Connect with OKKERSE on Linkedin

Smartnewz AR 2018/3629
Opleiding aangeboden zonder vooruitzicht op diploma en titel; instituut schadeplichtig, ook wegens verlies aan vrije tijd

Een man volgt aan Universiteit Nyenrode een E‐MBA opleiding. Nyenrode neemt tot uitgangspunt dat de studenten die de opleiding afronden een MBA‐titel verkrijgen. Later wordt echter bekend dat de opleiding niet is geaccrediteerd. Een diploma verkrijgen de studenten die de opleiding afronden dan ook niet. De oplossingen die Nyenrode aan de studenten biedt, kosteloos volgen van een andere MBA of restitutie van 50% van het collegegeld, passen de man niet. Hij stelt Nyenrode aansprakelijk wegens wanprestatie en onrechtmatig handelen nu aan hem na afronding van de E‐MBA geen diploma kan worden verstrekt. In rechte vordert hij betaling van € 55.913,18 aan schadevergoeding, bestaande uit collegegelden, reiskosten, gederfde loonsverhoging, lening kosten en verlies van vrije tijd. Ook vordert hij voorwaardelijk € 43.632,87 aan schadevergoeding indien hij opnieuw een MBA zal volgen en alsdan geen gebruik kan maken van afspraken die hij met zijn werkgever had over deze opleiding. De man beëindigt de opleiding voordat deze is afgerond. Nyenrode betwist niet dat de man op grond van de studieovereenkomst mocht verwachten na afronding een MBA titel te mogen voeren, wel betwist Nyenrode aansprakelijk te zijn, mede omdat niet vaststaat dat de man de opleiding met goed gevolg kon afronden. Het causaal verband tussen de tekortkoming en het niet verkrijgen van een diploma ontbreekt, aldus Nyenrode. Volgens Nyenrode was de man zeker geen briljante student en was zijn niveau onvoldoende. De man stelt het diploma te hebben willen halen met minimale inspanningen en een maximaal resultaat. Hij doet dit omdat zijn werkgever een MBA‐diploma wenselijk vindt, niet uit liefhebberij.

De Rechtbank oordeelt dat niet van de man verlangd kan worden dat – slechts om te demonstreren dat hij in staat is om de studie af te ronden – een studie afmaakt die niet tot een MBA‐diploma leidt. Onder de geschetste omstandigheden is niet aanvaardbaar dat hij van vergoeding van de schade die hij door de wanprestatie mogelijk heeft geleden verstoken blijft op de enkele grond dat niet zeker is dat hij zijn studie zou hebben afgerond. Het leerstuk van de proportionele aansprakelijkheid biedt een uitweg om deze onzekerheid schattenderwijs in de aansprakelijkheid te verdisconteren door de waarschijnlijkheid dat het diploma zou zijn behaald uit te drukken in een percentage waarvoor Nyenrode aansprakelijk is te achten. Op Nyenrode rustte een zorgplicht. De rechtbank stelt vast dat de man een goed deel van zijn studie had doorlopen en dat vertraging wegens ziekte hem niet is aan te rekenen. De Rechtbank acht het voor 90% waarschijnlijk dat de man de studie zou hebben afgerond, Nyenrode zal tot dat percentage (vergoedbaar te achten) schade dienen te vergoeden. De Rechtbank ziet aanleiding om een zekere objectivering toe te passen bij de vaststelling van de schade. Dat de man wel onderwijs heeft genoten en kennis heeft opgedaan, hetgeen hij ook laat blijken via zijn LinkedIn‐profiel, rechtvaardigt volgens de Rechtbank aan te sluiten bij een factor van 50% als toegepast in een vergelijkbare zaak die eerder bij de Rechtbank Midden‐Nederland werd beslecht. Vervolgens loopt de Rechtbank de diverse opgevoerde schadeposten langs. De Rechtbank gaat voorbij aan de berekening van Nyenrode dat de helft van het betaalde collegegeld is toe te rekenen aan de waarde van het geleverde onderwijs. Het kan niet zo zijn dat de waarde van het geleverde onderwijs afhankelijk is van de vraag of het collegegeld uit eigen zak is betaald, dan wel door de werkgever. Het is redelijk om die vergoeding toe te rekenen aan dat deel van de prestatie waarvoor wel waarde is geleverd. De rente over een door de man ten behoeve van de opleiding gesloten lening is ten dele toewijsbaar, ook de reiskosten zijn, na omslag van de factor, toewijsbaar. Nyenrode stelt dat voor vergoeding van het verlies aan vrije tijd (2678 uren) geen juridische grond bestaat. De man beroept zich op een rechtseconomische analyse van L.T. Visscher (‘Vergoeding van ‘verlies van tijd’ als ander nadeel’, AV&S 2012/10 ). De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van art. 6:97 BW de vrijheid heeft om de schade te begroten op de wijze die het meest met de aard daarvan in overeenstemming is. Doordat de investering als gevolg van de tekortkoming niet het rendement heeft waarop de man mocht rekenen, is geen sprake van “ander nadeel” maar van schade. Vergoeding daarvan is – zij het abstract begroot – volstrekt redelijk te achten. De voorwaardelijke vorderingen zijn niet als direct toewijsbare gederfde winst gevorderd maar
afhankelijk zijn gesteld van de voorwaarde dat opnieuw een MBA zal worden gevolgd. De Rechtbank wijst de voorwaardelijke vordering tot schadevergoeding toe, op voorwaarde van vertoon van een bewijs van inschrijving en bewijs van betaling van collegegeld. Ook wijst de Rechtbank gederfd brutoloon toe van € 500,‐ over een periode van 27 maanden.

Mr. Robert Lonis, juli 2018