Connect with OKKERSE on Linkedin

Op een zomerse dag in de vorige eeuw sluit een ondernemer, nadat zijn twee medewerkers net zijn vertrokken, zijn bedrijfspand af. Kort daarvoor sprak hij nog met een grote bouwonderneming. Hij verlaat het pand en, zo verklaart hij later stellig, schakelt het alarm in. Nog geen vijf minuten later is hij onderweg en belt naar huis. Nog eens vijf minuten later merkt een voorbijganger op dat dikke rookwolken uit het bedrijfspand ontsnappen en belt 112. De brandweer is 10 minuten later ter plaatse. De brand woedt hevig en resulteert in aanmerkelijke schade. Kort na de brand onderzoeken experts van de verzekeraar de resten van het bedrijfspand  om de oorzaak vast te kunnen stellen. De verzekeraars weigeren vergoeding, volgens hen heeft de ondernemer zelf brand gesticht en daarom merkelijke schuld, van de schade. Daarop volgen procedures, met benoeming van diverse deskundigen. De oordelen lopen enigszins uiteen. Een deskundige meent bovendien dat het onderzoek en de interpretatie van het resultaat daarvan door de verzekeraars kwalitatief beter kon. Daardoor is een slordige, niet sterke bewijsvoering inzake brandstichting ontstaan. In Kort Geding wijst de voorzieningenrechter voorschotten toe aan de verzekerde dochtervennootschappen tot een bedrag van € 136.000,‐ enerzijds en € 225.000,‐ anderzijds. Dat vonnis wordt echter vernietigd, waarmee de rechtsgrond aan de betaling ontviel. Bij tussenvonnis in een bodemprocedure oordeelt de Rechtbank dat verzekeraars voorshands zijn geslaagd in het bewijs dat sprake was van brandstichting door de ondernemer. Het Hof bekrachtigde dit oordeel, met terug verwijzing naar de Rechtbank. Inmiddels failleren de vennootschappen van de ondernemer, waarop aan de verzekeraars ontslag van instantie wordt verleend. De curator cedeert de mogelijke vorderingen ter zake verzekeringspenningen aan de ondernemer. Verzekeraars vorderen van hem (privé) terugbetaling van € 225.000,‐ wegens onrechtmatig handelen. Vervolgens oordeelt het Hof (in twee gelijktijdig lopende procedures) dat – ex artikel 235 Rv het tussenvonnis bindende kracht heeft en oordeelt daarom bewezen dat de ondernemer de brand zelf heeft gesticht. Hij wordt wel toegelaten tot het leveren van tegenbewijs.

Cassatie stond open voor de laatstbedoelde (tussen)arresten en is ingesteld. De Hoge Raad oordeelt dat in beide zaken ten onrechte het Hof heeft geoordeeld dat kracht van gewijsde toekomt aan tussenvonnis en arrest in de bodemprocedure. Beide zaken worden verwezen ter verdere behandeling. Inmiddels komt de ondernemer te overlijden, zijn erven procederen voort. In de procedure na cassatie ligt in beide zaken de vraag voor of verzekeraars hebben bewezen dat de ondernemer de brand heeft gesticht. Het Hof merkt op dat tot dan toe in geen van de procedures een inhoudelijk oordeel is gegeven over de vraag of verzekeraars zijn geslaagd in het bewijs van hun stelling dat de ondernemer de brand heeft gesticht. De verzekeraars zijn van oordeel dat uitgesloten is dat een derde de brand heeft gesticht omdat alle deuren en ramen aan de buitenzijde waren afgesloten en het alarm niet (correct) was ingeschakeld. Ook technische oorzaken zijn volgens hen uitgesloten. De verzekeraars beroepen zich met name op hun deskundigenrapporten. De erven weerspreken de bevindingen van de verzekeraars, met een beroep op verklaringen van andere deskundigen. Het Hof neemt op basis van de voorhanden zijnde informatie en rapporten aan dat de oorzaak van de brand voor onderzoekers moeilijk met zekerheid is vast te stellen. Het ligt niettemin op de weg van verzekeraars om te bewijzen dat het door hen geschetste scenario zich voordeed, maar ook de mate van onwaarschijnlijkheid dat de brand door een andere oorzaak is ontstaan. Het Hof oordeelt op grond van het feitenmateriaal dat de ondernemer weliswaar in de gelegenheid is geweest de brand te stichten, maar dat niet vaststaat dat hij dat ook daadwerkelijk heeft gedaan. Evenmin is uitgesloten – er was een van binnen te openen vluchtdeur aanwezig – dat een onbekend gebleven derde de brand aanstak. Bij deze stand van zaken slagen de verzekeraars niet in het bewijs van hun stelling. De vordering van verzekeraars tot terugbetaling van het betaalde voorschot komt niet voor toewijzing in aanmerking. De vordering van (inmiddels de ervan van) de ondernemer te verklaren voor recht dat de verzekeraar is gehouden om conform de polis dekking te verlenen voor de schade die als gevolg van de brand is geleden wordt (alsnog) toegewezen, met veroordeling van de verzekeraars in de kosten van de procedures.

Mr. Robert Lonis, september 2017