Connect with OKKERSE on Linkedin

Een verzekerde verzekert zich bij Achmea Schadeverzekeringen N.V. onder andere tegen schade aan zijn inboedel als gevolg van brand. Op de verzekering zijn algemene voorwaarden van toepassing. Deze bepalen dat dekking ontbreekt indien bij schade een onvolledige of onware opgave wordt gedaan. Er breekt brand uit en verzekerde claimt zijn schade. De schadeomvang stelt men vast door aanwijzing van experts. Komen deze onderling niet tot overeenstemming, dan stelt volgens de algemene voorwaarden een derde expert de schade bindend vast. De door de verzekeraar ingeschakelde expert begroot de schade op € 10.581,49. De contra‐expert van verzekerde op € 21.180,62. De vervolgens ingeschakelde derde expert stelt de schade op € 12.492,‐. Verzekerde claimt onder meer vergoeding van een wasmachine en een achttal matrassen. Achmea bericht verzekerde de schade niet te zullen vergoeden omdat verzekerde haar, in strijd met de algemene voorwaarden en artikel 7:941 BW, opzettelijk heeft misleid. Zo wijkt het jaartal van productie van de wasmachine af en blijkt niet van het afvoeren van (drie) matrassen uit de lijsten van een na de brand ingeschakeld (afvoer) bedrijf. Achmea maakt aanspraak op vergoeding van kosten en een betaald voorschot. Verzekerde  vordert voldoening van zijn schade tot een bedrag van € 22.435,50 en rente, met verrekening van het betaalde voorschot, en verwijdering van zijn gegevens uit het centraal informatiesysteem van Stichting CIS.

De algemene voorwaarde waar Achmea zich op beroept wijkt – niettegenstaande het bepaalde in artikel 7:943 lid 2 BW – af van artikel 7:941 lid 5 BW. Verzekerde riep echter niet de vernietiging op die grond in. De kantonrechter overweegt dat het beroep van verzekerde op de Europese Richtlijn 93/13/EEG slaagt en stelt vast dat het beding leidt tot een aanmerkelijke verstoring van het evenwicht tussen partijen. Het beding is daarom oneerlijk en dient om die reden buiten toepassing te blijven. Beoordeelt dient te worden of op grond van het BW en niet op grond van de algemene voorwaarden alle aanspraken op vergoeding van de brandschade zijn vervallen. De kantonrechter overweegt dat Achmea bij de vaststelling van de inboedelschade twee trajecten heeft bewandeld. Enerzijds onderzoek naar opzettelijke misleiding door verzekerde en anderzijds (uiteindelijk bindende) vaststelling van het schadebedrag door de inzet van experts. De kantonrechter oordeelt deze twee trajecten tegenstrijdig en stelt dat verzekerde – gelet op de inschakeling van experts – er op mocht vertrouwen dat een voor partijen bindende  chadevaststelling zou worden opgemaakt, welke Achmea zou uitkeren. Bij de beoordeling van deze zaak komt de kantonrechter daarom niet toe aan de vraag of sprake is van opzet tot misleiden door verzekerde. De schadeopstelling van de eigen expert van Achmea komt overeen met het standpunt van de verzekeraar dat er sprake was van een (oudere) wasmachine en gaat uit van vergoeding van twee matrassen. Als er al onjuiste verklaringen door verzekerde zouden zijn afgelegd, volgt daaruit niet per definitie opzet tot misleiding. Evenmin heeft dit geleid tot een te hoge uitkering. De kantonrechter onderschrijft het belang van verzekeraars om fraude tegen te gaan, onder omstandigheden dient dit te leiden tot gehele afwijzing van een schadeclaim. Achmea liet echter na in deze zaak voldoende te onderbouwen dat er sprake was van opzet tot misleiden door verzekerde en aldus fraude. Het door de derde‐expert vastgestelde schadebedrag wijst de kantonrechter toe, alsook de kosten van het bedrijf welke Achmea met de uitkering van de opstalverzekering verrekende. Een post voor niet geretourneerde en gereinigde zaken wijst de kantonrechter wegens onvoldoende onderbouwing af. De gevorderde verwijdering (met dwangsom) van de gegevens van verzekerde uit het CIS wijst de kantonrechter eveneens toe.

Mr. Robert Lonis