Connect with OKKERSE on Linkedin

Een bouwbedrijf sluit via een assurantietussenpersoon een opstalverzekering en een inventaris‐goederenverzekering af. Naast de algemene polisvoorwaarden is op beide verzekeringen een garantie tegen onderverzekering (GTO) van toepassing. Met betrekking tot de GTO geldt dat “op de garantie geen aanspraak kan worden gemaakt indien sinds het meest recente rapport van waarde vaststelling op grond waarvan de garantie is verleend of verlengd drie jaren zijn verlopen. Indien voor het gebouw indexering van kracht is, geldt hiervoor een periode van zes jaar(…)” In 2008 schrijft de assurantietussenpersoon het bouwbedrijf dat de duur van de GTO voor de inventaris‐goederenpolis is verlopen. De juistheid van de verzekerde som is niet gegarandeerd. Men biedt aan om de verzekerde som te verhogen, bij aanvaarding is het bouwbedrijf dan tot juli 2011 verzekerd met GTO. Het bouwbedrijf accepteert. De tussenpersoon verkoopt de assurantieportefeuille, waarna de koper als tussenpersoon optreedt. Het laatst geldende polisblad (2012) vermeldt voor de inventaris‐goederenverzekering een verzekerd bedrag van € 135.800,‐. Er breekt brand uit. Pand en inventaris gaan verloren. De schade aan het pand is gedekt. De verzekeraar keert op de inventaris‐goederenpolis wegens onderverzekering € 136.435,17 uit, de schade bedraagt echter € 206.210,‐. Het bouwbedrijf wil het verschil van bijna € 70.000,‐ ook ontvangen en start een procedure.

De Rechtbank wijst de vorderingen af en overweegt daartoe dat de GTO niet gold voor goederen. Het als gevolg van onderverzekering van verloren gegane goederen niet uitgekeerde bedrag hoeft de verzekeraar daarom niet te betalen. In hoger beroep voert het bouwbedrijf aan dat de verlenging van de GTO (in 2008), nu er voor het verzekerde gebouw indexering van toepassing was, een termijn van zes jaren toepasselijk is. De verzekeraar stelt dat de GTO voor de goederen een geldingstermijn van drie jaren heeft. Men twist over de inhoud van de overeengekomen GTO en de uitleg en betekenis van de op beide polissen voorkomende tekst ter zake de onderverzekering. Het Hof overweegt dat bepalend is welke betekenis partijen in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs aan die bepaling mochten toekennen en wat zij van elkaar mochten verwachten. Over de inhoud van de bepaling is niet onderhandeld. Objectieve factoren, zoals de gebruikte bewoordingen, zijn voor de uitleg van de GTO‐bepaling maatgevend. Grammaticaal bezien slaat het woord "hiervoor" in de bepaling op "gebouw". Dat de termijn van zes jaar ook voor de inventaris‐goederenverzekering geldt, staat niet in de clausule vermeld en kan daar evenmin in worden gelezen. Het Hof acht van belang dat het bouwbedrijf een professionele partij is en werd bijgestaan door een assurantietussenpersoon. Ook de tekst van de door de assurantietussenpersoon gedane aanbieding tot verlenging voor drie jaren van de GTO is duidelijk. Daaruit volgt dat glashelder een termijn van drie jaar voor de GTO op de inventaris en goederen gold. Zowel een beroep op de contra‐preferentem‐regel als op de redelijkheid en billijkheid wijst het Hof af. De bepaling is niet voor tweeërlei uitleg vatbaar, van onduidelijkheid is geen sprake. Het Hof volgt de verzekeraar in het standpunt dat de GTO‐clausule onderdeel is van de primaire dekkingsomschrijving. Deze heeft ook rechtstreeks invloed op de omvang en duur van de dekking. Nu zowel de bewoordingen van de GTO‐clausule duidelijk waren en het bouwbedrijf de aanbieding tot verlenging waarin de looptijd was vermeld heeft aanvaard, ziet het Hof geen reden om het beroep op onderverzekering door de verzekeraar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar te achten. Het Hof oordeelt dat de GTO op de datum van de schadeveroorzakende gebeurtenis niet meer van kracht was en bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.

Mr. Robert Lonis , augustus 2017