Connect with OKKERSE on Linkedin

Klare taal in echtscheidingsconvenant; advocaat niet aansprakelijk voor vermeende wanprestatie en onrechtmatige daad


Een advocaat staat een man bij in verband met een echtscheidingsprocedure. Bij de scheiding, na 23 jaar huwelijk, veroordeelt de Rechtbank de man tot betaling van partner‐ en kinderalimentatie. Het echtscheidingsconvenant stelt het scheidende paar in overleg en na onderhandeling met behulp van hun advocaten op. Na ommekomst van vier jaren verzoekt de vrouw in rechte herziening van de bijdrage in de kosten van levensonderhoud en nabetaling van een bedrag van ruim € 9.000,‐ in verband met omzetting van kinderalimentatie in partneralimentatie. De rechtbank wees de vorderingen van de vrouw toe, in hoger beroep komen de man en vrouw tot een vaststellingsovereenkomst.

De man spreekt vervolgens zijn advocaat aan. Deze zou zijn tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen ingevolge de met de man gesloten overeenkomst van opdracht. De advocaat heeft de bedoeling van partijen bij de redactie van het convenant miskend. Bedoeld was volgens de man om de alimentatie te maximeren tot vier jaren. Ook was het niet de bedoeling om de kinderalimentatie om te kunnen zetten in partneralimentatie bij het bereiken van de leeftijd van 21 jaren en verzuimde de advocaat hem te wijzen op een in dat opzicht mogelijk ruimere uitleg van het convenant. De man vordert een verklaring voor recht (wanprestatie) en schadevergoeding tot een bedrag van € 61.083,44. De rechtbank wijst de vorderingen af. In Hoger Beroep vult de man zijn eis aan met onrechtmatig handelen.

Het Hof oordeelt als volgt.
Als uitgangspunt staat voorop dat een advocaat als beroepsbeoefenaar de zorgvuldigheid dient te betrachten die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht. Dit brengt onder meer mee dat een advocaat die een cliënt adviseert in het kader van een door deze te nemen beslissing over een bepaalde kwestie, zijn cliënt in staat stelt goed geïnformeerd te beslissen (vgl.HR 18 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2745).

Het Hof stelt daarbij voorop dat de stelplicht en bewijslast bij de man berust. Dit geldt zowel voor de gestelde tekortkomingen c.q. onrechtmatige gedragingen van de advocaat als voor de gestelde schade en het causale verband tussen de gestelde schade en de gestelde tekortkomingen c.q. onrechtmatige gedragingen van de advocaat. De stelling dat de advocaat de bepalingen niet redigeerde zoals de man en de vrouw (gezamenlijk) bedoelden strandt. De vrouw stelde (namelijk) in de herzieningsprocedure dat in het convenant verwoord was wat zij overeengekomen waren. Een door de man veronderstelde erkenning door de advocaat in een e‐mail blijkt dat niet te zijn geweest, daarbij voldoet deze niet aan de vereisten van artikel 154 RV. Het beroep op de opdrachtbevestiging, waarin staat dat de man bereid is om gedurende een afgebakende periode bij te dragen in het levensonderhoud van de vrouw, baat de man evenmin. De omschrijving in de brief is daartoe te vaag en aan de intentie van alleen de man kan de bedoeling van (beide) partijen bij het ondertekenen van het convenant niet worden ontleend. Dat in een van de (eerste) concepten een beperkte termijn van vier jaren was vermeld, betekent nog niet dat partijen bij het sluiten van het convenant in de definitieve versie iets anders bedoelden dan dat daar in stond.

Het Hof oordeelt dat de betekenis van de bepalingen in het convenant voor de man voldoende duidelijk moeten zijn geweest, hij heeft deze ook na overleg met zijn advocaat goedgekeurd. De man stelt onvoldoende om zijn stellingen te onderbouwen. De stelling van de man dat de redactie van de bepaling omzetting kinderalimentatie naar partneralimentatie ruimte voor discussie laat acht het Hof niet juist. Het in dat kader door de vrouw gevorderde werd door de Rechtbank eerder al toegewezen, volgens het Hof ontbreekt causaal verband de gevorderde schade en de beslissing van de rechtbank. Het Hof stelt de man in het ongelijk en veroordeelt hem in de kosten.

mr. Robert Lonis