Connect with OKKERSE on Linkedin


D’s Insurance Brokers N.V. verkoopt als assurantietussenpersoon vanaf 2006 verzekeringspolissen van verzekerings-maatschappij Nagico. Een percentage van de verzekeringspremie betaalt Nagico als provisie aan D’s. Doorgaans betaalt de klant de premie aan D’s waarna D’s een bedrag doorbetaalt aan Nagico. Sinds 2009 bestaat tussen partijen een rekening‐courant verhouding. Over deze rekening‐courant verhouding ontstaat al snel een discussie, D’s is geconfronteerd met een bedrag dat zij schuldig zou zijn van Naf 239.000,‐. Over dit hoge negatieve saldo twisten partijen. De systematiek en de hoogte van de in rekening‐courant geboekte bedragen vormen sinds mei 2010 meermaals het onderwerp van gesprek en discussie tussen partijen. Nagico stuurt maandelijks de door haar bijgehouden rekeningcourant verhoudingen op in de vorm van agent’s statements. In mei 2012 zegt Nagico de overeenkomst met D’s op. Nagico vordert in deze procedure betaling door D’s van het bedrag dat zij volgens de rekening‐courant overzichten schuldig is. D’s betwist dat bedrag schuldig te zijn omdat de cijfers niet kloppen. Nagico beroept zich op de toepasselijkheid van artikel 6: 140 BW en stelt dat aan de voorwaarden die daarin zijn opgenomen is voldaan aangezien zij maandelijks overzichten toezond. Volgens Nagico reageerde of protesteerde D’s daartegen niet, zodat het saldo van de rekening‐courant volgens Nagico vaststaat.

Beoordeeld dient te worden of D’s gehouden is het volgens Nagico openstaande saldo te voldoen. Bij tussenvonnis overwoog het gerecht in eerste aanleg al dat artikel 6: 140 BW van toepassing is op de rechtsverhouding tussen partijen. Het tweede lid van dat artikel bepaalt dat de partij die de rekening bijhoudt, deze jaarlijks afsluit en het saldo (met opgave van eventueel eerder nog niet medegedeelde posten) mededeelt aan de wederpartij. Lid 3 van het artikel bepaalt dat indien de wederpartij niet binnen redelijke tijd tegen het ingevolge het tweede lid medegedeelde saldo protesteert, het saldo als tussen partijen vastgesteld geldt. Het  erecht overweegt dat de stellingen van Nagico niet opgaan en stelt dat D’s terecht betoogde dat aan het vereiste van het jaarlijks afsluiten als bedoeld in lid 2 niet is voldaan. Nagico weersprak dat niet, zodat dit vaststaat. Het maandelijks toezenden van overzichten maakt niet dat toch aan die verplichting is voldaan. Evenmin staat vast dat D’s maandelijks een statement ontving. Nagico heeft slechts zes overzichten in het geding gebracht, over een periode van 2 jaren. In onvoldoende mate blijkt daarom dat Nagico aan het vereiste van lid 2 voldeed. Anderzijds betoogt en onderbouwt D’s gemotiveerd dat al vanaf 2010 is geprotesteerd tegen het door Nagico meegedeelde saldo en hebben partijen meerdere gesprekken gevoerd over de methode van de berekeningen en de bedragen. Dit weersprak Nagico evenmin voldoende, het moet er daarom voor worden gehouden dat D’s wel binnen redelijke tijd heeft geprotesteerd. Het gerecht stelt vast dat niet op grond van artikel 6: 140 BW kan worden vastgesteld dat D’s het door Nagico gestelde openstaande saldo verschuldigd is. Het gerecht heeft behoefte aan voorlichting door een deskundige, waartoe partijen zich mogen uitlaten. Het gerecht verwijst de zaak naar de rol voor akte uitlating en houdt iedere verdere beslissing aan.

Mr. Robert Lonis - september 2017