Connect with OKKERSE on Linkedin

GT Medicare maakt en verkoopt kasten ten behoeve van op buitenlocaties te plaatsen AED’s (Automatische Externe Defibrillator). Rotaid maakt eveneens AED kasten, waaronder de Rotaid Solid plus Heat buitenkast. De opslagtemperatuur van AED’s varieert per merk en type. In de door Rotaid verstrekte informatie staat dat de Rotaid Solid plus Heat beschermt tot een buitentemperatuur van 25 graden onder nul. Ook informeert Rotaid haar klanten niet dat de kast niet in direct zonlicht mag worden geplaatst en suggereert Rotaid zelfs dat de kast beschermt tegen hoge temperaturen onder direct zonlicht. Volgens GT Medicare is deze informatie niet juist en handelt Rotaid daardoor onrechtmatig. Op grond van de oneerlijke handelspraktijken (artikel 6: 193a BW ev) enerzijds en misleidende mededeling (artikel 6: 194 BW ev) anderzijds vordert GT Medicare in Kort Geding Rotaid te veroordelen te stoppen met het uitleveren van de Solid plus Heat kasten aan al haar afnemers, totdat volledig inzicht is verstrekt in de werkelijke technische specificaties en/of totdat de kasten conform de afgegeven specificaties zijn aangepast. Daarnaast vordert GT Medicare dat al uitgeleverde kasten aldus worden aangepast. Ook vordert GT Medicare veroordeling van Rotaid tot het sturen van een waarschuwing aan al haar eindklanten en het plaatsen van een rectificatie in en op diverse (sociale) media, op straffe van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van € 10.000,‐ per dag(deel).

De voorzieningenrechter overweegt dat de bepalingen omtrent oneerlijke handelspraktijken zich richten op de rechtsverhouding tussen ondernemingen en consumenten. Rotaid voert aan dat zij niet aan particulieren verkoopt, hetgeen GT Medicare niet weerspreekt. Het beroep op deze bepalingen treft daarom al geen doel. Artikel 6:195 lid 1 BW bepaalt dat op de adverteerder de bewijslast rust ter zake van de juistheid of volledigheid van feiten die in een mededeling zijn vervat of daardoor worden gesuggereerd en waarop het beweerd misleidend karakter van de mededeling berust. Het artikel voorziet dan ook in een  verlichting van de bewijslast voor degene die op grond van artikel 6:194 BW ageert. Een eiser kan volstaan met te stellen en aannemelijk te maken dat een mededeling misleidend is. Vast staat dat Rotaid de inhoud en inkleding van de informatie bepaalt, zodat op haar de bewijslast rust. GT Medicare laat echter na om aan de op haar rustende stelplicht te voldoen, zodat de voorzieningenrechter aan de bewijsfase niet toekomt. De enkele stelling dat de mededelingen van Rotaid onjuist zijn vormt  onvoldoende onderbouwing. De bij productie in het geding gebrachte meetresultaten licht GT Medicare desgevraagd niet toe, evenmin maakt zij inzichtelijk door wie en onder welke omstandigheden tests zijn uitgevoerd. Daarmee blijft onduidelijk welke waarde aan de door GT Medicare ingebrachte gegevens toekomt en oordeelt de voorzieningenrechter haar stellingen als niet genoegzaam onderbouwt. De voorzieningenrechter concludeert tot afwijzing van de vorderingen. Rotaid voert aan dat GT Medicare misbruik maakt van recht door haar in rechte te betrekken op zeer summiere gronden, waarbij Rotaid slechts kan gissen naar de feitelijke en juridische grondslagen van het gevorderde. Zij verzoekt om veroordeling in de werkelijk gemaakte proceskosten. De voorzieningenrechter overweegt dat het ontbreken van wetsartikelen en het ontoereikend blijken van de producties niet met zich brengt dat er sprake is van misbruik van recht dan wel bijzondere omstandigheden die een veroordeling in de werkelijke proceskosten in casu rechtvaardigen.

Robert Lonis - oktober 2017