Connect with OKKERSE on Linkedin

Door verzekeraar opgenomen telefoongesprek nekt aanspraak verzekerde op vergoeding onder polis

Een student bedrijfseconomie rijdt motor en verzekert deze tegen diefstal bij Univé. De voorwaarden van verzekeraar vermelden dat, indien de motor niet in een afgesloten stalling staat, naast het standaard slot een ART goedgekeurd slot van de categorie 4 of 5 voor de beveiliging dient te worden gebruikt. In geval van fraude beëindigt Univé de verzekering, uitgekeerde schadevergoeding dient te worden terugbetaald, alsmede de kosten van onderzoek. Indien in voldoende mate vaststaat dat een verzekerde is betrokken bij een gedraging die een bedreiging vormt of kan vormen voor de (financiële) belangen van in casu de verzekeraar, kan dit worden vastgelegd in het incidentenregister, waaraan een extern verwijzingsregister is gekoppeld. In verband met mogelijk nadelige gevolgen van registratie wordt, met inachtneming van het proportionaliteitsbeginsel, vastgesteld of het belang van de instelling prevaleert boven de belangen van de betrokkene. De motor wordt gestolen. Bij de melding daarvan bij Univé verklaart de student dat er geen ART‐slot was gebruikt, de motor stond op (stuur)slot en het alarm was ingeschakeld. In het gesprek meldt de medewerker van Univé dat zonder een ART‐slot er geen dekking onder de polis is. Later komt de student van zijn verklaringen terug en stelt dat er wel een ART‐slot was gebruikt.

De voorzieningenrechter in eerste aanleg wijst de vorderingen van de student, te weten verwijdering van persoonsgegevens uit de registers (EVR en CBV) onder last van een dwangsom en herstel van de verzekering, toe. Univé vordert in hoger beroep vernietiging van het vonnis. Opname in het Incidentenregister en de koppeling met het externe register kan verstrekkende gevolgen hebben. Te denken valt aan weigering van (andere) financiële dienstverlening, maar ook aan gevolgen voor carrière(perspectieven) bij financiële instellingen. Er dienen hoge eisen te worden gesteld aan de gronden voor opname in het EVR, dit dient in overeenstemming met de Wbp en het Protocol te gebeuren. Een strafrechtelijke veroordeling is geen voorwaarde. Een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit is echter onvoldoende. De vastgestelde gedragingen dienen een zwaardere verdenking dan een redelijk vermoeden van schuld op te leveren. De bewijslast ligt bij Univé. Het hof dient daarom te beoordelen of voldoende aannemelijk is of Univé in een bodemprocedure dit bewijs zal kunnen leveren. Daartoe loopt het Hof de verklaringen van de student af. De argumenten die de student aanvoert acht het hof ongeloofwaardig. Waarom de student in eerste instantie wel verklaart over een stuurslot en een alarm maar niet over een ART‐slot acht het hof onverklaarbaar. Het Hof acht het in hoge mate aannemelijk dat de student de motorfiets niet met een ART‐slot had afgesloten en dat hij dit de eerste keer ook conform de waarheid heeft gemeld aan Univé. Toen hij ontdekte dat de diefstal dan niet verzekerd zou zijn, heeft hij in strijd met de waarheid verklaard dat wel een ART‐slot door hem is gebruikt, met het doel Univé tot uitkering onder de polis te bewegen. Dit levert een zwaardere verdenking dan een redelijk vermoeden van poging tot fraude op. De student is 22 jaar oud en first offender. Van een vooropgezet plan is niet gebleken. Het financiële belang van de zaak is beperkt. Een langere opname in de registers dan twee jaar is in casu niet proportioneel, het Hof stelt die termijn dan ook (indien Univé tot her‐inschrijving over gaat, na het vonnis in eerste aanleg was de registratie reeds beëindigd) op maximaal twee jaren en veroordeelt de student tot restitutie van aan hem werd uitbetaald.

mr. Robert Lonis