Connect with OKKERSE on Linkedin

Geen erkenning van verschuldigdheid van meer dan hetgeen is betaald


SmartNewz AR2018/3113
Meer dan tien jaar geleden verkoopt een man een auto aan een ander. Kennelijk betaalt de koper een bedrag van in totaal € 11.000,‐ in delen en over een langere periode. De verkoper stelt dat de koopprijs € 30.000,‐ bedroeg en vordert bij de Kantonrechter betaling van het restantbedrag. Op grond van artikel 6:44 BW dient het ontvangen bedrag van € 11.000,‐ eerst in mindering te strekken op kosten en rente en tenslotte op de hoofdsom. De koper beroept zich op verjaring en betwist dat de man een vordering op hem heeft. Ook betwist hij dat de ontvangst van betalingen – voor zover door hem verricht – uit de in de procedure afgelegde verklaringen niet kan worden afgeleid dat daardoor enige verjaringstermijn is gestuit. Ook blijkt uit niets dat met de betalingen niet al werd voldaan aan hetgeen waar de man recht op meende te hebben. De man stelt dat uit verklaringen blijkt dat telkens op een zodanig tijdstip betalingen zijn verricht dat daardoor een eventuele verjaring is gestuit. In eerste aanleg honoreert de Kantonrechter het verjaringsverweer en wijst de vorderingen af. Daarbij veroordeelt de Kantonrechter de man ook in de proceskosten. Van het vonnis van de Kantonrechter komt de man in Hoger Beroep.

 Het Hof overweegt dat de verkoper zich beroept op stuiting van de verjaring op grond van het bepaalde in artikel 3:318 BW. Het Hof moet daarom beoordelen of de gestelde deelbetalingen opgevat kunnen worden als een erkenning van de vordering van de verkoper. Een deelbetaling houdt in het algemeen, behoudens bijzondere omstandigheden, niet de erkenning in van meer dan wat daadwerkelijk is betaald. Het Hof verwijst naar het arrest van de Hoge Raad van 10 december 1993, NJ 1994/190 . Dat zal anders kunnen zijn wanneer aan de deelbetaling correspondentie over een hoger, in termijnen te betalen, bedrag is voorafgegaan en het betaalde bedrag gelijk is aan een in die correspondentie genoemd termijnbedrag. Niet blijkt dat daarvan in dit geval sprake is. Evenmin blijkt van andere bijzondere omstandigheden. Erkenning, en daarmee stuiting van de verjaring in de zin van artikel 3:318 BW, van de gevorderde hoofdsom kan volgens het Hof daarom niet worden aangenomen. Een door de verkoper verzonden brief is te laat verzonden en kan de man daarom niet baten. Volgens de verkoper heeft hij, ook al is de vordering verjaard, geld tegoed van de koper. Om die reden meent de man dat de koper alsnog in de proceskosten veroordeeld moet worden. Het Hof overweegt dat de Kantonrechter de vordering vanwege de verjaring terecht afwees. Als gevolg daarvan komt de Kantonrechter niet meer toe aan behandeling van overige verweren. Daarmee staat niet vast dat de man geld van de koper te vorderen heeft. Het Hof concludeert dat de Kantonrechter de man terecht in de proceskosten veroordeelde omdat hij in de procedure in eerste aanleg ongelijk kreeg. Het Hof bekrachtigt het vonnis waarvan beroep en veroordeelt de man ook in de kosten van het geding in Hoger Beroep. Het Hof gaat voorbij – gezien de overwegingen ‐ aan een gedaan bewijsaanbod, nu bewijslevering niet tot een ander oordeel zal kunnen leiden.

Robert Lonis, Okkerse & Schop Advocaten