Connect with OKKERSE on Linkedin

Schade na joyriding; sleutel hoeft niet stelselmatig achter slot en grendel om dekking te houden


SmartNewz  2018/7923
Een man leaset een bestelauto bij Autolease Company. Via een tussenpersoon loopt bij ASR een beperkte casco verzekering. De polis vermeldt dat ASR voor 30% risicodrager is. Bij het voertuig hoort een drietal sleutels. De man heeft zelf een sleutel, een sleutel is in bezit bij een meerderjarige zoon, een sleutel is opgeborgen in een la in de werkkamer van de man.
Een minderjarige zoon neemt op een dag de reservesleutel weg en gaat uit rijden. Hij heeft geen toestemming van zijn vader, die lag te slapen. Er vindt een ongeval plaats, het voertuig raakt daarbij total‐loss. De man doet aangifte van diefstal. Bij de aangifte meldt hij dat zijn zoon nooit zijn toestemming heeft gekregen om het voertuig mee te nemen. De polis bepaalt dat in geval van joyriding en diefstal geen dekking bestaat als de verzekerde niet de normale voorzichtigheid betracht om dat te voorkomen. Deze uitsluiting geldt niet als de verzekerde aantoont dat omstandigheden zich buiten zijn medeweten en wil om voor hebben gedaan en hem dat redelijkerwijze niet kan worden verweten. De minderjarige zoon had eerder één keer een auto meegenomen en is daarvoor gestraft, waarna het niet weer voor is gekomen. ASR weigert dekking te verlenen.

De man vordert vergoeding van zijn schade, te weten een bedrag van € 26.373,30. De leasemaatschappij bracht dit bedrag bij hem in rekening conform het door een expert vastgestelde schadebedrag. Door ASR is, om kosten te besparen, in dit geval geen eigen onderzoek naar de omvang van de schade ingesteld, de dekking werd direct afgewezen. ASR stelt dat de man niet voldoende zorgvuldig is geweest in het voorkomen van joyriding. De sleutel lag niet achter slot en grendel, maar in een la in een kamer. Bovendien, zo stelt ASR, was de man bekend met de eerdere actie van zijn zoon, zodat hij bedacht had moeten zijn op het risico van joyriding. De Rechtbank overweegt dat de sleutel in een la en daarom niet voor het grijpen lag. De zoon was het niet toegestaan om in de werkkamer te komen, bovendien wist hij op voorhand niet waar de sleutel lag. De eerdere baldadige actie van de zoon was bestraft en het betrof een eenmalig incident onder niet vergelijkbare omstandigheden. Ook overweegt de Rechtbank dat een sleutel niet steeds achter slot en grendel hoeft te worden opgeborgen. De Rechtbank acht de man in het leveren van bewijs, mede op grond van het (na vertaling van diens verklaring gewijzigde) proces‐verbaal van aangifte van de man, geslaagd.

Niet in geschil is dat het rijden door de minderjarige zoon als joyriding kwalificeert. ASR dient derhalve dekking te verlenen onder de polis. Wel volgt de Rechtbank ASR in het verweer dat ASR slechts ten dele, te weten voor 30%, is aan te spreken nu uit het polisblad voortvloeit dat voor het overige deel andere verzekeraars zijn aan te spreken. Dat heeft de man in deze procedure ten onrechte niet gedaan. De rechtbank veroordeelt ASR tot vergoeding van € 7.911,99, te vermeerderen met wettelijke rente. De eveneens gevorderde buitengerechtelijke kosten wijst de Rechtbank als niet voldoende onderbouwd af.

Robert Lonis