Connect with OKKERSE on Linkedin

Jaren voor het faillissement van het Ruwaard van Putten ziekenhuis (RvP) sloten diverse vrijgevestigd medisch specialisten zogeheten toelatingsovereenkomsten, al dan niet in maatschapsverband, met het ziekenhuis. De toelatingsovereenkomst(en) van een aantal radiologen bevat bepalingen ter zake goodwill, in geval van praktijkoverdracht, ten aanzien van uit hoofde van in het ziekenhuis verrichte werkzaamheden. In de periode voorafgaand aan het faillissement spant (de directie van) het RvP zich in om samenwerking met andere regionale ziekenhuizen van de grond te krijgen, als zelfstandig ziekenhuis kon het RvP niet verder.  Uiteindelijk blijkt ook een toekomst als satellietziekenhuis niet mogelijk. Na een pre‐pack‐procedure, gericht op een doorstart van het ziekenhuis met een zo groot mogelijke opbrengst voor de crediteuren en beperking van de maatschappelijke schade, failleert het ziekenhuis op 24 juni 2013. Diezelfde dag realiseren de curatoren een doorstart met SMC, een samenwerkingsverband van drie ziekenhuizen (waarmee RvP eerder in gesprek was). SMC koopt de activa, bestaande uit inventaris, voorraad en immateriële activa voor een bedrag van € 6 miljoen. De immateriële activa, waaronder de (overige) goodwill, waardeert men op € 1,‐. SMC biedt aan een groot deel van het personeelsbestand dienstverbanden aan. Een aantal medisch specialisten ontvangt bericht dat van hun diensten geen gebruik (meer) zal worden gemaakt.

Twee van hen betrekken SMC en een aantal andere partijen (de medisch specialisten binnen SMC zijn gevrijwaard door SMC) in rechte en vorderen schadevergoeding tot bedragen van respectievelijk € 2.895.064,‐ enerzijds en € 2.273.030,‐ wegens pro‐se onrechtmatig handelen, althans het profiteren daarvan door SMC, van de curatoren enerzijds en SMC zelf anderzijds. Ook leggen zij ongerechtvaardigde verrijking aan hun vorderingen ten grondslag en vorderen zij voorts reputatieschade (€ 25.000,‐ per dag) en bereddingskosten en rente. De kern van hun standpunt is dat hun praktijk door SMC is toegeëigend, zonder een  goodwill)vergoeding te betalen. De Rechtbank oordeelt tot afwijzing van de ingestelde vorderingen, behalve die uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking, voor die vordering was de Rechtbank voornemens een deskundige te benoemen. Tussentijds appel werd toegestaan. Het Hof overweegt dat een direct causaal verband ontbreekt. De vermogensverschuiving (van de vrijgevestigde medisch specialisten naar SMC) voltrok zich via het faillissement van RvP. Een veronderstelde (indirecte) verrijking staat als zodanig niet in de weg aan toewijsbaarheid van een vordering uit art. 6:212 BW, een rechtsverhouding tussen de verrijkte (SMC) en een derde kan dit anders maken. In het onderhavige geval vindt de gestelde verrijking van SMC haar rechtvaardiging in de met de curatoren gesloten overeenkomst voor de doorstart, maar ook in de overeenkomsten die SMC sloot met zorgverzekeraars en met patiënten. Het faillissement van het RvP en de gevolgen daarvan voor de overeenkomsten – welke door de curatoren ex artikel 37 faillissementswet niet gestand werden gedaan ‐ met de vrijgevestigde specialisten komt in beginsel voor risico van deze laatsten. Zij gaan er overigens ook zelf van uit dat als er geen doorstart was geweest, zij dan geen vordering zouden hebben. Het Hof oordeelt dat de (veronderstelde) verrijking vanwege het faillissement scenario geacht moet worden een redelijke grond te hebben. Het Hof oordeelt voorts dat uit de voorgeschiedenis geen enkel aanknopingspunt is te vinden dat de doorstart en pre‐pack‐procedure als vooropgezet doel hadden om van de medisch specialisten af te komen en er ook overigens geen grondslag is te vinden om te komen tot het oordeel dat onrechtmatig zou zijn gehandeld. De specialisten hebben daartoe onvoldoende naar voren gebracht en bovendien niet voldaan aan de op hen rustende stelplicht. Het Hof wijst dan ook al de vorderingen af.

Mr. Robert Lonis, december