in de Smartengeldgids opgenomen uitspraak over bijwerking van medicijnen met onomkeerbare schade tot gevolg en kent na weging van de omstandigheden een bedrag toe van € 65.000,‐ en begroot de kosten van de procedure (redelijke en reëel gemaakte kosten) conform opgave op € 6.655,‐

mr. Robert Lonis


#Me Too in de rechtszaal

01-02-2018
Hof oordeelt handelen budgetcoach grensoverschrijdend en maatschappelijk onbetamelijk en daarmee onrechtmatig.

Een vrouw benadert een budgetcoach om haar op financieel vlak te begeleiden. Na eerdere gesprekken vindt op enig moment een bespreking plaats in het huis van de vrouw. Zij wordt daarbij emotioneel. De man troost haar. Uit zijn nadien afgelegde verklaringen volgt dat de vrouw daarbij bij hem op schoot zat, haar hoofd tegen zijn schouder legde en hij een arm om haar middel had geslagen. Na het gesprek vindt Sms‐verkeer plaats, de vrouw zet de samenwerking stop. De man bericht dat hetgeen is voorgevallen niet goed was en vraagt om ‘het probleem onder ons te houden’. Kort daarop stelt de vrouw de budgetcoach aansprakelijk wegens onzedelijk betasten en aanranding. Zij vordert € 1.100,‐ aan smartengeld en enkele bedragen wegens kosten van juridische bijstand en andere kosten. Er volgt een voorlopig getuigenverhoor. De officier van justitie seponeert de zaak wegens gebrek aan bewijs, waarop een artikel 12 Strafvordering procedure volgt. Het Hof wijst het beklag van de vrouw af omdat onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig is van aanranding in strafrechtelijke zin om vervolging te bevelen. De vrouw
vordert bij de kantonrechter vergoeding van de gestelde schade (inmiddels in totaal € 1.623,‐ & PM), de budgetcoach vordert in reconventie schade wegens aantasting van zijn goede naam.

In rechte (eerste aanleg) oordeelt de kantonrechter dat niet vast staat dat sprake is geweest van seksueel grensoverschrijdend gedrag van de budgetcoach. In het oordeel betrekt de kantonrechter voorts de vraag of – fysiek contact tussen partijen staat namelijk wel vast – er misbruik is geweest van het in de budgetcoach gestelde vertrouwen, dan wel van grensoverschrijdend gedrag en daarmee onrechtmatig handelen. Tot uitgangspunt dient wat van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht. Of van overschrijdend gedrag dan wel misbruik sprake was, kan naar het oordeel van de kantonrechter in het midden blijven omdat niet voldoende vast staat dat tussen het handelen en de gestelde schade voldoende causaal verband bestaat. De kantonrechter wijst zowel in conventie als in reconventie de vorderingen af. In hoger beroep oordeelt het Hof alleen partijen uit eigen wetenschap kunnen verklaren over het voorval. Hun lezingen lopen uiteen. De budgetcoach erkent (beschikking Hof artikel 12 procedure) dat er contact is geweest dat niet past binnen de zakelijke relatie, maar betwist dat er feitelijkheden plaatsvonden die in strafrechtelijke zin als aanranding kunnen worden geduid. Het Hof oordeelt dat niet kan worden vastgesteld wat zich exact heeft afgespeeld, maar uit de Sms‐berichten vloeit voort dat door de vrouw het voorval als diepgaander werd ervaren dan louter troosten. Het Hof deelt het standpunt van de vrouw dat dergelijk handelen als grensoverschrijdend en maatschappelijk onbetamelijk en daarmee als onrechtmatig moet worden bestempeld. Ook als het voorval beperkt bleef tot hetgeen de budgetcoach verklaarde, overschreed hij de grens van het zakelijk contact waartoe een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot zich had moeten beperken. Dat geldt temeer nu de vrouw in een geëmotioneerde toestand verkeerde en het daarmee bij uitstek aan hem was om de grenzen van het contact te bewaren. Het Hof oordeelt dat, nu de vrouw het voorval als een inbreuk op haar persoon ervaart, enige vergoeding van immateriële schade gepast is. Het hof kent de vrouw € 250,‐ aan immateriële schade toe alsmede kosten (griffiegeld, taxe getuige en advocaatkosten).

mr. Robert Lonis


Uniek theater spektakel bij Vis a Vis Almere

01-02-2018
Donderdag 1 februari jl. hebben wij samen met onze relaties genoten van de spectaculaire theater- en dinerbelevenis ANTARTICA van theatergezelschap Vis à Vis te Almere.



Tien bedrijfskringen en VNO-NCW Flevoland ondertekenen manifest Lelystad Airport moet door

31-01-2018
Op dinsdag 30 januari jl. ondertekenden een tiental bedrijfskringen uit Flevoland en de Veluwezoom en VNO-NCW Flevoland een manifest voor spoedige opening van Lelystad Airport, op initiatief van de Stichting Lelystad Airport Moet Door.

Onder leiding van stichtingsvoorzitter Cees Okkerse werden voorafgaand daaraan bestuursleden van deze bedrijfskringen bijgepraat over de achtergronden en ontwikkelingen, waarbij feiten en fictie van elkaar werden onderscheiden door Hanne Buis, directeur Lelystad Airport, Jurgen van Avermaete, General Manager Procedures LVNL en Jop Fackeldey, Wethouder Economische Zaken van de Gemeente Lelystad.

Klik hier om het ondertekende manifest te bekijken.
Meer informatie staat op www.lelystadairportmoetdoor.nu



Foto: Fotostudio Wierd


Inloopspreekuren over Privacy wetgeving druk bezocht

31-01-2018
De inloopspreekuren die wij op maandag 29 januari jl. organiseerden ter ere van de Europese dag van de Privacy op zondag 28 januari zijn druk bezocht.

Tijdens de spreekuren gingen onze privacy specialisten met ondernemers in gesprek over de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) die op 25 mei 2018 van kracht wordt, welke verplichtingen dit met zich meebrengt, of zij een functionaris voor gegevensbescherming moeten  aanstellen en wat zij moeten doen in geval van een datalek.

De spreekuren werden zowel in Lelystad als Almere gehouden.



Kort Geding; geen concessies en geen alleenrecht voor pionierende exploitanten van snellaadstations langs rijkswegen

31-01-2018

In 2004 stelde de Minister het voorzieningenbeleid op verzorgingsplaatsen langs rijkswegen vast. Destijds voorzag men niet dat elektrisch en hybride rijden exponentieel zou toenemen. In 2012 verzocht de staat exploitanten van benzinestations en wegrestaurants op deze verzorgingsplaatsen om als aanvullende voorziening elektrische laadpalen te realiseren. Hoewel de Staat deze energielaadpunten door middel van een beleidswijziging als (zelfstandige) standaardvoorziening op verzorgingsplaatsen opnam, hebben de exploitanten van andere voorzieningen niet of nauwelijks energielaadpunten ontwikkeld. Fastned en Mistergreen hebben beide, na een verdelingsprocedure, voor meerdere verzorgingsplaatsen publiekrechtelijke vergunningen verkregen en privaatrechtelijke overeenkomsten met de Staat gesloten. Vervolgens hebben zij energielaadpunten gerealiseerd. De exploitanten van benzinestations hebben niet deelgenomen aan de verdelingsprocedure. Recent hebben benzinestationhouders aangekondigd ook snellaadstations, ook op locaties waar al een dergelijke voorziening van Fastned of Mistergreen aanwezig is, als basisvoorziening te willen aanleggen en daartoe de nodige stappen ondernomen. De Staat wenst daaraan mee te werken. Fastned c.s. vorderen een verbod aan de Staat om medewerking te verlenen. Zij stellen dat de Staat hen concessies voor de duur van 15 jaar heeft verleend. De duur van een concessie wordt zodanig gesteld, zij verwijzen naar de Europese richtlijn ter zake, dat de concessiehouder onder normale exploitatieomstandigheden in staat is om zijn investeringen terug te verdienen. De verleende concessie is te beschouwen als eigendom in de zin van artikel 1 Eerste Protocol EVRM. De Staat handelt volgens Fastned c.s. voorts onrechtmatig en in strijd met diverse algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

De Voorzieningenrechter overweegt dat Fastned c.s. niet hebben aangetoond dat aan hen een concessie is verleend. Dit volgt niet uit de verleende publiekrechtelijke vergunningen, noch uit de privaatrechtelijke overeenkomsten. Evenmin blijkt dat door de Staat is beoogd een exclusief recht te verlenen voor de exploitatie van laadpalen. Het huurrecht brengt ook niet met zich dat de Staat eisers moet vrijwaren van concurrentie. Fastned c.s. hebben dan ook geen exclusief recht op exploitatie van laadpalen gekregen en zij mochten er ook niet op vertrouwen dat exploitatie van deze (basis)voorzieningen door benzinestationhouders niet meer zou zijn toegestaan. Het tegendeel volgt juist uit de toelichting op het ter zake geformuleerde beleid. Nu er geen sprake is van concessies, is de Europese richtlijn niet van toepassing en faalt ook het beroep op bescherming van eigendom via het EVRM. De voorgenomen toestemming van de Staat betekent toepassing van bestaand beleid en levert geen aantasting van enig recht van Fastned c.s. op. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel faalt. Er verwezenlijkt zich een bedrijfsrisico, namelijk toenemende concurrentie, het evenredigheidsbeginsel strekt niet zover dat de Staat gehouden is dit te voorkomen. Van schending van het  zorgvuldigheidsbeginsel, afweging van de betrokken belangen, is evenmin sprake. Voorts oordeelt de Voorzieningenrechter dat er geen sprake is van gelijke gevallen. Van schending van het gelijkheidsbeginsel is daarom ook geen sprake. De Staat is niet gehouden om een level playing field te creëren. De weigering van de Staat om (meer) aanvullende voorzieningen bij de exploitatie van verzorgingsplaatsen toe te staan berust op privaatrechtelijke afspraken die eerder werden gemaakt. Dat Fastned c.s. nadien de markt voor energielaadpunten betraden, kan aan de Staat niet worden tegengeworpen. De vorderingen van Fastned c.s. worden afgewezen, met veroordeling van Fastned c.s. in de kosten van het geding.

mr. Robert Lonis


Okkerse & Schop Advocaten heeft 2 nieuwe advocaten

26-01-2018
Vanaf vandaag hebben wij er twee nieuwe advocaten bij! Daar zijn we erg blij mee.

Mr. Cathy Brocklebank en mr. Mariska Zentveldt zijn vanmiddag officieel beëdigd bij de rechtbank Midden-Nederland.
Cathy zal zich vanuit onze vestiging te Lelystad in het bijzonder bezighouden met het privacy recht en de ondernemingsrecht praktijk. Mariska is te vinden op ons kantoor in Almere en is werkzaam in het insolventie- en ondernemingsrecht.

Door hun komst kunnen we onze klanten nog sneller van dienst zijn.


De Uitvoeringswet Algemene Verordening Gegevensbescherming (UAVG)

26-01-2018
De Uitvoeringswet Algemene Verordening Gegevensbescherming (UAVG). Wat staat er in?
De UAVG, die uitvoering geeft aan de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG), is op 13 december 2017 bij de Tweede Kamer ingediend als wetsvoorstel. De UAVG zal, net als de AVG, in werking moeten treden op 25 mei 2018. De huidige Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) zal dan worden ingetrokken.

Toepassingsgebied
In de UAVG is gekozen voor een ruim toepassingsgebied. De uitvoeringswet is van toepassing indien de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker is gevestigd in Nederland. Daarnaast is de UAVG ook van toepassing indien organisaties in Nederland diensten en goederen aanbieden of indien er gedrag van betrokkene(n) wordt gemonitord en dit gedrag in NL plaatsvindt.
Het zou goed kunnen dat in geval van grensoverschrijdende verwerkingen, er twee verschillende uitvoeringswetten van toepassing zijn. Indien een organisatie in een andere lidstaat is gevestigd, maar in Nederland goederen of diensten aanbiedt, dan zou de uitvoeringswet van het land waar de organisatie gevestigd is bijvoorbeeld ook van toepassing kunnen zijn.

Biometrische gegevens
Biometrische gegevens worden in AVG gedefinieerd als “persoonsgegevens die het resultaat zijn van een specifieke technische verwerking met betrekking tot de fysieke, fysiologische of gedrag gerelateerde kenmerken van een natuurlijke persoon op grond waarvan eenduidige identificatie van die natuurlijke persoon mogelijk is of wordt bevestigd, zoals gezichtsafbeeldingen of vingerafdrukken.” De AVG verbiedt in beginsel de verwerking van biometrische gegevens. In de UAVG is een uitzondering op dit verbod opgenomen. De verwerking van biometrische gegevens is conform die uitzondering toegestaan, indien de verwerking plaatsvindt voor authenticatie of beveiligingsdoeleinden.

Schorsende werking boete
De UAVG kent schorsende werking toe aan het beroep dat kan worden ingesteld tegen het boetebesluit dat kan worden opgelegd door de Autoriteit Persoonsgegevens. Dit betekent dat de opgelegde boete niet betaald hoeft te worden, totdat er is beslist op het ingestelde beroep.
Tot op heden is er nog geen boete opgelegd door de Autoriteit Persoonsgegevens. Het is te verwachten dat er – zodra de Autoriteit Persoonsgegevens wel gebruik gaat maken van de boetebevoegdheid – veel geprocedeerd zal worden over de rechtmatigheid en de hoogte van de boete. Dat het beroep de werking van het boetebesluit opschort, zal er naar verwachting aan bijdragen dat organisaties het boetebesluit van de Autoriteit Persoonsgegevens willen aanvechten.

Wat staat er niet in?
Met het opstellen van de UAVG had de wetgever de kans om duidelijkheid te verschaffen over de vraag wanneer er een Functionaris Gegevensbescherming (FG) aangesteld dient te worden. De AVG schrijft voor dat er o.a. een FG aangesteld dient te worden indien er op grote schaal persoonsgegevens worden verwerkt door een organisatie of indien er persoonsgegevens worden verwerkt door een overheidsorgaan. Beide criteria roepen vragen op. Wanneer is er bijvoorbeeld sprake van verwerking van persoonsgegevens op grote schaal en welke organisaties dienen aangemerkt te worden als overheidsorganen? Zijn dat bijvoorbeeld alleen de A-organen of ook de B-organen? Helaas heeft de wetgever er niet voor gekozen om in de UAVG duidelijkheid te verschaffen op dit punt.

Vragen
Heeft u vragen over de UAVG of de AVG, en wat deze privacywetgeving voor uw organisatie betekent? Neem dan contact op met ons kantoor via 0320-289888 of advocaten@okkerse-schop.nl
mw. mr. S. Kleerebezem


Feestelijke start Almeerse Uitdaging

25-01-2018
Zaterdag 20 januari jl. is de Almeerse Uitdaging feestelijk van start gegaan in de Nieuwe Bibliotheek in Almere. Samen met wethouder Froukje de Jonge en Minister van Financiën Wopke Hoekstra gaf Monique van de Wakker, voorzitter Almeerse Uitdaging, het startsein voor de goede doelen marktplaats. Om de lancering te vieren bood Vis à Vis 400 entreekaarten inclusief diner (gerealiseerd door Voiceworks) voor hun voorstellingen aan.



Foto van links naar rechts
Wopke Hoekstra - Minister van Financiën, Froukje de Jonge – wethouder, Stijn Nijhuis - Voiceworks, Marianne Seine –Vis à Vis, Salah Assalhi - MTH accountants & adviseurs, Monique van de Wakker – Rabobank, Tom Mulder – Okkerse & Schop Advocaten

Almeerse uitdaging
De Almeerse Uitdaging is een bedrijvennetwerk dat zorgt voor een samenwerking tussen maatschappelijke organisaties, burgerinitiatieven en het lokale bedrijfsleven. Zij bemiddelen in vraag en aanbod van Materialen (meubels, spullen), Menskracht (kennis, extra handen, creativiteit) en Middelen (geld). Daarmee stimuleren zij bedrijven om maatschappelijk betrokken ondernemerschap te tonen in concrete acties en daarmee de leefbaarheid in de lokale samenleving te ondersteunen.



Bent u al privacy proof? Laat u op maandag 29 januari a.s. vrijblijvend adviseren!

24-01-2018

Bent u al privacy proof?
Laat u op maandag 29 januari a.s. vrijblijvend adviseren!


Zondag 28 januari 2018 is het de Europese dag van de Privacy.
Ter ere van deze dag informeren wij u op maandag 29 januari a.s. over de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) tijdens de gratis inloopspreekuururen op onze vestigingen in Lelystad en Almere.

De AVG wordt van kracht op 25 mei 2018 en brengt met zich mee dat uw organisatie, in vergelijking met de huidige wetgeving, aan nog strengere eisen moet voldoen. Tijdens onze spreekuren onderzoekt u samen met onze specialisten of de AVG op uw bedrijf van toepassing is, welke verplichtingen dit met zich meebrengt, of u een functionaris voor gegevensbescherming moet aanstellen en wat u moet doen in geval van een datalek. De belangrijkste veranderingen hebben wij voor u op een rijtje gezet in deze factsheet.

Inloopspreekuren
Wilt u graag met één van onze specialisten in gesprek? Kom dan naar een de inloopspreekuren:

Datum                       maandag 29 januari 2018
Locatie Lelystad      09.30 - 11.30 uur
Locatie Almere        13.00 - 15.00 uur


Bestuurder mag geen volmacht geven aan een derde om de bestuurstaak uit te voeren

22-01-2018
Uitspraak voorzieningenrechter Rechtbank Gelderland 19 april 2017.

De Voorzieningenrechter van de Rechtbank Gelderland heeft in de uitspraak van 19 april 2017 (ECLI:NL:RBGEL:2017:3273) geoordeeld dat een bestuurder de bestuurslast die de algemene vergadering hem daartoe heeft gegeven, niet buiten de algemene vergadering om aan een ander kan worden overgedragen. Indien een bestuurder toch zo’n ongeoorloofde volmacht afgeeft, handelt deze tegenover de overige bestuurders in strijd met de redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 BW en tegenover andere betrokkenen onrechtmatig.

In de betreffende uitspraak heeft de Voorzieningenrechter geoordeeld over het bestuur dat door twee verschillende bestuurders werd gevoerd over een besloten vennootschap (hierna: de vennootschap). De aandelen van de vennootschap waren gelijkelijk verdeeld tussen de management B.V.’s van drie compagnons. Op een zeker moment overlijdt één van de drie compagnons, als gevolg waarvan zijn management B.V. failleert. De overige compagnons, tevens de twee bestuurders van de vennootschap, raken gebrouilleerd en één van beiden wordt ziek. De zieke bestuurder schakelt een bedrijvendokter in, kennelijk met als doel om de andere bestuurder de vennootschap uit te werken. De zieke bestuurder verstrekt de bedrijvendokter een vergaande machtiging, waarna deze ingrijpende (bestuurs)maatregelen neemt. Zo wordt bijvoorbeeld een onderneming van de bedrijvendokter bij de Kamer van Koophandel ingeschreven als zelfstandig bestuurder van de vennootschap, wordt het postadres bij de bank gewijzigd naar het adres van de bedrijvendokter en worden ook de communicatiegegevens van de vennootschap gewijzigd naar zijn gegevens.

De Voorzieningenrechter oordeelde in de procedure die vervolgens werd gevoerd tussen de bestuurders van de vennootschap dat de zieke bestuurder zijn bestuurstaken niet krachtens volmacht aan de bedrijvendokter mocht overlaten. Het feit dat de bestuurder ziek was deed hier niets aan af omdat uit de statuten van de vennootschap volgde dat het niet aan de zieke bestuurder zelf is om voor vervanging te zorgen.

Mocht u meer willen weten over de mogelijkheden om bestuurstaken op rechtsgeldige wijze over te dragen, neem dan contact op met onze sectie.

Mr. Sanne Kleerebezem


''Voldoende mate van waarschijnlijkheid' genoeg om causaal verband aan te nemen bij gebrek aan enige alternatieve oorzaak

15-01-2018
Een medewerker van Landbouwmechanisatiebedrijf Schipper verricht onderhoudswerkzaamheden in opdracht van verzekerde maatschap Scholten. Partijen doen al langdurig zaken met elkaar. Scholten is verzekerd bij Delta Lloyd, Schipper bij ASR. Voor de werkzaamheden slijpt en braamt de werknemer met een slijptol een stuk buis af op de werkbank achter in zijn bus. De bus staat evenwijdig aan een kapschuur geparkeerd op een aantal meters afstand van een hakselaar. Voor de hakselaar staat een strobaal. Bij het slijpen met een slijptol schieten partikels die vrijkomen weg, doorgaans bij het slijpen naar achteren (lengterichting voertuig), bij het afbramen gebeurt dat zijwaarts. De werknemer constateert, nadat hij de buis tevergeefs heeft geprobeerd toe te passen, korte tijd later dat de strobaal in brand staat. De brand slaat over naar de kapschuur van Scholten. Er ontstaat schade, tot een bedrag van € 78.870,46, althans dat bedrag betaalt Delta Lloyd uit. Vervolgens stelt de verzekeraar werkgever Schipper aansprakelijk en vordert op basis van dagwaarde een bedrag van € 66.523,46. Zij stelt dat de brand is ontstaan door
slijpwerkzaamheden van de werknemer in de nabijheid van een strobunker. Op grond van artikel 7:962 BW subrogeert Delta Lloyd in de rechten van haar verzekerde. Op grond van de Bedrijfsregeling Brandregres 2000 is verhaal mogelijk bij onzorgvuldig handelen.

ASR voert verweer. Het causaal verband tussen het ontstaan van de brand en de werkzaamheden is niet aangetoond, althans de werkzaamheden zijn niet onzorgvuldig verricht. Ook is niet vast komen te staan wat exact de schade is en of het noodzakelijk was om het gehele (asbesthoudende) dak van de kapschuur te vervangen. Het verweer van ASR gebaseerd op verjaring enerzijds en op grond van toepasselijkheid van Metaalunievoorwaarden anderzijds passeert de Rechtbank. De verjaring weerlegt Delta Lloyd eenvoudig, de toepasselijkheid van de voorwaarden toont ASR niet afdoende aan. De werknemer verklaarde aan de toedrachtonderzoeker omtrent de plaatsing van zijn bus en de door hem uitgevoerde handelingen met de slijptol. Ook verklaarde hij dat er geen andere personen aanwezig waren, dat er niet is gerookt en dat hij bekend was met de (hete) partikels die bij slijpen vrijkomen en wegschieten, maar dat hij geen moment had gedacht aan de strobaal. De Rechtbank overweegt dat, hoewel de werknemer niet verklaarde dat hij had gezien dat partikels in de strobaal zijn gekomen, dit onverlet laat dat de oorzaak van de
brand ook met een voldoende mate van waarschijnlijkheid kan worden aangetoond als vaststaat dat zich geen enkele andere alternatieve oorzaak heeft gerealiseerd. Het is een feit van algemene bekendheid dat partikels door het slijpen een hoge temperatuur hebben. Verder volgt uit de verklaring dat de werknemer niet afdoende heeft gecontroleerd of er zich brandbare materialen in de omgeving bevonden. Onder de omstandigheden van het geval komt de Rechtbank tot het oordeel dat er
sprake was van onzorgvuldig handelen. Als werkgever is Schipper voor de gevolgen van dat handelen aansprakelijk. De rechtbank oordeelt – gelet op de gemotiveerde betwisting door ASR ‐ dat niet valt in te zien waarom aanspraak wordt gemaakt op schadevergoeding op basis van nieuwwaarde. Ook het verweer dat rekening moet worden gehouden met verrekening van nieuw voor oud, te weten het aanbrengen van een asbestvrij dak, komt de Rechtbank juist voor. Er kan (nog) geen uitspraak
worden gedaan over de omvang van de schade. De Rechtbank gelast daarom een deskundigenonderzoek. Gelet op de kosten geeft de Rechtbank partijen in overweging de kwestie onderling te regelen.

Mr. Robert Lonis


Dispuut na aandelentransactie en bankgarantie met abstract karakter; notaris klem tussen partijen en aansprakelijk voor schade

11-01-2018
Na het overlijden van de directeur van een vennootschap besluit de echtgenote om de aandelen van een dochtervennootschap te verkopen. ICT dienstverlener DEG koopt de aandelen, waarbij betaling in termijnen wordt overeengekomen. In de koopovereenkomst bepalen partijen dat koper voor de verschuldigde termijnen onvoorwaardelijke bankgaranties stelt. Indien zich schade in de zin van de overeenkomst voordoet, verplicht de notaris zich om niet betwiste bedragen over te maken. Ingeval van betwisting reserveert hij dat bedrag, een geschillencommissie zal over de bestemming van het betwiste bedrag oordelen. De eerste termijn bedraagt € 300.000,‐, de tweede € 50.000,‐ in maandelijkse bedragen van € 2.000,‐. Voor de 3 en 4 termijn, ieder groot € 87.500,‐, stelt DEG tijdig een bankgarantie. Bij notariële akte levert de vrouw de aandelen aan DEG. Vervolgens laat DEG na de maandelijkse termijnbedragen te voldoen, evenmin stort DEG conform overeenkomst de 3 en 4 termijn op de kwaliteitsrekening van de notaris. DEG stelt schade te leiden en beroept zich op opschorting. De vrouw verzoekt de notaris om, conform overeenkomst, de bankgaranties in te roepen. DEG legt conservatoir beslag, zowel onder de notaris als de bank, met betrekking tot termijn drie en vier. De notaris stelt dat hij niet kan beoordelen wie gelijk heeft, dat dient een rechter volgens hem vast te stellen. De bankgaranties roept hij niet in. De vrouw stelt de notaris aansprakelijk. Nadat DEG failleert spreekt de vrouw de notaris in rechte aan.

De Rechtbank oordeelt dat er sprake is van onvoorwaardelijke bankgaranties met een abstract karakter. Kern van het geschil tussen partijen ziet op de term verzuim in verband met de bankgarantie. Ziet dit slechts op de betalingsverplichting of dient daarbij, zoals de notaris stelt, het beroep op opschorting te worden betrokken? De Rechtbank overweegt dat de notaris van partijen opdracht heeft gekregen (en aanvaard) om zijn derdenrekening ter beschikking te stellen voor de ontvangst van gelden. Indien partijen verschillend verklaren omtrent schade, dient de notaris het betwiste bedrag te reserveren, totdat de geschillencommissie daarover een oordeel geeft. De opdracht aan de notaris hield in dat bij niet tijdige betaling van een termijn hij de bankgarantie zou inroepen. Of de notaris aan de bank mededeling van verzuim kon doen, hangt af van de tekst van de bankgarantie én de verstrekte opdracht. Uit de tussen partijen gevoerde correspondentie vloeit voort dat er een geschil bestond over de betalingsverplichting. De aan de notaris opgedragen bewaarfunctie zou zinledig zijn indien ingeval van een geschil niet op hem de verplichting zou rusten om de bankgarantie in te roepen. De rol van de notaris is beperkt tot de bewaarfunctie, alleen de geschillencommissie is bevoegd om bij betwisting de omvang van de betalingsverplichting te beoordelen. Door na te laten de bankgaranties tijdig in te roepen/te herroepen schiet de notaris toerekenbaar tekort in de nakoming van de aan hem gegeven opdracht. Argumenten ter zake rechtsverwerking, schadebeperkingsverplichting en eigen schuld aan de zijde van de vrouw verwerpt de Rechtbank. Na een civiele rechtsgang (niet‐ontvankelijk), tegenwerking door DEG en uiteindelijk de beoordeling door de geschillencommissie – met als eindoordeel dat DEG € 381.587,‐ aan de vrouw dient te betalen – komt de aansprakelijk gestelde notaris een beroep daarop niet toe. De schade begroot de Rechtbank op 2x € 87.500,‐ aan niet ingeroepen bankgaranties en buitengerechtelijke kosten gelijk aan twee punten van het liquidatietarief (rapport Voor‐werk II). Dat de notaris er voor koos de kwestie niet (tijdig) bij zijn aansprakelijkheidsverzekeraar aan te melden blijft voor zijn eigen risico.

Mr. Robert Lonis


Kantonrechter oordeelt; traject schadevaststelling door expert én fraudeonderzoek tegenstrijdig, vertrouwen in verkrijgen schade‐uitkering gewekt

09-01-2018
Een verzekerde verzekert zich bij Achmea Schadeverzekeringen N.V. onder andere tegen schade aan zijn inboedel als gevolg van brand. Op de verzekering zijn algemene voorwaarden van toepassing. Deze bepalen dat dekking ontbreekt indien bij schade een onvolledige of onware opgave wordt gedaan. Er breekt brand uit en verzekerde claimt zijn schade. De schadeomvang stelt men vast door aanwijzing van experts. Komen deze onderling niet tot overeenstemming, dan stelt volgens de algemene voorwaarden een derde expert de schade bindend vast. De door de verzekeraar ingeschakelde expert begroot de schade op € 10.581,49. De contra‐expert van verzekerde op € 21.180,62. De vervolgens ingeschakelde derde expert stelt de schade op € 12.492,‐. Verzekerde claimt onder meer vergoeding van een wasmachine en een achttal matrassen. Achmea bericht verzekerde de schade niet te zullen vergoeden omdat verzekerde haar, in strijd met de algemene voorwaarden en artikel 7:941 BW, opzettelijk heeft misleid. Zo wijkt het jaartal van productie van de wasmachine af en blijkt niet van het afvoeren van (drie) matrassen uit de lijsten van een na de brand ingeschakeld (afvoer) bedrijf. Achmea maakt aanspraak op vergoeding van kosten en een betaald voorschot. Verzekerde  vordert voldoening van zijn schade tot een bedrag van € 22.435,50 en rente, met verrekening van het betaalde voorschot, en verwijdering van zijn gegevens uit het centraal informatiesysteem van Stichting CIS.

De algemene voorwaarde waar Achmea zich op beroept wijkt – niettegenstaande het bepaalde in artikel 7:943 lid 2 BW – af van artikel 7:941 lid 5 BW. Verzekerde riep echter niet de vernietiging op die grond in. De kantonrechter overweegt dat het beroep van verzekerde op de Europese Richtlijn 93/13/EEG slaagt en stelt vast dat het beding leidt tot een aanmerkelijke verstoring van het evenwicht tussen partijen. Het beding is daarom oneerlijk en dient om die reden buiten toepassing te blijven. Beoordeelt dient te worden of op grond van het BW en niet op grond van de algemene voorwaarden alle aanspraken op vergoeding van de brandschade zijn vervallen. De kantonrechter overweegt dat Achmea bij de vaststelling van de inboedelschade twee trajecten heeft bewandeld. Enerzijds onderzoek naar opzettelijke misleiding door verzekerde en anderzijds (uiteindelijk bindende) vaststelling van het schadebedrag door de inzet van experts. De kantonrechter oordeelt deze twee trajecten tegenstrijdig en stelt dat verzekerde – gelet op de inschakeling van experts – er op mocht vertrouwen dat een voor partijen bindende  chadevaststelling zou worden opgemaakt, welke Achmea zou uitkeren. Bij de beoordeling van deze zaak komt de kantonrechter daarom niet toe aan de vraag of sprake is van opzet tot misleiden door verzekerde. De schadeopstelling van de eigen expert van Achmea komt overeen met het standpunt van de verzekeraar dat er sprake was van een (oudere) wasmachine en gaat uit van vergoeding van twee matrassen. Als er al onjuiste verklaringen door verzekerde zouden zijn afgelegd, volgt daaruit niet per definitie opzet tot misleiding. Evenmin heeft dit geleid tot een te hoge uitkering. De kantonrechter onderschrijft het belang van verzekeraars om fraude tegen te gaan, onder omstandigheden dient dit te leiden tot gehele afwijzing van een schadeclaim. Achmea liet echter na in deze zaak voldoende te onderbouwen dat er sprake was van opzet tot misleiden door verzekerde en aldus fraude. Het door de derde‐expert vastgestelde schadebedrag wijst de kantonrechter toe, alsook de kosten van het bedrijf welke Achmea met de uitkering van de opstalverzekering verrekende. Een post voor niet geretourneerde en gereinigde zaken wijst de kantonrechter wegens onvoldoende onderbouwing af. De gevorderde verwijdering (met dwangsom) van de gegevens van verzekerde uit het CIS wijst de kantonrechter eveneens toe.

Mr. Robert Lonis


Indexeringspercentage voor 2018 bekend: alimentatiebijdrages met 1,5% omhoog

27-12-2017
Elk jaar wordt het indexeringspercentage voor de alimentatieverplichtingen vastgesteld door de Minister van Justitie en bekendgemaakt in de Staatscourant. Hierdoor stijgt de alimentatie met de gemiddelde loonsverhogingen mee, zoals deze door het CBS zijn berekend. Zojuist is het percentage bekend geworden waarmee zowel de kinder- als de partneralimentatie (tenzij dit bij overeenkomst of uitspraak is uitgesloten) per 1 januari 2018 verhoogd worden, namelijk 1,5%.
Deze verhoging geldt voor alle vormen van alimentatie, ongeacht of deze door de rechter zijn vastgesteld of door partijen zelf zijn afgesproken.

Mocht u meer willen weten over indexeren, alimentatie of over andere personen- en familierecht gerelateerde onderwerpen, neem dan contact op met onze sectie.



Ruwaard van Putten; goodwill‐aanspraak van medisch specialisten als gevolg van faillissement niet te verhalen op mogelijk daarmee verrijkte doorstarter

22-12-2017
Jaren voor het faillissement van het Ruwaard van Putten ziekenhuis (RvP) sloten diverse vrijgevestigd medisch specialisten zogeheten toelatingsovereenkomsten, al dan niet in maatschapsverband, met het ziekenhuis. De toelatingsovereenkomst(en) van een aantal radiologen bevat bepalingen ter zake goodwill, in geval van praktijkoverdracht, ten aanzien van uit hoofde van in het ziekenhuis verrichte werkzaamheden. In de periode voorafgaand aan het faillissement spant (de directie van) het RvP zich in om samenwerking met andere regionale ziekenhuizen van de grond te krijgen, als zelfstandig ziekenhuis kon het RvP niet verder.  Uiteindelijk blijkt ook een toekomst als satellietziekenhuis niet mogelijk. Na een pre‐pack‐procedure, gericht op een doorstart van het ziekenhuis met een zo groot mogelijke opbrengst voor de crediteuren en beperking van de maatschappelijke schade, failleert het ziekenhuis op 24 juni 2013. Diezelfde dag realiseren de curatoren een doorstart met SMC, een samenwerkingsverband van drie ziekenhuizen (waarmee RvP eerder in gesprek was). SMC koopt de activa, bestaande uit inventaris, voorraad en immateriële activa voor een bedrag van € 6 miljoen. De immateriële activa, waaronder de (overige) goodwill, waardeert men op € 1,‐. SMC biedt aan een groot deel van het personeelsbestand dienstverbanden aan. Een aantal medisch specialisten ontvangt bericht dat van hun diensten geen gebruik (meer) zal worden gemaakt.

Twee van hen betrekken SMC en een aantal andere partijen (de medisch specialisten binnen SMC zijn gevrijwaard door SMC) in rechte en vorderen schadevergoeding tot bedragen van respectievelijk € 2.895.064,‐ enerzijds en € 2.273.030,‐ wegens pro‐se onrechtmatig handelen, althans het profiteren daarvan door SMC, van de curatoren enerzijds en SMC zelf anderzijds. Ook leggen zij ongerechtvaardigde verrijking aan hun vorderingen ten grondslag en vorderen zij voorts reputatieschade (€ 25.000,‐ per dag) en bereddingskosten en rente. De kern van hun standpunt is dat hun praktijk door SMC is toegeëigend, zonder een  goodwill)vergoeding te betalen. De Rechtbank oordeelt tot afwijzing van de ingestelde vorderingen, behalve die uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking, voor die vordering was de Rechtbank voornemens een deskundige te benoemen. Tussentijds appel werd toegestaan. Het Hof overweegt dat een direct causaal verband ontbreekt. De vermogensverschuiving (van de vrijgevestigde medisch specialisten naar SMC) voltrok zich via het faillissement van RvP. Een veronderstelde (indirecte) verrijking staat als zodanig niet in de weg aan toewijsbaarheid van een vordering uit art. 6:212 BW, een rechtsverhouding tussen de verrijkte (SMC) en een derde kan dit anders maken. In het onderhavige geval vindt de gestelde verrijking van SMC haar rechtvaardiging in de met de curatoren gesloten overeenkomst voor de doorstart, maar ook in de overeenkomsten die SMC sloot met zorgverzekeraars en met patiënten. Het faillissement van het RvP en de gevolgen daarvan voor de overeenkomsten – welke door de curatoren ex artikel 37 faillissementswet niet gestand werden gedaan ‐ met de vrijgevestigde specialisten komt in beginsel voor risico van deze laatsten. Zij gaan er overigens ook zelf van uit dat als er geen doorstart was geweest, zij dan geen vordering zouden hebben. Het Hof oordeelt dat de (veronderstelde) verrijking vanwege het faillissement scenario geacht moet worden een redelijke grond te hebben. Het Hof oordeelt voorts dat uit de voorgeschiedenis geen enkel aanknopingspunt is te vinden dat de doorstart en pre‐pack‐procedure als vooropgezet doel hadden om van de medisch specialisten af te komen en er ook overigens geen grondslag is te vinden om te komen tot het oordeel dat onrechtmatig zou zijn gehandeld. De specialisten hebben daartoe onvoldoende naar voren gebracht en bovendien niet voldaan aan de op hen rustende stelplicht. Het Hof wijst dan ook al de vorderingen af.

Mr. Robert Lonis, december


Uitspraak 1 december 2017 van de Hoge Raad over het elektronisch patiëntendossier

22-12-2017
De Hoge Raad heeft op 1 december 2017 geoordeeld dat het elektronisch patiëntendossier geen ontoelaatbare inbreuk op de privacy van patiënten met zich meebrengt omdat de verwerking van de persoonsgegevens berust op in vrijheid gegeven, voldoende specifieke toestemming van de betrokken patiënten. Hoewel ten aanzien van het elektronisch patiëntendossier is geoordeeld dat er sprake is van een rechtsgeldige toestemming, blijkt uit de uitspraak van 1 december 2017 ook dat de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) strenge eisen stelt aan de rechtsgeldige toestemming.

De Wbp reguleert op nationaal niveau de verwerking van persoonsgegevens. Op grond van die wet is het in beginsel verboden om bijzondere persoonsgegevens te verwerken. Bijzondere persoonsgegevens zijn onder meer gegevens betreffende iemands gezondheid. Omdat bij de gebruikmaking van het elektronisch patiëntendossier voornamelijk gegevens worden verwerkt betreffende iemands gezondheid, is die verwerking in beginsel niet toegestaan. De Wbp regelt echter een aantal uitzonderingen op het verbod om bijzondere persoonsgegevens te verwerken. Zo is het verbod niet van toepassing indien de verwerking geschiedt door hulpverleners, instellingen of voorzieningen voor gezondheidszorg of maatschappelijke dienstverlening voor zover dat met het oog op een goede behandeling of verzorging van de betrokkene, dan wel het beheer van de betreffende instelling of beroepspraktijk noodzakelijk is. Daarnaast geldt er bijvoorbeeld ook een uitzondering indien de verwerking geschiedt met uitdrukkelijke toestemming van de betrokkene.

De verwerking van de bijzonder persoonsgegevens bij gebruikmaking van het elektronisch patiëntendossier geschiedt op basis van de uitdrukkelijke toestemming van de betrokkene. De vraag die bij de procedure bij de Hoge Raad aan de orde was, is of die toestemming de verwerking van de bijzondere persoonsgegevens rechtvaardigt. De Hoge Raad heeft te dien aanzien overwogen dat bij iedere gegevensverwerking moet zijn voldaan aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Dit brengt met zich mee dat de inbreuk op de belangen van betrokkene niet onevenredig mag zijn in verhouding tot het met de verwerking te dienen doel, en dat dit doel in redelijkheid niet op een andere, voor de betrokkene minder nadelige, wijze kan worden verwerkelijkt. Ook als de gegevensverwerking in beginsel is toegestaan omdat er toestemming is gegeven voor de verwerking, blijft de eis gelden dat de verwerking in het concrete geval noodzakelijk moet zijn met het oog op het omschreven doel van de verwerking.

De toestemming van de patiënt ziet in het bijzonder op situaties van waarneming en noodgevallen, waarbij de eigen huisarts veelal niet beschikbaar is om de gegevens uit het medische dossier aan de andere behandelaar ter beschikking te stellen. Op voorhand is echter lastig te voorzien wanneer zich een waarneemsituatie zal voordoen en welke klachten deze zal betreffen. Het gebruik van de algemene professionele standaard acht de Hoge Raad gerechtvaardigd, gelet op het doel van de gegevensuitwisseling. Dat daarbij niet in elke situatie alle gegevens relevant zijn, is inherent aan het samenstellen van een algemene standaard. Daarbij acht de Hoge Raad relevant dat de patiënt het recht heeft om in overleg met de huisarts informatie uit te sluiten van opname in het elektronisch patiëntendossier. Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden is de Hoge Raad tot het oordeel gekomen dat er wordt voldaan aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.

De in de Wbp opgenomen eis dat toestemming specifiek gegeven dient te worden, brengt met zich mee dat de toestemming gericht op een bepaalde en/of gespecificeerde gegevensverwerking moet worden verleend. Een zeer brede en onbepaalde machtiging om gegevens te verwerken voldoet daar niet aan. Hoewel op het toestemmingsformulier voor het elektronisch patiëntendossier  uitsluitend “ja” of “nee” kan worden geselecteerd op de vraag of hij zijn gegevens beschikbaar wil stellen, meent de Hoge Raad dat er ook is voldaan aan dit vereiste. De toestemming wordt door de Hoge Raad als voldoende specifiek beschouwd omdat degene die de toestemming verleent, weet welke concrete gegevensset in welke situatie voor welk type zorgverleners inzichtelijk is. Wel geeft de Hoge Raad aan, dat er meer keuzevrijheid voor de patiënt moet worden doorgevoerd, zodra dit technisch uitvoerbaar is.

Hoewel de Hoge Raad in de uitspraak van 1 december 2017 concludeert dat er is voldaan aan de vereisten voor een rechtsgeldige toestemming, blijkt uit de uitspraak ook dat er strenge eisen worden gesteld aan de toestemming. De wilsuiting dient in vrijheid te zijn geuit, het moet voor de betrokkene duidelijk zijn waarvoor de toestemming wordt gegeven en een zeer brede en onbepaalde machtiging tot het verwerken van persoonsgegevens wordt niet als een rechtsgeldige toestemming aangemerkt. Daarnaast is van belang dat, ook als de gegevensverwerking in beginsel is toegestaan omdat er toestemming is gegeven voor de verwerking, moet worden getoetst of de verwerking in het concrete geval noodzakelijk is met het oog op het omschreven doel van de verwerking.

Als u er niet zeker van bent of de door u gevraagde toestemming rechtsgeldig is, dan is raadzaam om daarover juridisch advies in te winnen. Onze advocaten staan u graag bij.

mr. S. Kleerebezem



Cees Okkerse biedt een petitie aan voor opening Lelystad Airport in april 2019

19-12-2017
Als voorzitter van de initiatiefgroep Lelystad Airport moet door heeft Cees Okkerse vanmiddag een petitie overhandigd aan de Vaste commissie Infrastructuur en Waterstaat.

De petitie bestaat uit 1.000 stembiljetten van ondernemers en 10.000 handtekeningen van inwoners en bedrijven uit Flevoland die vóór de opening van het vliegveld in april 2019 zijn.

Met het aanbieden van de petitie willen de initiatiefnemers van Lelystad Airport moet door de Tweede Kamer een tegengeluid laten horen zodat de zwijgende meerderheid een stem krijgt.