Connect with OKKERSE on Linkedin

Smartnewz AR 2018/3362
Rechtbank Amsterdam, 28 december 2016 - ECLI:NL:RBAMS:2016:9972. Op SmartNewz sinds: 26 juni 2018

Een man koopt in 2008 een Hyundai Santa Fe met turbodieselmotor. Hij gebruikt de auto als taxi en rijdt daarmee veelal korte(re) ritten in stedelijk gebied. Na enkele maanden treden er problemen op, waaronder rookontwikkeling in de auto. Met een ter zake het voertuig kundig reparatiebedrijf spreekt de man expliciet af dat dit bedrijf de problemen met het voertuig zal verhelpen. Na enkele jaren van reparaties, nieuwe  problemen en onderzoeken, vindt op enig moment een incident plaats waarbij een noodreparatie noodzakelijk blijkt. In navolging daarop vindt uitgebreid technisch onderzoek plaats naar de oorzaken van het probleem en de eerdere problemen. Het voertuig blijkt onbruikbaar te zijn geworden door beschadiging van de turbo. Het onderzoek wijst uit dat de toevoerleiding vanaf het motorblok voor een groot deel is vervuild met kooldeeltjes, de turboas is door smering/koelingsgebrek in ernstige mate beschadigd. Kortgezegd komt de expertise er op neer dat door korte ritten en stationair draaien het regeneratieproces, nodig om periodiek het roetfilter te reinigen van kooldeeltjes, niet voldoende tot wasdom komt. Als gevolg daarvan kan een defect ontstaan aan het turbosysteem. De man vordert schadevergoeding van het reparatiebedrijf omdat er niet aan de zorgplicht is voldaan. De man spreekt daarnaast de producent aan op productaansprakelijkheid en onrechtmatige daad.

Een beroep op verjaring wijst de Rechtbank af. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad volstaat het enkele vermoeden van het bestaan van schade niet en begint de verjaringstermijn te lopen op de dag na die waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van deze schade in te stellen.
Volgens de Rechtbank is dat in dit geval de dag na het laatste incident, niettegenstaande eerdere problemen en reparaties, omdat aannemelijk is dat pas toen duidelijk werd hoe slecht de auto er aan toe was. Daarbij weegt de Rechtbank mee dat het reparatiebedrijf betwist dat er (eerder) iets mis was met de auto. De Rechtbank oordeelt dat de zorgplicht in het kader van een reparatieverbintenis de verplichting inhoudt om te zoeken naar verdere oorzaken als na het verrichten van diverse reparaties de klachten niet zijn hersteld. Het reparatiebedrijf was bekend met het gebruik als taxi en is bijzonder technisch deskundig ten aanzien van dit type auto. Er was sprake van terugkerende klachten. De Rechtbank concludeert dat het reparatiebedrijf in strijd met de zorglicht heeft gehandeld. Voorts oordeelt de Rechtbank dat doorde schending van de zorgplicht de man schade heeft geleden in de zin van artikel 6:74 BW bestaande uit onder meer de huidige eindsituatie, te weten een onbruikbare auto. De Rechtbank baseert zich daarbij op de bevindingen als opgenomen in diverse rapporten en stelt vast dat tegen deze achtergrond het op de weg van het reparatiebedrijf was gelegen om te stellen en zo nodig te bewijzen dat indien er door haar duidelijke initiatieven waren ontplooid of deadlines waren gesteld aan de man en eerder een (onafhankelijke) expert was ingeschakeld voor nader onderzoek, de schade ook was ontstaan. Dit heeft het reparatiebedrijf echter nagelaten. Een beroep op eigen schuld passeert de rechtbank, de man hoefde de gebreken zelf niet te (kunnen) onderkennen. De rechtbank wijst diverse verklaringen voor recht toe en verwijst de kwestie naar de schadestaatprocedure. Uit geen van de in het geding gebrachte rapporten volgt dat de auto als product reeds bij het in het verkeer brengen daarvan gebrekkig was. De vorderingen wegens productaansprakelijkheid en onrechtmatig handelen jegens de producent wijst de rechtbank daarom af.

Robert Lonis