Connect with OKKERSE on Linkedin

Een woning kopen via WhatsApp?

17-05-2018
Eind 2017 gingen de verkopers van een woning met geïnteresseerden in onderhandeling over de verkoop van een woning. Enkele weken later lieten de kopers weten akkoord te gaan met de vraagprijs van €649.000. Vervolgens hebben de verkopers een concept koopovereenkomst aan de kopers verzonden. Na enkele wijzigingen aan te brengen hebben de kopers de koopovereenkomst ondertekend en aan de verkopers geretourneerd. Omdat de kopers enigszins ongeduldig waren, appten zij de verkopers een dag later het volgende bericht: “Hallo, hebben jullie de overeenkomst gelezen en getekend? Of hebben jullie nog vragen?” De verkopers hebben daarop met het volgende bericht gereageerd: “Haha ongeduldige. Hij is gelezen en prima volgens wat we hebben besproken opgetekend. Morgen heb jij hem in bezit met onze handtekening.” Twee dagen na het WhatsApp-bericht bedenken de verkopers zich alsnog. Zij bellen de kopers met de mededeling dat zij de koopovereenkomst niet zullen ondertekenen omdat de woning bij nader inzien niet zal worden verkocht. Hierop eisen de kopers nakoming van de afspraken over de verkoop van de woning. De verkopers wijzen de kopers erop dat er geen ondertekende koopovereenkomst is en geven opnieuw aan niet te zullen overgaan tot de verkoop van de woning.

Tussen partijen ontstaat ter discussie of er een perfecte koopovereenkomst is gesloten zoals bedoeld in artikel 7:2 lid 1 BW. Op grond van genoemd wetsartikel dient de koop van een woning schriftelijk te geschieden indien de koper een particulier is. De kopers stellen zich op het standpunt dat genoemd WhatsApp-bericht -waarin de verkopers toezeggen de koopovereenkomst te zullen ondertekenen- de schriftelijke ondertekening van de koopovereenkomst vervangt. De voorzieningenrechter stelt de kopers in het ongelijk. Volgens de voorzieningenrechter maakt het WhatsApp-bericht geen deel uit van de koopovereenkomst, maar houdt het WhatsApp-bericht hoogstens een toezegging in dat de verkopers de koopovereenkomst zullen ondertekenen. Omdat de verkopers de koopovereenkomst niet hebben ondertekend, is er niet voldaan aan het schriftelijkheidsvereiste van artikel 7:2 lid 1 BW. De gemaakte afspraken over de verkoop van de woning krijgen daardoor niet het door kopers gewenste gevolg.

Mr. Cathy Brocklebank


Privacy servicedesk (abonnement) Okkerse & Schop Advocaten

16-05-2018
Een juridisch “spar” abonnement ten bedrage van € 495,- (ex BTW) per maand.

Jij kunt dan voor al jouw juridische privacy vragen telefonisch contact opnemen met onze sectie privacyrecht, waarbij de maximumduur per telefonisch contact een half uur bedraagt. Al deze ad hoc vragen c.q. sparringsmomenten zijn bij dit abonnement inbegrepen.

Indien naar aanleiding van het telefonisch advies vervolgmaatregelen c.q. vervolgstukken moeten worden opgemaakt, zal naar aanleiding daarvan een dossier worden geopend tegen een gereduceerd uurtarief. Na een jaar dient deze werkwijze te worden geëvalueerd.


Hans Blom - 25 jaar advocaat

07-05-2018
Vol trots proosten wij op onze zilveren jubilaris, Hans Blom, vandaag 25 jaar advocaat!



Reclamecampagne niet ongeoorloofd, blinkende glimlach voor bedenkers reclame “Genius”

23-04-2018
Smartnewz AR 2018/2052
Rechtbank Rotterdam, 12 april 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:2964
Op SmartNewz sinds: 17 april 2018

Procter & Gamble (P&G) en Philips brengen al jaren elektrische tandenborstels op de markt. Deze verschillen (tegenwoordig) van elkaar in aandrijftechniek en de vorm van de borstelkoppen. In het verleden sloten partijen na procedures over en weer een vaststellingsovereenkomst, waarin zij vast legden wat tussen hen als toelaatbaar in de zin van vergelijkende reclame werd geacht. Enkele weken geleden lanceerde P&G een reclamecampagne voor haar product Oral‐B Genius. Bij die campagne gebruikt P&G een blauwe achtergrond en een afbeelding van een tandenborstel met ovalen kop en daarnaast de naam van een Philips product (Diamond Clean), welke afbeelding in de schaduw (of minder helder) is afgebeeld. P&G gebruikt als vergelijkende term “Rond reinigt beter” en verwijst naar klinische studies over meerdere weken (in een kleiner lettertype). Philips heeft bij P&G bezwaar gemaakt tegen de campagne en vordert in Kort Geding veroordeling tot het staken en gestaakt houden van de campagne en de claim dat rond beter reinigt. Volgens Philips voldoet P&G niet aan de vereisten als genoemd in artikel 6:194a BW (lid 1 sub a, c en e). Het donker afbeelden van de Philips borstel dient geen doel en is denigrerend. Zwart afbeelden roept associatie met tandbederf op en wekt de indruk van een inferieur product. De claim rond reinigt beter is niet specifiek genoeg aldus Philips.

De Voorzieningenrechter oordeelt dat voor de beoordeling van de zaak als juridisch relevant kader de bepalingen omtrent vergelijkende en misleidende reclame (6:193c‐193g BW, 6:194a BW en verder) van toepassing zijn, alsook de vaststellingsovereenkomst tussen partijen. De gewone bewijsregels zijn, vanwege de aard van het Kort Geding, niet van toepassing. De bewijslast ter zake de juistheid en volledigheid van feiten en mededelingen hoeft daarom slechts aannemelijk te worden gemaakt (door P&G). Het gevraagde verbod kan op grond van artikel 254 RV ook in Kort Geding worden gevorderd. Het enkele feit dat bij een vergelijking van producten er een minder goed uitspringt is onvoldoende om aan te nemen dat een adverteerder zich kleinerend uitlaat. Het afbeelden van de Philips borstel in de schaduw is volgens de Voorzieningenrechter niet een nodeloos denigrerende inkleding. De claim “reinigt beter” beoordeelt de Voorzieningenrechter in het licht van de mate waarin tandplak wordt verwijderd waarmee in geval van tandenborstels sprake is van een vergelijking van een wezenlijk, relevant, controleerbaar en representatief kenmerk van het product. De overige stellingen van Philips plaatst de Voorzieningenrechter in het licht van de vraag of sprake is van misleiding van de consument als gevolg van een algemene presentatie van informatie, en of sprake is van het verstrekken van informatie die feitelijk onjuist is. De wijze waarop P&G de reclame‐uitingen presenteert, zowel op beeld als op posters, leidt de Voorzieningenrechter tot het oordeel dat dit niet misleidend is en evenmin dat er sprake is van een algemene presentatie van informatie. Ook is volgens P&G niet sprake van een algemene superioriteitsclaim, zodat ook niet in strijd met enige bepaling van de vaststellingsovereenkomst werd gehandeld. De verwijzing naar klinische studies onderbouwt P&G afdoende, in Kort Geding is geen plaats voor nader onderzoek naar de juistheid van de verstrekte informatie geen plaats. Evenmin ziet de Voorzieningenrechter aanleiding om aan te nemen dat P&G de elektrische tandenborstel van Philips hetzelfde zou bewerkstelligen als een handtandenborstel. Het oordeel luidt dat de reclamecampagne niet ongeoorloofd is, de vorderingen tot het staken en gestaakt houden worden afgewezen. Dit geldt ook voor de vordering tot staken van merkinbreuk.

Mr. Robert Lonis, april 2018


Verantwoordelijkheid advocaat

10-04-2018

Verantwoordelijkheid advocaat; duidelijke, schriftelijke vastlegging van opdracht en adequate scheiding

tussen zakelijke en privé opdrachtgever


Een zoon neemt de aandelen, die zijn vader via een beheer vennootschap in Ploegro BV houdt, over en gaat deze houden via zijn eigen beheer vennootschap. Niet lang daarna overlijdt de vader. In het kader van de afwikkeling van de nalatenschap blijkt over de periode van voor de overdracht van de aandelen een claim te zijn opgekomen. Voor de afwikkeling daarvan wordt door de erven geld in depot gestort. De procedure die volgt, wordt behandeld door de advocaat van Ploegro BV, waarvan de zoon dan bestuurder is. Declaraties worden ook aan Ploegro BV gezonden en door de vennootschap voldaan. In de procedure veroordeelt het Hof Ploegro tot voldoening van € 21.148,‐ vermeerderd met nevenvorderingen. Na het arrest verzoekt de notaris aan de erven medewerking te verlenen tot het afwikkelen van het in depot gestorte bedrag. Medewerking van één van hen (de stiefmoeder) blijft echter uit. De advocaat schrijft vervolgens deze erfgename aan, waarbij in de aanhef namens de zoon (in privé) een verzoek wordt geformuleerd. Aan Ploegro BV richt de advocaat vervolgens een schrijven met het advies om een dagvaarding uit te brengen ter zake de verdeling van het depot. De advocaat stuurt nogmaals een bericht met het verzoek om een reactie, waarop de zoon schrijft “dit is dus duidelijk, wat van stappen kunnen wij nu onder nemen met deze draak??????????” Waarop de advocaat reageert “dagvaarden, zoals besproken”. Vervolgens blijft het kennelijk enige tijd stil. De advocaat stuurt 2 ½ maand later een concept dagvaarding, waarop de zoon vraagt wat er tot dan toe is gebeurd. Vervolgens stuurt de advocaat een maand later een bericht met (slechts?) enige vraagtekens (“?????”) retour. Enige tijd daarna bericht de zoon de samenwerking met de advocaat te beëindigen.

Het kantoor van de advocaat stuurt een einddeclaratie van ongeveer € 2.000,‐ aan de zoon. Deze laat de declaratie onbetaald en betwist verschuldigdheid. Hij verwijt de advocaat wanprestatie en stilzitten. De Raad van Discipline oordeelt de klacht van de zoon dat het kantoor hem heeft gefactureerd voor werkzaamheden waarvoor geen opdracht was gegeven gegrond. Vast staat dat de gestelde opdracht niet schriftelijk is vastgelegd. Niet vast staat dat de advocaat met de zoon op zorgvuldige wijze heeft gecommuniceerd over gemaakte afspraken. In rechte vordert het kantoor veroordeling tot betaling van de facturen, buitengerechtelijke kosten en proceskosten. De kantonrechter wijst die vorderingen toe en verwerpt het verweer dat de zoon niet de opdrachtgever is. Het Hof stelt vast dat de zoon zich beroept op het bevrijdend verweer dat hij in naam van Ploegro BV communiceerde, niet in privé en oordeelt dat het kantoor de opgeworpen tegenwerpingen niet voldoende onderbouwt. De werkzaamheden lagen in het verlengde van de ten behoeve van Ploegro BV gevoerde procedure. Het enkele feit dat in de door de advocaat verzonden correspondentie en in de concept‐dagvaarding de naam van de zoon wordt genoemd vormt geen toereikende onderbouwing voor de betwisting van zijn de stelling dat hij ervan uit mocht gaan dat de werkzaamheden aan (een van zijn) Bv’s in rekening zouden worden gebracht. Ook valt niet in te zien waarom hij, als leek, zou hebben moeten inzien dat en waarom het een privéaangelegenheid betrof. Het niet door hem aanslaan op het gebruik van zijn naam wekte evenmin vertrouwen bij het kantoor dat de zoon dat zo had begrepen. Het Hof oordeelt dat (conform het oordeel van de Raad van Discipline, aan welke tuchtrechtelijke uitspraak in deze civielrechtelijke zaak betekenis toekomt, zonder daarvoor beslissend te zijn) het op de weg van de advocaat als professional was gelegen om door schriftelijke vastlegging te voorkomen dat over een en ander misverstanden zouden kunnen ontstaan. Het Hof vernietigt dan ook het vonnis van de kantonrechter, met veroordeling van het kantoor in de kosten van de procedure in beide instanties.

mr. Robert Lonis


Hof oordeelt: Nederlandse consument niet misleid

03-04-2018

Hof oordeelt: Nederlandse consument niet misleid door volgens concurrent (te) rooskleurig voorgestelde prestaties stofzuiger


Dyson produceert huishoudelijke apparaten, waaronder zakloze stofzuigers. Miele brengt sinds enkele jaren ook zakloze stofzuigers op de markt, waaronder de Blizzard CX1. Beide partijen opereren wereldwijd. Miele claimt dat deze stofzuiger unieke prestaties levert, onder meer door relatief nieuw ontwikkelde gescheiden opvangbakken voor fijnstof en grofvuil. IBR laboratories is een erkend en gerenommeerd onderzoeksinstituut, onder andere op het gebied van filterprestaties van stofzuigers. Miele  verzocht aan IBR om de Blizzard CX1 te testen, hetgeen ook heeft plaatsgevonden. IBR stelde vast dat het opvangreservoir van de Blizzard CX1 hygiënisch kan worden geleegd, zonder dat (fijn)stof noemenswaardig opdwarrelt en mengt met de omgevingslucht. Ook geeft IBR Miele toestemming om het logo van IBR te gebruiken, met daarbij de tekst “Certified clean emptying Miele Blizzard CX1 dust separation system allows certified hygienic dust bin emptying”. Dyson trekt ten strijde, onder andere in Duitsland, Groot‐Brittannië en Ierland. In Duitsland acht men de melding misleidend, in Groot‐Brittannië en Ierland past Miele na bericht van de reclame‐code autoriteiten de claims aan. In Nederland wijst de Voorzieningenrechter diverse vorderingen gestoeld op het verwijt van misleidende handelspraktijken, misleidende mededelingen, ongeoorloofde reclame‐vergelijkingen en onrechtmatig handelen af. Dyson komt van die beslissing in hoger beroep.

Dyson verwijt Miele dat de handelspraktijken onrechtmatig zijn omdat zij ten onrechte de indruk wekt dat Miele over een keurmerk beschikt. Een dergelijk keurmerk bestaat niet. De test van IBR zou gebrekkig zijn. Het Hof oordeelt dat voorshands onvoldoende blijkt dat het hanteren van het begrip ‘gecertificeerd’ onder de gegeven omstandigheden misleidend is of een oneerlijke  handelspraktijk oplevert. Bij gebrek aan een algemeen vastgelegde norm, kan aan Miele in ieder geval niet worden tegengeworpen dat zij een test door IBR liet uitvoeren. Het Hof acht het voldoende aannemelijk dat die test betrekking had op de Blizzard CX1, vast staat IBR toestemming gaf om het IBR‐logo te gebruiken. De claim van Miele houdt in dat zij op het punt van hygiënisch legen beschikt over een door IBR afgegeven certificaat, waarbij het woord certificaat gebruikt wordt in de betekenis van ‘schriftelijke verklaring’. Dat de Nederlandse consument in het woord gecertificeerd een synoniem ziet van het woord keurmerk (als garantie voor een bepaalde officiële standaard) acht het Hof niet aannemelijk. De wijze waarop elders in Europa de materie is behandeld kan evenmin tot enige conclusie leiden met betrekking tot de wijze waarop de gemiddelde Nederlandse consument de  claim van Miele zal begrijpen. Volgens het Hof is ook de kritiek van Dyson op de testmethode van IBR niet relevant. Al zou die test gebreken vertonen, dan nog blijft overeind dat IBR, een gerenommeerd en erkend testinstituut, het systeem heeft getest en tot positieve conclusies is gekomen zodat de claim van Miele in zoverre niet ongegrond (en niet misleidend) is. Volgens Dyson suggereert Miele dat de opvangbak met grof vuil 100% vrij van fijnstof is, dat betwist Miele gemotiveerd. Het Hof oordeelt dat niet aannemelijk is gemaakt dat de gemiddelde Nederlandse consument de claim van Miele anders zal begrijpen, zodat ook op dit punt niet valt aan te nemen dat sprake is van onjuiste of misleidende reclame, noch van een misleidende handelspraktijk. Het Hof bekrachtigt het vonnis waarvan beroep en veroordeelt Dyson in de kosten.

mr. Robert Lonis


Maak kennis met de schuldhulpverlening van Okkerse & Schop Advocaten!

29-03-2018
Okkerse & Schop Advocaten biedt in samenwerking met het Zelfstandigen Loket Flevoland (ZLF) schuldhulpverlening aan ondernemers en ex-ondernemers die in financiële problemen verkeren. Om hen een beter beeld te geven over wat wij voor hen kunnen betekenen, hebben wij een korte introductiefilm gemaakt. Deze film is vanaf vandaag te vinden op onze website. Bekijk de film via deze link.

Daarnaast hebben we een aantal (ex)ondernemers gevraagd naar hun ervaringen met onze dienstverlening en ook hiervan hebben wij vandaag een filmpje op onze website gezet. Deze film vind je onderaan deze pagina.


Opgenomen telefoongesprek nekt aanspraak verzekerde

22-03-2018

Door verzekeraar opgenomen telefoongesprek nekt aanspraak verzekerde op vergoeding onder polis

Een student bedrijfseconomie rijdt motor en verzekert deze tegen diefstal bij Univé. De voorwaarden van verzekeraar vermelden dat, indien de motor niet in een afgesloten stalling staat, naast het standaard slot een ART goedgekeurd slot van de categorie 4 of 5 voor de beveiliging dient te worden gebruikt. In geval van fraude beëindigt Univé de verzekering, uitgekeerde schadevergoeding dient te worden terugbetaald, alsmede de kosten van onderzoek. Indien in voldoende mate vaststaat dat een verzekerde is betrokken bij een gedraging die een bedreiging vormt of kan vormen voor de (financiële) belangen van in casu de verzekeraar, kan dit worden vastgelegd in het incidentenregister, waaraan een extern verwijzingsregister is gekoppeld. In verband met mogelijk nadelige gevolgen van registratie wordt, met inachtneming van het proportionaliteitsbeginsel, vastgesteld of het belang van de instelling prevaleert boven de belangen van de betrokkene. De motor wordt gestolen. Bij de melding daarvan bij Univé verklaart de student dat er geen ART‐slot was gebruikt, de motor stond op (stuur)slot en het alarm was ingeschakeld. In het gesprek meldt de medewerker van Univé dat zonder een ART‐slot er geen dekking onder de polis is. Later komt de student van zijn verklaringen terug en stelt dat er wel een ART‐slot was gebruikt.

De voorzieningenrechter in eerste aanleg wijst de vorderingen van de student, te weten verwijdering van persoonsgegevens uit de registers (EVR en CBV) onder last van een dwangsom en herstel van de verzekering, toe. Univé vordert in hoger beroep vernietiging van het vonnis. Opname in het Incidentenregister en de koppeling met het externe register kan verstrekkende gevolgen hebben. Te denken valt aan weigering van (andere) financiële dienstverlening, maar ook aan gevolgen voor carrière(perspectieven) bij financiële instellingen. Er dienen hoge eisen te worden gesteld aan de gronden voor opname in het EVR, dit dient in overeenstemming met de Wbp en het Protocol te gebeuren. Een strafrechtelijke veroordeling is geen voorwaarde. Een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit is echter onvoldoende. De vastgestelde gedragingen dienen een zwaardere verdenking dan een redelijk vermoeden van schuld op te leveren. De bewijslast ligt bij Univé. Het hof dient daarom te beoordelen of voldoende aannemelijk is of Univé in een bodemprocedure dit bewijs zal kunnen leveren. Daartoe loopt het Hof de verklaringen van de student af. De argumenten die de student aanvoert acht het hof ongeloofwaardig. Waarom de student in eerste instantie wel verklaart over een stuurslot en een alarm maar niet over een ART‐slot acht het hof onverklaarbaar. Het Hof acht het in hoge mate aannemelijk dat de student de motorfiets niet met een ART‐slot had afgesloten en dat hij dit de eerste keer ook conform de waarheid heeft gemeld aan Univé. Toen hij ontdekte dat de diefstal dan niet verzekerd zou zijn, heeft hij in strijd met de waarheid verklaard dat wel een ART‐slot door hem is gebruikt, met het doel Univé tot uitkering onder de polis te bewegen. Dit levert een zwaardere verdenking dan een redelijk vermoeden van poging tot fraude op. De student is 22 jaar oud en first offender. Van een vooropgezet plan is niet gebleken. Het financiële belang van de zaak is beperkt. Een langere opname in de registers dan twee jaar is in casu niet proportioneel, het Hof stelt die termijn dan ook (indien Univé tot her‐inschrijving over gaat, na het vonnis in eerste aanleg was de registratie reeds beëindigd) op maximaal twee jaren en veroordeelt de student tot restitutie van aan hem werd uitbetaald.

mr. Robert Lonis


Bezuinigen op verzekeringspremies valt duur uit

19-03-2018

Bezuinigen op verzekeringspremies valt duur uit voor transportbedrijf die assurantietussenpersonen liet concurreren op prijs


Een transportbedrijf met een eigen wagenpark en eigen chauffeurs in dienst sluit haar verzekeringen graag af tegen de laagst mogelijke premie. Daarbij maakt zij gebruik van twee assurantietussenpersonen: Rabobank en Meeùs. Het transportbedrijf verzocht beide tussenpersonen offertes uit te brengen, zodat er sprake zou zijn van optimale prijsvorming. Voor schade als gevolg van eenzijdige ongevallen kon het transportbedrijf kiezen uit de Schadeverzekering inzittenden (SVI) en de Werkgeversaansprakelijkheid Motorrijtuigen (WEGAM). Het transportbedrijf koos altijd voor deze laatste. Via Meeùs liep lange tijd een wagenparkverzekering zonder SVI‐dekking bij Achmea en een WEGAM polis bij Turien. Na een verzoek nieuwe offertes uit te brengen, komt Nationale Nederlanden met een scherpe offerte. Meeùs leidt berichtgeving door waarin is vermeld dat de SVI niet in de premie is meegenomen, dat zou € 30,‐ per voertuig extra kosten. Enige tijd later beëindigt de Rabobank namens het transportbedrijf de WEGAM‐verzekering, in plaats daarvan sluit zij een Bedrijven Compact Polis bij Interpolis. Deze polis verzekert tevens het WEGAM‐risico, maar alleen als het kentekenbewijs van het motorvoertuig waarmee schade wordt geleden niet op naam van het transportbedrijf staat. Aan Rabobank werd voorgehouden dat het transportbedrijf ook een SVI‐dekking had. Een chauffeur raakt betrokken bij een eenzijdig ongeval en lijdt schade. Hij stelt het transportbedrijf aansprakelijk.

Het transportbedrijf probeert de schade te verhalen op Nationale Nederlanden enerzijds en de assurantietussenpersonen anderzijds. Volgens het transportbedrijf bestond er bij NN wel SVI‐dekking omdat dit werd vermeld in de collectieve contractenafspraken ter zake het wagenpark. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de collectieve contractafspraken als polis worden aangemerkt en leveren deze als zodanig dwingend bewijs op. Dat bewijs ontkracht NN door aannemelijk te maken - door het overleggen van correspondentie ‐ dat partijen SVI‐dekking niet zijn overeengekomen. Nationale Nederlanden mocht er voorts op vertrouwen dat Meeùs met het transportbedrijf besprak welke vorm van dekking wenselijk was en erop toezag dat die dekking vervolgens ook werd verkregen. Ook had het transportbedrijf andere mogelijkheden om risico’s voor haar chauffeurs af te dekken en werd zij bijgestaan door twee professionele partijen. Daarom rustte er op Nationale Nederlanden geen verplichting haar ervoor te waarschuwen dat zij niet koos voor SVI‐dekking. In het licht van de omstandigheden van het geval, Meeùs was immers bekend met de eerder gesloten WEGAM‐polis, oordeelt de rechtbank dat Meeùs niet kan worden verweten dat zij er niet voor heeft gezorgd dat de (overgesloten) wagenparkverzekering SVI‐dekking ‐ welke optie zij wel had aangeboden ‐ zou bieden. Ter zitting komt vervolgens vast te staan dat het transportbedrijf voorafgaand aan het oversluiten van de WEGAM‐verzekering, eind 2012, uitdrukkelijk heeft verteld dat zij beschikte over een SVI. Rabobank mocht van deze mededeling, nota bene van een professioneel transportbedrijf, uitgaan. De rechtbank oordeel dat in een geval als het onderhavige, waarbij twee of meerdere  assurantie-tussenpersonen zijn ingeschakeld, van de afzonderlijke partijen niet een grotere oplettendheid kan worden verwacht. In zo’n situatie rust veeleer een grotere verantwoordelijkheid op de verzekerde om ervoor te zorgen dat de tussenpersonen goed worden geïnformeerd over de omvang van de dekking van de verzekeringen waarbij de andere tussenpersoon niet heeft bemiddeld. De zorgplicht van de assurantietussenpersoon gaat in het algemeen niet zo ver dat hij moet controleren of de informatie die zijn klant hem verstrekt wel juist is. De gevolgen van een eigen vergissing kan het transportbedrijf niet afwentelen op de tussenpersoon, de rechtbank wijst de vorderingen af.

mr. Robert Lonis


Hypotheekverstrekker moet BKR-registratie tussentijds verwijderen

15-03-2018
Als u een lening met een kredietbedrag boven de € 250,- afsluit, is de kredietverstrekker verplicht om dit aan het Bureau Kredietregistratie (BKR) te melden. U wordt in dat geval geregistreerd in het Centraal Krediet Informatiesysteem (CKI). Er is echter één lening die pas wordt gemeld bij een achterstand, namelijk de hypotheek. Als u op uw hypotheek een betalingsachterstand heeft van meer dan drie maandtermijnen, krijgt u een negatieve registratie. Die registratie blijft in beginsel vijf jaar zichtbaar, maar er kan tussentijds aanleiding bestaan om de registratie te verwijderen, namelijk als handhaving van die registratie in strijd is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Zo rees in de uitspaak van de Rechtbank Oost-Brabant van 30 oktober 2017 de vraag of een hypotheekverstrekker op die grond een BKR-registratie tussentijds diende te verwijderen.

De heer en mevrouw (hierna: ‘’betrokkenen’’) hebben begin 2011 een appartement gekocht. Voor de financiering van de aankoop van het appartement hebben zij een hypothecaire geldlening afgesloten bij een hypotheekverstrekker. Een week nadat het appartement aan hen was opgeleverd is de heer door zijn werkgever ontslagen, waardoor zijn inkomen aanzienlijk was gedaald.  De betrokkenen hebben de hypotheekversterker echter in eerste instantie niet ingelicht over het ontslag en de inkomensdaling. Pas op het moment dat er een betaalachterstand ontstond gaven de betrokkenen aan dat de situatie niet op korte termijn zou veranderen. De hypotheekverstrekker heeft hierop aangegeven dat zij verplicht is om de betaalachterstand bij het BKR te melden, als deze niet binnen 10 dagen wordt afgelost. Nadat de betaalachterstand niet was afgelost kregen de betrokkenen een zogenaamde A-codering (betaalachterstand) in het CKI van het BKR.

De woning is vervolgens na onderling overleg tussen de betrokkenen en de hypotheekverstrekker verkocht. De volledige hypotheekschuld werd met de verkoopopbrengst afgelost. De hypotheekversterker heeft na de volledige aflossing een H-codering (H staat voor herstel) geregistreerd, waarmee werd aangegeven dat de betaalachterstand was ingelopen.

De betrokkenen moesten echter op zeer korte termijn hun huurwoning verlaten maar werden door de registratie belemmerd in het vinden van een vervangende (koop)woning. Om die reden wenste zij dat de registratie in zijn geheel zou worden verwijderd. Met tussenkomst van CoderingVrij hebben zij de hypotheekverstrekker meermaals verzocht om de BKR-registratie te laten verwijderen. De hypotheekverstrekker heeft de verzoeken echter steeds afgewezen.

Nu de hypotheekverstrekker de BKR-registratie niet wilde verwijderen, vorderden de betrokkenen middels een kort geding om de hypotheekverstrekker de vermelde ‘A’ en ‘H’ coderingen bij het BKR geheel door te laten halen. Volgens hen zou de hypotheekverstrekker ten onrechte niet mee willen werken met de verwijdering van de coderingen bij het BKR. Zo stelde zij dat de hypotheekverstrekker de in de jurisprudentie voorgeschreven belangafweging niet goed zou hebben uitgevoerd en dat de registratie in zijn geheel ten onrechte zou hebben plaatsgevonden. Daarnaast zou het handhaven van de registratie volgens betrokkenen in strijd zijn met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. De hypotheekverstrekker deelde dat standpunt niet en voerde daarentegen, dat de betrokkenen geen spoedeisend belang hadden. Voorts zou de BKR-registratie volgens haar geheel in verhouding staan tot de omvang en duur van de betalingsachterstand.

De voorzieningenrechter overwoog dat de betrokkenen voldoende spoedeisende belang hadden bij het gevorderde, nu zij voldoende aannemelijk hadden gemaakt dat zij de woning die zij huurde op korte termijn diende te verlaten. Daarnaast was het volgens de rechter evident dat de betrokkenen door de BKR-codering werden beperkt in hun mogelijkheden tot het verkrijgen van een financiering en dus in hun mogelijkheden tot het vinden van een vervangende woning.

De hypotheekversterker was gelet op het arrest van de Hoge Raad van 9 september 2011 ( ECI:NL:HR:2011:BG8097) verplicht om voor de BKR-registratie een belangenafweging uit te voeren en heeft dat volgens de voorzieningenrechter ook gedaan. Die belangenafweging is, gezien de toenmalige achterstand, terecht in het nadeel van de betrokkenen uitgevallen. Het handhaven van de registratie gedurende de volledige vijf jaar is echter in dit geval in strijd met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Het doel van een BKR-registratie is volgens de rechter namelijk om zakelijke klanten een goed te beeld geven van de financiële positie van een consument en om te voorkomen dat een consument teveel schulden opbouwt. De betaalachterstand van betrokkenen was gelegen in het feit dat het inkomen van betrokkenen dramatisch was gedaald. Het risico dat zo’n situatie zich nogmaals zou voordoen was volgens de rechter zo goed als uitgesloten. Daarbij was het ook van belang dat de hypotheekschuld volledig was afbetaald, de betrokkenen geen andere schulden meer hadden en het inkomen inmiddels stabiel was. De rechter oordeelt derhalve dat de hypotheekverstrekker de registratie binnen 24 uur na de betekening van het vonnis tussentijds moest verwijderen.

Deze uitspraak laat vooral zien dat het bij de beoordeling van de verwijdering van een BKR-registratie aankomt op de specifieke omstandigheden van het geval. Mocht u vragen hebben of twijfelen over de rechtmatigheid en of handhaving van uw BKR-registratie, dan helpt Okkerse & Schop Advocaten u daar graag mee.

mr. Jihad Bennani-karim


Klare taal in echtscheidingsconvenant

12-03-2018

Klare taal in echtscheidingsconvenant; advocaat niet aansprakelijk voor vermeende wanprestatie en onrechtmatige daad


Een advocaat staat een man bij in verband met een echtscheidingsprocedure. Bij de scheiding, na 23 jaar huwelijk, veroordeelt de Rechtbank de man tot betaling van partner‐ en kinderalimentatie. Het echtscheidingsconvenant stelt het scheidende paar in overleg en na onderhandeling met behulp van hun advocaten op. Na ommekomst van vier jaren verzoekt de vrouw in rechte herziening van de bijdrage in de kosten van levensonderhoud en nabetaling van een bedrag van ruim € 9.000,‐ in verband met omzetting van kinderalimentatie in partneralimentatie. De rechtbank wees de vorderingen van de vrouw toe, in hoger beroep komen de man en vrouw tot een vaststellingsovereenkomst.

De man spreekt vervolgens zijn advocaat aan. Deze zou zijn tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen ingevolge de met de man gesloten overeenkomst van opdracht. De advocaat heeft de bedoeling van partijen bij de redactie van het convenant miskend. Bedoeld was volgens de man om de alimentatie te maximeren tot vier jaren. Ook was het niet de bedoeling om de kinderalimentatie om te kunnen zetten in partneralimentatie bij het bereiken van de leeftijd van 21 jaren en verzuimde de advocaat hem te wijzen op een in dat opzicht mogelijk ruimere uitleg van het convenant. De man vordert een verklaring voor recht (wanprestatie) en schadevergoeding tot een bedrag van € 61.083,44. De rechtbank wijst de vorderingen af. In Hoger Beroep vult de man zijn eis aan met onrechtmatig handelen.

Het Hof oordeelt als volgt.
Als uitgangspunt staat voorop dat een advocaat als beroepsbeoefenaar de zorgvuldigheid dient te betrachten die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht. Dit brengt onder meer mee dat een advocaat die een cliënt adviseert in het kader van een door deze te nemen beslissing over een bepaalde kwestie, zijn cliënt in staat stelt goed geïnformeerd te beslissen (vgl.HR 18 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2745).

Het Hof stelt daarbij voorop dat de stelplicht en bewijslast bij de man berust. Dit geldt zowel voor de gestelde tekortkomingen c.q. onrechtmatige gedragingen van de advocaat als voor de gestelde schade en het causale verband tussen de gestelde schade en de gestelde tekortkomingen c.q. onrechtmatige gedragingen van de advocaat. De stelling dat de advocaat de bepalingen niet redigeerde zoals de man en de vrouw (gezamenlijk) bedoelden strandt. De vrouw stelde (namelijk) in de herzieningsprocedure dat in het convenant verwoord was wat zij overeengekomen waren. Een door de man veronderstelde erkenning door de advocaat in een e‐mail blijkt dat niet te zijn geweest, daarbij voldoet deze niet aan de vereisten van artikel 154 RV. Het beroep op de opdrachtbevestiging, waarin staat dat de man bereid is om gedurende een afgebakende periode bij te dragen in het levensonderhoud van de vrouw, baat de man evenmin. De omschrijving in de brief is daartoe te vaag en aan de intentie van alleen de man kan de bedoeling van (beide) partijen bij het ondertekenen van het convenant niet worden ontleend. Dat in een van de (eerste) concepten een beperkte termijn van vier jaren was vermeld, betekent nog niet dat partijen bij het sluiten van het convenant in de definitieve versie iets anders bedoelden dan dat daar in stond.

Het Hof oordeelt dat de betekenis van de bepalingen in het convenant voor de man voldoende duidelijk moeten zijn geweest, hij heeft deze ook na overleg met zijn advocaat goedgekeurd. De man stelt onvoldoende om zijn stellingen te onderbouwen. De stelling van de man dat de redactie van de bepaling omzetting kinderalimentatie naar partneralimentatie ruimte voor discussie laat acht het Hof niet juist. Het in dat kader door de vrouw gevorderde werd door de Rechtbank eerder al toegewezen, volgens het Hof ontbreekt causaal verband de gevorderde schade en de beslissing van de rechtbank. Het Hof stelt de man in het ongelijk en veroordeelt hem in de kosten.

mr. Robert Lonis


Geslaagde workshop AVG in samenwerking met VBA

28-02-2018
De leden van de Vereniging Bedrijfskring  Almere volgden gisteren een workshop over de Algemene Verordening Gegevensbescherming bij Okkerse & Schop Advocaten. Tijdens de workshop werden de leden bijgepraat over de nieuwe privacyregelgeving. Aansluitend vond het VBA-zakenuurtje plaats, waar onder het genot van een hapje en drankje werd nagepraat. Geslaagde bijeenkomst!



Niet handelen gemeente leidt tot oordeel eigen schuld en verkrijgende verjaring

26-02-2018

Niet handelen gemeente bij kenbare inbreuk op eigendom grond leidt tot oordeel eigen schuld en

verkrijgende verjaring


In 1984 koopt een echtpaar een woning met een achtertuin. Achter de woning ligt een stuk grond dat in eigendom toebehoort aan de gemeente. Het echtpaar neemt een deel van die grond in gebruik. Zij gaan aan de slag met de beplanting en plaatsen een hek, dit om te voorkomen dat de kippen en honden kunnen ontsnappen uit de tuin en om te voorkomen dat de (dan nog) kleine kinderen in de nabij gelegen vijver belanden. Ook plaatst het echtpaar een speelhuisje, dat later wordt vervangen door een tuinhuisje. Het aldus in gebruik genomen stuk grond is ongeveer 61 vierkante meter groot. Sindsdien is de gemeente niet meer op dat stuk grond geweest en pleegt daar dus ook geen onderhoud aan. Wel pleegt de gemeente onderhoud aan naastgelegen stukken grasland en groen. In het najaar van 2014 voert de gemeente beleid in om versnipperd groen te verkopen aan gebruikers. Het echtpaar ontvangt een aanbod om het door hen in gebruik genomen stuk grond te kopen tegen betaling, met enige andere voorwaarden, van € 75,‐ per vierkante meter. Na initieel akkoord onder voorbehoud stelt het echtpaar zich op het standpunt eigenaar te zijn geworden door inbezitneming en verkrijgende verjaring. De gemeente deelt dat standpunt niet.

In rechte vordert de gemeente te verklaren voor recht dat het perceel toebehoort aan de gemeente, met nevenvorderingen onder dwangsom om de grond te ontruimen. Het echtpaar vordert in reconventie te verklaren voor recht dat zij eigenaars zijn geworden, met als nevenvordering een vonnis te wijzen dat kan worden ingeschreven in het kadaster. De gemeente vordert subsidiair, indien de vordering van het echtpaar voor toewijzing vatbaar blijkt, te verklaren voor recht dat door de inbezitneming te kwader trouw en onrechtmatig door het echtpaar is gehandeld. De Rechtbank stelt dat de kern van het geschil de vraag betreft wie nu eigenaar van de grond is. De Rechtbank betrekt hanteert de objectieve maatstaf die voortvloeit uit wet en jurisprudentie. Bezit dient ondubbel-zinnig en openbaar te zijn, op grond waarvan de eigenaar tegen wie verjaring loopt, daaruit niet anders kan afleiden dat dat de bezitter pretendeert eigenaar te zijn (HR 15 januari 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0826). Vereist is dat de machtsuitoefening zodanig is dat naar verkeersopvatting het bezit van de oorspronkelijke eigenaar teniet wordt gedaan (vgl. HR 18 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2743). Op de (algemene) verweren van de gemeente , verklaart het echtpaar – na overleg van fotomateriaal – nader over het ononderbroken gebruik en bezit van het stuk grond.

De Rechtbank oordeelt dat de situatie kennelijk al jaren hetzelfde is, waarbij de grond is ingericht met pretentie van eigendom gelet op gebruik, hekwerk en het voor derden niet toegankelijk zijn daarvan. Het gebruik door het echtpaar was kenbaar, maar vormde voor de gemeente blijkbaar geen reden om in te grijpen. Het oordeel luidt dat de (verkrijgende) verjaring is voltooid omdat het echtpaar gedurende twintig jaar onafgebroken het bezit van de grond heeft gehad. Over de onrechtmatige daad oordeelt de Rechtbank dat het echtpaar te kwader trouw handelde, daarmee toerekenbaar inbreuk pleegde op het eigendomsrecht van de gemeente en in beginsel schadeplichtig is. Artikel 6:103 BW bepaalt dat schadevergoeding wordt voldaan in geld, tenzij de rechter een andere vorm toekent. Het beroep van de gemeente op de Rechtspraak (HR 24 februari 2017 ECLI:NL:HR:2017:309) waarbij terug levering in geval van kwader trouw werd toegewezen passeert de Rechtbank. In het onderhavige geval wist de gemeente immers dat inbreuk werd gemaakt, maar liet zij na op te treden. Als gevolg van eigen schuld stuit toewijzing van de vordering tot schadevergoeding in de vorm van teruggave af. Een  schadevergoeding in geld is niet gevorderd, zodat de Rechtbank daartoe ook geen ruimte heeft. De Rechtbank verklaart wel voor recht dat het echtpaar jegens de gemeente onrechtmatig heeft gehandeld, maar kent geen schadevergoeding toe. Verder wijst de Rechtbank de vorderingen van het echtpaar toe en veroordeelt de gemeente in de kosten van het geding.

mr. Robert Lonis


Geslaagde Startersdag Almere!

21-02-2018
Tijdens de Startersdag Almere, die op 20 februari jl. plaatsvond, hebben we met veel starters kennis mogen maken. Ook ons seminar: Starter, heb jij de juridische zaken al goed geregeld? is goed bezocht.

Een geslaagd evenement!



Automobilist niet aansprakelijk na val fietser

21-02-2018

Automobilist niet aansprakelijk na val fietser. Geen aanrijding, overmacht aannemelijk gemaakt


Een Duits stel fietst tijdens hun vakantie over een smalle weg nabij Schoorl. De weg is dan nog niet voorzien van (onderbroken) strepen. Het stel rijdt op mountainbikes, de man voorop, de vrouw, die lerares is, er achteraan. In de weg is een bocht waarbij het zicht op tegemoetkomend verkeer volledig wordt belemmerd door begroeiing. Het stel fietst daar sportief (redelijk snel) op af. Van de andere kant nadert een Nederlands stel in een Fiat 500 de bocht. Hun snelheid is laag, zij verklaren met ongeveer 15 km per uur de bocht te hebben genaderd. De man passeert de auto rechts, dus op zijn eigen weghelft. De vrouw lijkt de auto pas laat op te
merken. Als zij de auto ziet schrikt zij en remt krachtig. Ook gooit ze haar stuur om naar rechts. Vervolgens valt zij van haar fiets op het asfalt. Alleen haar rugzak raakt de auto, die dan inmiddels stil staat. Haar situatie lijkt mee te vallen, de bestuurder van de auto brengt de vrouw naar haar vakantiehuis. Later gaat de vrouw alsnog naar het ziekenhuis, haar pols blijkt gebroken evenals haar onderbeen en wel op twee plaatsen. Als gevolg van haar val kan de vrouw haar werk als lerares – na een re‐integratietraject – niet meer aan en is zij in behandeling voor een posttraumatisch stresssyndroom.

De vrouw vordert een verklaring voor recht dat de automobilist aansprakelijk is voor de schade. De basis voor die vordering ligt in artikel 185 lid 1 Wegenverkeerswet, die bepaalt als volgt: “Indien een motorrijtuig waarmee op de weg wordt gereden, betrokken is bij een verkeersongeval waardoor schade wordt toegebracht aan, niet door dat motorrijtuig vervoerde, personen of zaken, is de eigenaar van het motorrijtuig (…) verplicht om die schade te vergoeden, tenzij aannemelijk is dat het ongeval is te wijten aan overmacht (…).” Hoewel er geen aanrijding met de auto plaatsvond, was deze wel “betrokken” bij het ongeval, zodat deze bepaling van toepassing is. Het uitgangspunt is daarom aansprakelijkheid van de automobilist, tenzij deze aannemelijk maakt dat het ongeval te wijten is aan overmacht. In het kader van de behandeling worden diverse personen onder ede gehoord. De verklaringen zijn grotendeels gelijkluidend, maar wijken op enige punten – in het bijzonder over de plaats van het voertuig op de smalle weg – ook af. Er vindt een decente plaats om nader inzicht te verwerven. De verklaringen van het Duitse stel gaan uit van een positie van de auto op hun weghelft. Het Nederlandse stel verklaart dat zij op hun eigen weghelft reden, zodat er voldoende ruimte was
voor tegemoet komend verkeer om te passeren. De man kon dat ook gewoon. De rechter stelt vast dat het een openbare weg betreft, open voor alle verkeer, waar een maximum snelheid geldt van 50 km/h. De automobilist kan, gezien de situatie ter plaatse, de fietsers niet hebben gezien. Hij reed langzaam de bocht in, naar het oordeel van de Rechtbank bracht de automobilist met 15 km/h zijn snelheid voldoende terug. De stelling van de advocaat van de fietsers dat de automobilist stil moest gaan staan, volgt de rechter niet. Het is voldoende als de snelheid gepast is teruggebracht. Over de positie van de auto oordeelt de rechter dat de verklaring van de man, die de auto kon passeren, niet strookt met de plaats waar de vrouw en haar fiets na de val op het asfalt waren terechtgekomen. Die plek duidt er op dat er voldoende afstand was om te passeren. Het lijkt er op dat de schrik bij de vrouw tot haar val leidde, waarmee de rechter tot het oordeel komt dat aan de automobilist rechtens geen verwijt valt te maken. Het beroep op overmacht slaagt, de rechter wijst de vorderingen van de Duitse af en veroordeelt haar in de kosten van het geding.

mr. Robert Lonis


Laagste eigen bijdrage in geval van minnelijk schuldhulpverleningstraject

19-02-2018
Op het moment dat een schuldenaar in een minnelijk schuldhulpverleningstraject een toevoegwaardige rechtsvraag heeft, hoeft hij hiervoor alleen de laagst mogelijke eigen bijdrage te betalen. In een dergelijk geval wordt het inkomen van de rechtzoekende schuldenaar niet getoetst. In 2018 is de laagste eigen bijdrage voor rechtsbijstand € 196. Hierop kan een korting verkregen worden van € 53,- indien men een diagnosedocument – een doorverwijzing - van het Juridisch Loket heeft verkregen. Een schuldenaar in een minnelijk schuldhulpverleningstraject wordt hierin gelijk gesteld aan schuldenaren in het wettelijke schuldsaneringstraject, waarvoor de laagste eigen bijdrage ook geldt. Aanvullend vereiste voor de schuldenaar in het minnelijke schuldhulpverleningstraject is dat de schuldregelingsovereenkomst tussen de schuldhulpverleningsinstantie en de schuldenaar ondertekend dient te zijn. 

Ondanks dat de afspraak tussen de branchevereniging voor schuldhulpverlening en sociaal bankieren, de NVVK en de Raad voor Rechtsbijstand hieromtrent reeds bestond, bleek dat zich in de praktijk problemen voordeden met het toekennen van de laagste eigen bijdrage. Zo vereiste de werkinstructie voor de medewerkers van de Raad voor Rechtsbijstand dat sprake diende te zijn van een getekende overeenkomst met alle schuldeisers voor wat betreft het akkoord. Hierdoor vielen schuldenaren die zich in de fase voor het akkoord bevonden, buiten de gelijkstelling aan schuldenaren in het wettelijk schuldsaneringstraject.

De NVVK heeft met de Raad voor Rechtsbijstand overeenstemming bereikt over de gelijkstelling van de schuldenaren in het minnelijke schuldhulpverleningstraject aan de schuldenaren in het wettelijke schuldsaneringstraject. Vanaf 1 januari jl. geldt dan ook dat schuldenaren de laagste eigen bijdrage verschuldigd zijn in geval van toevoeging, ongeacht of met schuldeisers al een akkoord is bereikt. De werkinstructie voor de medewerkers van de Raad voor Rechtsbijstand is sindsdien aangepast.


mr. Mariska Zentveldt


Meld je aan voor het webinar AVG!

15-02-2018
Op dinsdag 27 februari a.s. organiseren wij in samenwerking met Wolters Kluwer een interactief webinar over de AVG met praktische tips en uitleg over duurzaam digitaal ondernemen. Lees meer >>


Een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, tenzij

14-02-2018
... de ontbindende voorwaarde in het arbeidsrecht

Een ontbindende voorwaarde wordt meer dan eens opgenomen in een overeenkomst. Er is dan direct sprake van een overeenkomst tussen partijen, maar deze overeenkomst wordt ontbonden als de ontbindende voorwaarde zich voordoet (bijvoorbeeld als de financiering niet tot stand komt). Hoewel een ontbindende voorwaarde in principe in elke overeenkomst kan worden opgenomen, is het minder gebruikelijk dit te doen bij een arbeidsovereenkomst. Door werkgevers wordt het toch wel eens geprobeerd, zonder succes. De ontbindende voorwaarde dat de arbeidsovereenkomst eindigt als de musicalproductie (waarin de werknemer speelde) stopt, is bijvoorbeeld niet toegestaan. In haar uitspraak van 10 oktober 2017 zag het Hof Den Haag echter wél reden de ontbindende voorwaarde in de arbeidsovereenkomst toe te staan. Wat speelde daar?

De betreffende werknemer was sinds 1999 als schilder werkzaam voor een schilderbedrijf. Twaalf jaar later blijkt het niet goed te gaan met de onderneming en vraagt het schildersbedrijf bij het UWV een ontslagvergunning aan. Aangezien deze werknemer al eind vijftig is, probeert het schildersbedrijf hem te herplaatsen zodat de werknemer tot aan zijn pensioen kan blijven werken. Uiteindelijk blijkt bedrijf X bereid om de werknemer over te nemen. De intentie van het schilderbedrijf wordt gecommuniceerd met de vakbonden en tussen het schilderbedrijf en het bedrijf X komt een overeenkomst tot stand. Daarin wordt onder andere bepaald dat indien de werknemer langdurig ziek wordt (26 weken of langer), hij per direct terugvalt in het oude dienstverband met het schildersbedrijf. Nadat de werknemer een aantal maanden voor het bedrijf X heeft gewerkt wordt hij langdurig ziek en 26 weken later ontvangt hij een brief van het bedrijf X waarin wordt aangegeven dat – vanwege de langdurige ziekte – hij per direct terugvalt in zijn oude dienstverband en hij wordt verzocht zich te melden bij het schildersbedrijf.

Aangezien zowel het schildersbedrijf als het bedrijf X geen loon meer uitkeren, stapt de werknemer naar de kantonrechter. Daar vangt de werknemer bot: de kantonrechter bepaalt dat er een terugkeerbepaling was opgenomen in de arbeidsovereenkomst en het dienstverband met het schildersbedrijf daarom is gaan herleven. Dit is – volgens de kantonrechter – een geldige ontbindende voorwaarde die de overeenkomt met het bedrijf X van rechtswege heeft doen laten eindigen.

In hoger beroep stelt het Hof voorop dat het wettelijke stelsel van ontslagrecht en de arbeidsovereenkomst een grote mate van bescherming bieden aan een werknemer en dat een ontbindende voorwaarde in de arbeidsovereenkomst daarom de uitzondering dient te zijn.

Nu dat niet uit de wet of rechtspraak volgt, meent het Hof dat een ontbindende voorwaarde op zich niet schriftelijk overeen hoeft te worden gekomen. De terugkeerbepaling betekent feitelijk dat de werknemer bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst met het bedrijf X, nog een slapend dienstverband had met het schildersbedrijf, welke overeenkomst na het inroepen van de ontbindende voorwaarden als het ware herleeft. Het Hof hecht dan vooral veel belang aan het feit dat door het inroepen van de ontbindende voorwaarde de werknemer niet zonder arbeidsovereenkomst komt te zitten en zijn bijbehorende rechtspositie niet kwijtraakt. Integendeel, zijn eerdere dienstbetrekking (met het schildersbedrijf) herleeft en daardoor komt hij in dezelfde rechtspositie te verkeren als voordat hij de overeenkomst met het bedrijf X aanging. Op zichzelf komt de werknemer door de ontbindende voorwaarde niet in een slechtere positie dan waarin hij zich voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst bevond. Het Hof oordeelt daarom dat deze ontbindende voorwaarde niet onverenigbaar is met het ontslagrecht.

Deze uitspraak van het Hof laat vooral zien dat het bij de beoordeling van de geldigheid van een ontbindende voorwaarde in de arbeidsovereenkomst aankomt op de specifieke omstandigheden van het geval. Laat een ontbindende voorwaarde in uw arbeidsovereenkomst daarom altijd controleren door een advocaat. De arbeidsrechtspecialisten van Okkerse & Schop Advocaten helpen u daar graag mee.

mr. Simon Booij


Ben jij als starter juridisch goed voorbereid?

13-02-2018

Kom naar de Startersdag Almere!

Op dinsdag 20 februari a.s. vind de Startersdag in Almere plaats. Tijdens dit evenement kun jij je als starter laten informeren over verschillende onderwerpen. Ook wij zijn aanwezig en gaan graag met je in gesprek over alle juridische zaken die jij als starter geregeld moet hebben. Lees meer >>


Toekenning smartengeld na letsel als gevolg van onzorgvuldige behandeling met antibiotica

13-02-2018
Een vrouw bezoekt in verband met plotselinge pijn in haar rug het ziekenhuis. Na onderzoek luidt de conclusie dat zij een bacteriële infectie van een tussenwervelschijf had opgelopen. Zij wordt behandeld met breedspectrum antibiotica, waaronder het middel Gentamicine. De behandeling duurt 6 weken. Aansluitend krijgt de vrouw toenemende last van loopstoornissen, duizelingen, moeheid, rugklachten, hartkloppingen en algehele malaise. Een later onderzoek duidt op Gentamicine ototoxiciteit (vergiftiging van het binnenoor als gevolg van chemische producten), waarvan de schade onomkeerbaar kan zijn. Daarop stelt de vrouw het ziekenhuis aansprakelijk. Kort daarna erkent de beroepsaansprakelijkheid verzekeraar (Medirisk) van het ziekenhuis aansprakelijkheid voor het feit dat onvoldoende rekening is gehouden met de bijwerkingen van Gentamicine. De vrouw ervaart bijzonder veel ongemak van de gevolgen van de behandeling. Zo valt zij regelmatig, onder andere viel zij van de trap waarbij nek, borstkas en pols braken. De vrouw is haar zelfstandigheid kwijt, kan het huishouden niet meer doen, heeft continue zorg en ondersteuning nodig en haar sociale leven is radicaal veranderd. De behandelduur met Gentamicine dient zo kort mogelijk te worden gehouden (7 tot 10 dagen) en niet zes weken. Abusievelijk is bij de vrouw de spiegel van het medicijn niet meermaals gemeten. Bij zorgvuldig handelen zou de kans op evenwichtsstoornissen klein zijn geweest.

In de onderhavige deelgeschilprocedure vordert de vrouw voor recht te verklaren dat haar een bedrag van € 100.000,‐ aan smartengeld toekomt. Zij stelt daartoe dat haar leven, maar ook het leven van haar partner en minderjarige kind, als gevolg van de beroepsfout ingrijpend is veranderd. Medirisk stelt vraagtekens bij de mate van arbeidsongeschiktheid en stelt enige mate van eigen schuld als gevolg van alcoholgebruik (bij de val van de trap). De rechtbank overweegt dat de deelgeschilprocedure is bedoeld ter vereenvoudiging en versnelling van de buitengerechtelijke afhandeling van letsel‐ en overlijdensschade. De te geven beslissing dient bij te dragen aan het tot stand komen van een vaststellingsovereenkomst, zo nodig om een mogelijke impasse te doorbreken. Er is slechts verzocht om de omvang van de smartengeldvergoeding vast te stellen. Deze kan ook worden vastgesteld als tussen partijen nog geen overeenstemming bestaat over de omvang van de beroepsfout. Smartengeld is een naar billijkheid vast te stellen vergoeding voor het niet in vermogensschade bestaande nadeel dat is geleden als gevolg van een gebeurtenis (beroepsfout), waarbij lichamelijk letsel is opgelopen. Rekening moet worden gehouden met de omstandigheden van het geval, waaronder aard, ernst en duur van het letsel, pijn, intensiteit van het verdriet en de gederfde levensvreugde en de gevolgen daarvan voor de betrokkene. De rechter betrekt in zijn oordeel de zwaarte van het voorgaande door deze af te leiden uit min of meer objectieve factoren, de ernst van het te maken verwijt, aard van de aansprakelijkheid en dient daarbij te letten op in vergelijkbare gevallen uitgekeerde schadevergoeding. De Rechtbank neemt in het oordeel mee dat de vrouw met enige regelmaat is gevallen, met botbreuken tot gevolg. Het drinken van enige glazen wijn voorafgaand aan de val van de trap is daarbij niet maatgevend (voor eigen schuld). De Rechtbank sluit aan bij een in de Smartengeldgids opgenomen uitspraak over bijwerking van medicijnen met onomkeerbare schade tot gevolg en kent na weging van de omstandigheden een bedrag toe van € 65.000,‐ en begroot de kosten van de procedure (redelijke en reëel gemaakte kosten) conform opgave op € 6.655,‐

mr. Robert Lonis


#Me Too in de rechtszaal

01-02-2018
Hof oordeelt handelen budgetcoach grensoverschrijdend en maatschappelijk onbetamelijk en daarmee onrechtmatig.

Een vrouw benadert een budgetcoach om haar op financieel vlak te begeleiden. Na eerdere gesprekken vindt op enig moment een bespreking plaats in het huis van de vrouw. Zij wordt daarbij emotioneel. De man troost haar. Uit zijn nadien afgelegde verklaringen volgt dat de vrouw daarbij bij hem op schoot zat, haar hoofd tegen zijn schouder legde en hij een arm om haar middel had geslagen. Na het gesprek vindt Sms‐verkeer plaats, de vrouw zet de samenwerking stop. De man bericht dat hetgeen is voorgevallen niet goed was en vraagt om ‘het probleem onder ons te houden’. Kort daarop stelt de vrouw de budgetcoach aansprakelijk wegens onzedelijk betasten en aanranding. Zij vordert € 1.100,‐ aan smartengeld en enkele bedragen wegens kosten van juridische bijstand en andere kosten. Er volgt een voorlopig getuigenverhoor. De officier van justitie seponeert de zaak wegens gebrek aan bewijs, waarop een artikel 12 Strafvordering procedure volgt. Het Hof wijst het beklag van de vrouw af omdat onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig is van aanranding in strafrechtelijke zin om vervolging te bevelen. De vrouw
vordert bij de kantonrechter vergoeding van de gestelde schade (inmiddels in totaal € 1.623,‐ & PM), de budgetcoach vordert in reconventie schade wegens aantasting van zijn goede naam.

In rechte (eerste aanleg) oordeelt de kantonrechter dat niet vast staat dat sprake is geweest van seksueel grensoverschrijdend gedrag van de budgetcoach. In het oordeel betrekt de kantonrechter voorts de vraag of – fysiek contact tussen partijen staat namelijk wel vast – er misbruik is geweest van het in de budgetcoach gestelde vertrouwen, dan wel van grensoverschrijdend gedrag en daarmee onrechtmatig handelen. Tot uitgangspunt dient wat van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht. Of van overschrijdend gedrag dan wel misbruik sprake was, kan naar het oordeel van de kantonrechter in het midden blijven omdat niet voldoende vast staat dat tussen het handelen en de gestelde schade voldoende causaal verband bestaat. De kantonrechter wijst zowel in conventie als in reconventie de vorderingen af. In hoger beroep oordeelt het Hof alleen partijen uit eigen wetenschap kunnen verklaren over het voorval. Hun lezingen lopen uiteen. De budgetcoach erkent (beschikking Hof artikel 12 procedure) dat er contact is geweest dat niet past binnen de zakelijke relatie, maar betwist dat er feitelijkheden plaatsvonden die in strafrechtelijke zin als aanranding kunnen worden geduid. Het Hof oordeelt dat niet kan worden vastgesteld wat zich exact heeft afgespeeld, maar uit de Sms‐berichten vloeit voort dat door de vrouw het voorval als diepgaander werd ervaren dan louter troosten. Het Hof deelt het standpunt van de vrouw dat dergelijk handelen als grensoverschrijdend en maatschappelijk onbetamelijk en daarmee als onrechtmatig moet worden bestempeld. Ook als het voorval beperkt bleef tot hetgeen de budgetcoach verklaarde, overschreed hij de grens van het zakelijk contact waartoe een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot zich had moeten beperken. Dat geldt temeer nu de vrouw in een geëmotioneerde toestand verkeerde en het daarmee bij uitstek aan hem was om de grenzen van het contact te bewaren. Het Hof oordeelt dat, nu de vrouw het voorval als een inbreuk op haar persoon ervaart, enige vergoeding van immateriële schade gepast is. Het hof kent de vrouw € 250,‐ aan immateriële schade toe alsmede kosten (griffiegeld, taxe getuige en advocaatkosten).

mr. Robert Lonis


Uniek theater spektakel bij Vis a Vis Almere

01-02-2018
Donderdag 1 februari jl. hebben wij samen met onze relaties genoten van de spectaculaire theater- en dinerbelevenis ANTARTICA van theatergezelschap Vis à Vis te Almere.



Tien bedrijfskringen en VNO-NCW Flevoland ondertekenen manifest Lelystad Airport moet door

31-01-2018
Op dinsdag 30 januari jl. ondertekenden een tiental bedrijfskringen uit Flevoland en de Veluwezoom en VNO-NCW Flevoland een manifest voor spoedige opening van Lelystad Airport, op initiatief van de Stichting Lelystad Airport Moet Door.

Onder leiding van stichtingsvoorzitter Cees Okkerse werden voorafgaand daaraan bestuursleden van deze bedrijfskringen bijgepraat over de achtergronden en ontwikkelingen, waarbij feiten en fictie van elkaar werden onderscheiden door Hanne Buis, directeur Lelystad Airport, Jurgen van Avermaete, General Manager Procedures LVNL en Jop Fackeldey, Wethouder Economische Zaken van de Gemeente Lelystad.

Klik hier om het ondertekende manifest te bekijken.
Meer informatie staat op www.lelystadairportmoetdoor.nu



Foto: Fotostudio Wierd


Inloopspreekuren over Privacy wetgeving druk bezocht

31-01-2018
De inloopspreekuren die wij op maandag 29 januari jl. organiseerden ter ere van de Europese dag van de Privacy op zondag 28 januari zijn druk bezocht.

Tijdens de spreekuren gingen onze privacy specialisten met ondernemers in gesprek over de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) die op 25 mei 2018 van kracht wordt, welke verplichtingen dit met zich meebrengt, of zij een functionaris voor gegevensbescherming moeten  aanstellen en wat zij moeten doen in geval van een datalek.

De spreekuren werden zowel in Lelystad als Almere gehouden.



Kort Geding; geen concessies en geen alleenrecht voor pionierende exploitanten van snellaadstations langs rijkswegen

31-01-2018

In 2004 stelde de Minister het voorzieningenbeleid op verzorgingsplaatsen langs rijkswegen vast. Destijds voorzag men niet dat elektrisch en hybride rijden exponentieel zou toenemen. In 2012 verzocht de staat exploitanten van benzinestations en wegrestaurants op deze verzorgingsplaatsen om als aanvullende voorziening elektrische laadpalen te realiseren. Hoewel de Staat deze energielaadpunten door middel van een beleidswijziging als (zelfstandige) standaardvoorziening op verzorgingsplaatsen opnam, hebben de exploitanten van andere voorzieningen niet of nauwelijks energielaadpunten ontwikkeld. Fastned en Mistergreen hebben beide, na een verdelingsprocedure, voor meerdere verzorgingsplaatsen publiekrechtelijke vergunningen verkregen en privaatrechtelijke overeenkomsten met de Staat gesloten. Vervolgens hebben zij energielaadpunten gerealiseerd. De exploitanten van benzinestations hebben niet deelgenomen aan de verdelingsprocedure. Recent hebben benzinestationhouders aangekondigd ook snellaadstations, ook op locaties waar al een dergelijke voorziening van Fastned of Mistergreen aanwezig is, als basisvoorziening te willen aanleggen en daartoe de nodige stappen ondernomen. De Staat wenst daaraan mee te werken. Fastned c.s. vorderen een verbod aan de Staat om medewerking te verlenen. Zij stellen dat de Staat hen concessies voor de duur van 15 jaar heeft verleend. De duur van een concessie wordt zodanig gesteld, zij verwijzen naar de Europese richtlijn ter zake, dat de concessiehouder onder normale exploitatieomstandigheden in staat is om zijn investeringen terug te verdienen. De verleende concessie is te beschouwen als eigendom in de zin van artikel 1 Eerste Protocol EVRM. De Staat handelt volgens Fastned c.s. voorts onrechtmatig en in strijd met diverse algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

De Voorzieningenrechter overweegt dat Fastned c.s. niet hebben aangetoond dat aan hen een concessie is verleend. Dit volgt niet uit de verleende publiekrechtelijke vergunningen, noch uit de privaatrechtelijke overeenkomsten. Evenmin blijkt dat door de Staat is beoogd een exclusief recht te verlenen voor de exploitatie van laadpalen. Het huurrecht brengt ook niet met zich dat de Staat eisers moet vrijwaren van concurrentie. Fastned c.s. hebben dan ook geen exclusief recht op exploitatie van laadpalen gekregen en zij mochten er ook niet op vertrouwen dat exploitatie van deze (basis)voorzieningen door benzinestationhouders niet meer zou zijn toegestaan. Het tegendeel volgt juist uit de toelichting op het ter zake geformuleerde beleid. Nu er geen sprake is van concessies, is de Europese richtlijn niet van toepassing en faalt ook het beroep op bescherming van eigendom via het EVRM. De voorgenomen toestemming van de Staat betekent toepassing van bestaand beleid en levert geen aantasting van enig recht van Fastned c.s. op. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel faalt. Er verwezenlijkt zich een bedrijfsrisico, namelijk toenemende concurrentie, het evenredigheidsbeginsel strekt niet zover dat de Staat gehouden is dit te voorkomen. Van schending van het  zorgvuldigheidsbeginsel, afweging van de betrokken belangen, is evenmin sprake. Voorts oordeelt de Voorzieningenrechter dat er geen sprake is van gelijke gevallen. Van schending van het gelijkheidsbeginsel is daarom ook geen sprake. De Staat is niet gehouden om een level playing field te creëren. De weigering van de Staat om (meer) aanvullende voorzieningen bij de exploitatie van verzorgingsplaatsen toe te staan berust op privaatrechtelijke afspraken die eerder werden gemaakt. Dat Fastned c.s. nadien de markt voor energielaadpunten betraden, kan aan de Staat niet worden tegengeworpen. De vorderingen van Fastned c.s. worden afgewezen, met veroordeling van Fastned c.s. in de kosten van het geding.

mr. Robert Lonis


Okkerse & Schop Advocaten heeft 2 nieuwe advocaten

26-01-2018
Vanaf vandaag hebben wij er twee nieuwe advocaten bij! Daar zijn we erg blij mee.

Mr. Cathy Brocklebank en mr. Mariska Zentveldt zijn vanmiddag officieel beëdigd bij de rechtbank Midden-Nederland.
Cathy zal zich vanuit onze vestiging te Lelystad in het bijzonder bezighouden met het privacy recht en de ondernemingsrecht praktijk. Mariska is te vinden op ons kantoor in Almere en is werkzaam in het insolventie- en ondernemingsrecht.

Door hun komst kunnen we onze klanten nog sneller van dienst zijn.


De Uitvoeringswet Algemene Verordening Gegevensbescherming (UAVG)

26-01-2018
De Uitvoeringswet Algemene Verordening Gegevensbescherming (UAVG). Wat staat er in?
De UAVG, die uitvoering geeft aan de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG), is op 13 december 2017 bij de Tweede Kamer ingediend als wetsvoorstel. De UAVG zal, net als de AVG, in werking moeten treden op 25 mei 2018. De huidige Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) zal dan worden ingetrokken.

Toepassingsgebied
In de UAVG is gekozen voor een ruim toepassingsgebied. De uitvoeringswet is van toepassing indien de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker is gevestigd in Nederland. Daarnaast is de UAVG ook van toepassing indien organisaties in Nederland diensten en goederen aanbieden of indien er gedrag van betrokkene(n) wordt gemonitord en dit gedrag in NL plaatsvindt.
Het zou goed kunnen dat in geval van grensoverschrijdende verwerkingen, er twee verschillende uitvoeringswetten van toepassing zijn. Indien een organisatie in een andere lidstaat is gevestigd, maar in Nederland goederen of diensten aanbiedt, dan zou de uitvoeringswet van het land waar de organisatie gevestigd is bijvoorbeeld ook van toepassing kunnen zijn.

Biometrische gegevens
Biometrische gegevens worden in AVG gedefinieerd als “persoonsgegevens die het resultaat zijn van een specifieke technische verwerking met betrekking tot de fysieke, fysiologische of gedrag gerelateerde kenmerken van een natuurlijke persoon op grond waarvan eenduidige identificatie van die natuurlijke persoon mogelijk is of wordt bevestigd, zoals gezichtsafbeeldingen of vingerafdrukken.” De AVG verbiedt in beginsel de verwerking van biometrische gegevens. In de UAVG is een uitzondering op dit verbod opgenomen. De verwerking van biometrische gegevens is conform die uitzondering toegestaan, indien de verwerking plaatsvindt voor authenticatie of beveiligingsdoeleinden.

Schorsende werking boete
De UAVG kent schorsende werking toe aan het beroep dat kan worden ingesteld tegen het boetebesluit dat kan worden opgelegd door de Autoriteit Persoonsgegevens. Dit betekent dat de opgelegde boete niet betaald hoeft te worden, totdat er is beslist op het ingestelde beroep.
Tot op heden is er nog geen boete opgelegd door de Autoriteit Persoonsgegevens. Het is te verwachten dat er – zodra de Autoriteit Persoonsgegevens wel gebruik gaat maken van de boetebevoegdheid – veel geprocedeerd zal worden over de rechtmatigheid en de hoogte van de boete. Dat het beroep de werking van het boetebesluit opschort, zal er naar verwachting aan bijdragen dat organisaties het boetebesluit van de Autoriteit Persoonsgegevens willen aanvechten.

Wat staat er niet in?
Met het opstellen van de UAVG had de wetgever de kans om duidelijkheid te verschaffen over de vraag wanneer er een Functionaris Gegevensbescherming (FG) aangesteld dient te worden. De AVG schrijft voor dat er o.a. een FG aangesteld dient te worden indien er op grote schaal persoonsgegevens worden verwerkt door een organisatie of indien er persoonsgegevens worden verwerkt door een overheidsorgaan. Beide criteria roepen vragen op. Wanneer is er bijvoorbeeld sprake van verwerking van persoonsgegevens op grote schaal en welke organisaties dienen aangemerkt te worden als overheidsorganen? Zijn dat bijvoorbeeld alleen de A-organen of ook de B-organen? Helaas heeft de wetgever er niet voor gekozen om in de UAVG duidelijkheid te verschaffen op dit punt.

Vragen
Heeft u vragen over de UAVG of de AVG, en wat deze privacywetgeving voor uw organisatie betekent? Neem dan contact op met ons kantoor via 0320-289888 of advocaten@okkerse-schop.nl
mw. mr. S. Kleerebezem


Feestelijke start Almeerse Uitdaging

25-01-2018
Zaterdag 20 januari jl. is de Almeerse Uitdaging feestelijk van start gegaan in de Nieuwe Bibliotheek in Almere. Samen met wethouder Froukje de Jonge en Minister van Financiën Wopke Hoekstra gaf Monique van de Wakker, voorzitter Almeerse Uitdaging, het startsein voor de goede doelen marktplaats. Om de lancering te vieren bood Vis à Vis 400 entreekaarten inclusief diner (gerealiseerd door Voiceworks) voor hun voorstellingen aan.



Foto van links naar rechts
Wopke Hoekstra - Minister van Financiën, Froukje de Jonge – wethouder, Stijn Nijhuis - Voiceworks, Marianne Seine –Vis à Vis, Salah Assalhi - MTH accountants & adviseurs, Monique van de Wakker – Rabobank, Tom Mulder – Okkerse & Schop Advocaten

Almeerse uitdaging
De Almeerse Uitdaging is een bedrijvennetwerk dat zorgt voor een samenwerking tussen maatschappelijke organisaties, burgerinitiatieven en het lokale bedrijfsleven. Zij bemiddelen in vraag en aanbod van Materialen (meubels, spullen), Menskracht (kennis, extra handen, creativiteit) en Middelen (geld). Daarmee stimuleren zij bedrijven om maatschappelijk betrokken ondernemerschap te tonen in concrete acties en daarmee de leefbaarheid in de lokale samenleving te ondersteunen.



Bent u al privacy proof? Laat u op maandag 29 januari a.s. vrijblijvend adviseren!

24-01-2018

Bent u al privacy proof?
Laat u op maandag 29 januari a.s. vrijblijvend adviseren!


Zondag 28 januari 2018 is het de Europese dag van de Privacy.
Ter ere van deze dag informeren wij u op maandag 29 januari a.s. over de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) tijdens de gratis inloopspreekuururen op onze vestigingen in Lelystad en Almere.

De AVG wordt van kracht op 25 mei 2018 en brengt met zich mee dat uw organisatie, in vergelijking met de huidige wetgeving, aan nog strengere eisen moet voldoen. Tijdens onze spreekuren onderzoekt u samen met onze specialisten of de AVG op uw bedrijf van toepassing is, welke verplichtingen dit met zich meebrengt, of u een functionaris voor gegevensbescherming moet aanstellen en wat u moet doen in geval van een datalek. De belangrijkste veranderingen hebben wij voor u op een rijtje gezet in deze factsheet.

Inloopspreekuren
Wilt u graag met één van onze specialisten in gesprek? Kom dan naar een de inloopspreekuren:

Datum                       maandag 29 januari 2018
Locatie Lelystad      09.30 - 11.30 uur
Locatie Almere        13.00 - 15.00 uur


Bestuurder mag geen volmacht geven aan een derde om de bestuurstaak uit te voeren

22-01-2018
Uitspraak voorzieningenrechter Rechtbank Gelderland 19 april 2017.

De Voorzieningenrechter van de Rechtbank Gelderland heeft in de uitspraak van 19 april 2017 (ECLI:NL:RBGEL:2017:3273) geoordeeld dat een bestuurder de bestuurslast die de algemene vergadering hem daartoe heeft gegeven, niet buiten de algemene vergadering om aan een ander kan worden overgedragen. Indien een bestuurder toch zo’n ongeoorloofde volmacht afgeeft, handelt deze tegenover de overige bestuurders in strijd met de redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 BW en tegenover andere betrokkenen onrechtmatig.

In de betreffende uitspraak heeft de Voorzieningenrechter geoordeeld over het bestuur dat door twee verschillende bestuurders werd gevoerd over een besloten vennootschap (hierna: de vennootschap). De aandelen van de vennootschap waren gelijkelijk verdeeld tussen de management B.V.’s van drie compagnons. Op een zeker moment overlijdt één van de drie compagnons, als gevolg waarvan zijn management B.V. failleert. De overige compagnons, tevens de twee bestuurders van de vennootschap, raken gebrouilleerd en één van beiden wordt ziek. De zieke bestuurder schakelt een bedrijvendokter in, kennelijk met als doel om de andere bestuurder de vennootschap uit te werken. De zieke bestuurder verstrekt de bedrijvendokter een vergaande machtiging, waarna deze ingrijpende (bestuurs)maatregelen neemt. Zo wordt bijvoorbeeld een onderneming van de bedrijvendokter bij de Kamer van Koophandel ingeschreven als zelfstandig bestuurder van de vennootschap, wordt het postadres bij de bank gewijzigd naar het adres van de bedrijvendokter en worden ook de communicatiegegevens van de vennootschap gewijzigd naar zijn gegevens.

De Voorzieningenrechter oordeelde in de procedure die vervolgens werd gevoerd tussen de bestuurders van de vennootschap dat de zieke bestuurder zijn bestuurstaken niet krachtens volmacht aan de bedrijvendokter mocht overlaten. Het feit dat de bestuurder ziek was deed hier niets aan af omdat uit de statuten van de vennootschap volgde dat het niet aan de zieke bestuurder zelf is om voor vervanging te zorgen.

Mocht u meer willen weten over de mogelijkheden om bestuurstaken op rechtsgeldige wijze over te dragen, neem dan contact op met onze sectie.

Mr. Sanne Kleerebezem


''Voldoende mate van waarschijnlijkheid' genoeg om causaal verband aan te nemen bij gebrek aan enige alternatieve oorzaak

15-01-2018
Een medewerker van Landbouwmechanisatiebedrijf Schipper verricht onderhoudswerkzaamheden in opdracht van verzekerde maatschap Scholten. Partijen doen al langdurig zaken met elkaar. Scholten is verzekerd bij Delta Lloyd, Schipper bij ASR. Voor de werkzaamheden slijpt en braamt de werknemer met een slijptol een stuk buis af op de werkbank achter in zijn bus. De bus staat evenwijdig aan een kapschuur geparkeerd op een aantal meters afstand van een hakselaar. Voor de hakselaar staat een strobaal. Bij het slijpen met een slijptol schieten partikels die vrijkomen weg, doorgaans bij het slijpen naar achteren (lengterichting voertuig), bij het afbramen gebeurt dat zijwaarts. De werknemer constateert, nadat hij de buis tevergeefs heeft geprobeerd toe te passen, korte tijd later dat de strobaal in brand staat. De brand slaat over naar de kapschuur van Scholten. Er ontstaat schade, tot een bedrag van € 78.870,46, althans dat bedrag betaalt Delta Lloyd uit. Vervolgens stelt de verzekeraar werkgever Schipper aansprakelijk en vordert op basis van dagwaarde een bedrag van € 66.523,46. Zij stelt dat de brand is ontstaan door
slijpwerkzaamheden van de werknemer in de nabijheid van een strobunker. Op grond van artikel 7:962 BW subrogeert Delta Lloyd in de rechten van haar verzekerde. Op grond van de Bedrijfsregeling Brandregres 2000 is verhaal mogelijk bij onzorgvuldig handelen.

ASR voert verweer. Het causaal verband tussen het ontstaan van de brand en de werkzaamheden is niet aangetoond, althans de werkzaamheden zijn niet onzorgvuldig verricht. Ook is niet vast komen te staan wat exact de schade is en of het noodzakelijk was om het gehele (asbesthoudende) dak van de kapschuur te vervangen. Het verweer van ASR gebaseerd op verjaring enerzijds en op grond van toepasselijkheid van Metaalunievoorwaarden anderzijds passeert de Rechtbank. De verjaring weerlegt Delta Lloyd eenvoudig, de toepasselijkheid van de voorwaarden toont ASR niet afdoende aan. De werknemer verklaarde aan de toedrachtonderzoeker omtrent de plaatsing van zijn bus en de door hem uitgevoerde handelingen met de slijptol. Ook verklaarde hij dat er geen andere personen aanwezig waren, dat er niet is gerookt en dat hij bekend was met de (hete) partikels die bij slijpen vrijkomen en wegschieten, maar dat hij geen moment had gedacht aan de strobaal. De Rechtbank overweegt dat, hoewel de werknemer niet verklaarde dat hij had gezien dat partikels in de strobaal zijn gekomen, dit onverlet laat dat de oorzaak van de
brand ook met een voldoende mate van waarschijnlijkheid kan worden aangetoond als vaststaat dat zich geen enkele andere alternatieve oorzaak heeft gerealiseerd. Het is een feit van algemene bekendheid dat partikels door het slijpen een hoge temperatuur hebben. Verder volgt uit de verklaring dat de werknemer niet afdoende heeft gecontroleerd of er zich brandbare materialen in de omgeving bevonden. Onder de omstandigheden van het geval komt de Rechtbank tot het oordeel dat er
sprake was van onzorgvuldig handelen. Als werkgever is Schipper voor de gevolgen van dat handelen aansprakelijk. De rechtbank oordeelt – gelet op de gemotiveerde betwisting door ASR ‐ dat niet valt in te zien waarom aanspraak wordt gemaakt op schadevergoeding op basis van nieuwwaarde. Ook het verweer dat rekening moet worden gehouden met verrekening van nieuw voor oud, te weten het aanbrengen van een asbestvrij dak, komt de Rechtbank juist voor. Er kan (nog) geen uitspraak
worden gedaan over de omvang van de schade. De Rechtbank gelast daarom een deskundigenonderzoek. Gelet op de kosten geeft de Rechtbank partijen in overweging de kwestie onderling te regelen.

Mr. Robert Lonis


Dispuut na aandelentransactie en bankgarantie met abstract karakter; notaris klem tussen partijen en aansprakelijk voor schade

11-01-2018
Na het overlijden van de directeur van een vennootschap besluit de echtgenote om de aandelen van een dochtervennootschap te verkopen. ICT dienstverlener DEG koopt de aandelen, waarbij betaling in termijnen wordt overeengekomen. In de koopovereenkomst bepalen partijen dat koper voor de verschuldigde termijnen onvoorwaardelijke bankgaranties stelt. Indien zich schade in de zin van de overeenkomst voordoet, verplicht de notaris zich om niet betwiste bedragen over te maken. Ingeval van betwisting reserveert hij dat bedrag, een geschillencommissie zal over de bestemming van het betwiste bedrag oordelen. De eerste termijn bedraagt € 300.000,‐, de tweede € 50.000,‐ in maandelijkse bedragen van € 2.000,‐. Voor de 3 en 4 termijn, ieder groot € 87.500,‐, stelt DEG tijdig een bankgarantie. Bij notariële akte levert de vrouw de aandelen aan DEG. Vervolgens laat DEG na de maandelijkse termijnbedragen te voldoen, evenmin stort DEG conform overeenkomst de 3 en 4 termijn op de kwaliteitsrekening van de notaris. DEG stelt schade te leiden en beroept zich op opschorting. De vrouw verzoekt de notaris om, conform overeenkomst, de bankgaranties in te roepen. DEG legt conservatoir beslag, zowel onder de notaris als de bank, met betrekking tot termijn drie en vier. De notaris stelt dat hij niet kan beoordelen wie gelijk heeft, dat dient een rechter volgens hem vast te stellen. De bankgaranties roept hij niet in. De vrouw stelt de notaris aansprakelijk. Nadat DEG failleert spreekt de vrouw de notaris in rechte aan.

De Rechtbank oordeelt dat er sprake is van onvoorwaardelijke bankgaranties met een abstract karakter. Kern van het geschil tussen partijen ziet op de term verzuim in verband met de bankgarantie. Ziet dit slechts op de betalingsverplichting of dient daarbij, zoals de notaris stelt, het beroep op opschorting te worden betrokken? De Rechtbank overweegt dat de notaris van partijen opdracht heeft gekregen (en aanvaard) om zijn derdenrekening ter beschikking te stellen voor de ontvangst van gelden. Indien partijen verschillend verklaren omtrent schade, dient de notaris het betwiste bedrag te reserveren, totdat de geschillencommissie daarover een oordeel geeft. De opdracht aan de notaris hield in dat bij niet tijdige betaling van een termijn hij de bankgarantie zou inroepen. Of de notaris aan de bank mededeling van verzuim kon doen, hangt af van de tekst van de bankgarantie én de verstrekte opdracht. Uit de tussen partijen gevoerde correspondentie vloeit voort dat er een geschil bestond over de betalingsverplichting. De aan de notaris opgedragen bewaarfunctie zou zinledig zijn indien ingeval van een geschil niet op hem de verplichting zou rusten om de bankgarantie in te roepen. De rol van de notaris is beperkt tot de bewaarfunctie, alleen de geschillencommissie is bevoegd om bij betwisting de omvang van de betalingsverplichting te beoordelen. Door na te laten de bankgaranties tijdig in te roepen/te herroepen schiet de notaris toerekenbaar tekort in de nakoming van de aan hem gegeven opdracht. Argumenten ter zake rechtsverwerking, schadebeperkingsverplichting en eigen schuld aan de zijde van de vrouw verwerpt de Rechtbank. Na een civiele rechtsgang (niet‐ontvankelijk), tegenwerking door DEG en uiteindelijk de beoordeling door de geschillencommissie – met als eindoordeel dat DEG € 381.587,‐ aan de vrouw dient te betalen – komt de aansprakelijk gestelde notaris een beroep daarop niet toe. De schade begroot de Rechtbank op 2x € 87.500,‐ aan niet ingeroepen bankgaranties en buitengerechtelijke kosten gelijk aan twee punten van het liquidatietarief (rapport Voor‐werk II). Dat de notaris er voor koos de kwestie niet (tijdig) bij zijn aansprakelijkheidsverzekeraar aan te melden blijft voor zijn eigen risico.

Mr. Robert Lonis


Kantonrechter oordeelt; traject schadevaststelling door expert én fraudeonderzoek tegenstrijdig, vertrouwen in verkrijgen schade‐uitkering gewekt

09-01-2018
Een verzekerde verzekert zich bij Achmea Schadeverzekeringen N.V. onder andere tegen schade aan zijn inboedel als gevolg van brand. Op de verzekering zijn algemene voorwaarden van toepassing. Deze bepalen dat dekking ontbreekt indien bij schade een onvolledige of onware opgave wordt gedaan. Er breekt brand uit en verzekerde claimt zijn schade. De schadeomvang stelt men vast door aanwijzing van experts. Komen deze onderling niet tot overeenstemming, dan stelt volgens de algemene voorwaarden een derde expert de schade bindend vast. De door de verzekeraar ingeschakelde expert begroot de schade op € 10.581,49. De contra‐expert van verzekerde op € 21.180,62. De vervolgens ingeschakelde derde expert stelt de schade op € 12.492,‐. Verzekerde claimt onder meer vergoeding van een wasmachine en een achttal matrassen. Achmea bericht verzekerde de schade niet te zullen vergoeden omdat verzekerde haar, in strijd met de algemene voorwaarden en artikel 7:941 BW, opzettelijk heeft misleid. Zo wijkt het jaartal van productie van de wasmachine af en blijkt niet van het afvoeren van (drie) matrassen uit de lijsten van een na de brand ingeschakeld (afvoer) bedrijf. Achmea maakt aanspraak op vergoeding van kosten en een betaald voorschot. Verzekerde  vordert voldoening van zijn schade tot een bedrag van € 22.435,50 en rente, met verrekening van het betaalde voorschot, en verwijdering van zijn gegevens uit het centraal informatiesysteem van Stichting CIS.

De algemene voorwaarde waar Achmea zich op beroept wijkt – niettegenstaande het bepaalde in artikel 7:943 lid 2 BW – af van artikel 7:941 lid 5 BW. Verzekerde riep echter niet de vernietiging op die grond in. De kantonrechter overweegt dat het beroep van verzekerde op de Europese Richtlijn 93/13/EEG slaagt en stelt vast dat het beding leidt tot een aanmerkelijke verstoring van het evenwicht tussen partijen. Het beding is daarom oneerlijk en dient om die reden buiten toepassing te blijven. Beoordeelt dient te worden of op grond van het BW en niet op grond van de algemene voorwaarden alle aanspraken op vergoeding van de brandschade zijn vervallen. De kantonrechter overweegt dat Achmea bij de vaststelling van de inboedelschade twee trajecten heeft bewandeld. Enerzijds onderzoek naar opzettelijke misleiding door verzekerde en anderzijds (uiteindelijk bindende) vaststelling van het schadebedrag door de inzet van experts. De kantonrechter oordeelt deze twee trajecten tegenstrijdig en stelt dat verzekerde – gelet op de inschakeling van experts – er op mocht vertrouwen dat een voor partijen bindende  chadevaststelling zou worden opgemaakt, welke Achmea zou uitkeren. Bij de beoordeling van deze zaak komt de kantonrechter daarom niet toe aan de vraag of sprake is van opzet tot misleiden door verzekerde. De schadeopstelling van de eigen expert van Achmea komt overeen met het standpunt van de verzekeraar dat er sprake was van een (oudere) wasmachine en gaat uit van vergoeding van twee matrassen. Als er al onjuiste verklaringen door verzekerde zouden zijn afgelegd, volgt daaruit niet per definitie opzet tot misleiding. Evenmin heeft dit geleid tot een te hoge uitkering. De kantonrechter onderschrijft het belang van verzekeraars om fraude tegen te gaan, onder omstandigheden dient dit te leiden tot gehele afwijzing van een schadeclaim. Achmea liet echter na in deze zaak voldoende te onderbouwen dat er sprake was van opzet tot misleiden door verzekerde en aldus fraude. Het door de derde‐expert vastgestelde schadebedrag wijst de kantonrechter toe, alsook de kosten van het bedrijf welke Achmea met de uitkering van de opstalverzekering verrekende. Een post voor niet geretourneerde en gereinigde zaken wijst de kantonrechter wegens onvoldoende onderbouwing af. De gevorderde verwijdering (met dwangsom) van de gegevens van verzekerde uit het CIS wijst de kantonrechter eveneens toe.

Mr. Robert Lonis


Indexeringspercentage voor 2018 bekend: alimentatiebijdrages met 1,5% omhoog

27-12-2017
Elk jaar wordt het indexeringspercentage voor de alimentatieverplichtingen vastgesteld door de Minister van Justitie en bekendgemaakt in de Staatscourant. Hierdoor stijgt de alimentatie met de gemiddelde loonsverhogingen mee, zoals deze door het CBS zijn berekend. Zojuist is het percentage bekend geworden waarmee zowel de kinder- als de partneralimentatie (tenzij dit bij overeenkomst of uitspraak is uitgesloten) per 1 januari 2018 verhoogd worden, namelijk 1,5%.
Deze verhoging geldt voor alle vormen van alimentatie, ongeacht of deze door de rechter zijn vastgesteld of door partijen zelf zijn afgesproken.

Mocht u meer willen weten over indexeren, alimentatie of over andere personen- en familierecht gerelateerde onderwerpen, neem dan contact op met onze sectie.



Ruwaard van Putten; goodwill‐aanspraak van medisch specialisten als gevolg van faillissement niet te verhalen op mogelijk daarmee verrijkte doorstarter

22-12-2017
Jaren voor het faillissement van het Ruwaard van Putten ziekenhuis (RvP) sloten diverse vrijgevestigd medisch specialisten zogeheten toelatingsovereenkomsten, al dan niet in maatschapsverband, met het ziekenhuis. De toelatingsovereenkomst(en) van een aantal radiologen bevat bepalingen ter zake goodwill, in geval van praktijkoverdracht, ten aanzien van uit hoofde van in het ziekenhuis verrichte werkzaamheden. In de periode voorafgaand aan het faillissement spant (de directie van) het RvP zich in om samenwerking met andere regionale ziekenhuizen van de grond te krijgen, als zelfstandig ziekenhuis kon het RvP niet verder.  Uiteindelijk blijkt ook een toekomst als satellietziekenhuis niet mogelijk. Na een pre‐pack‐procedure, gericht op een doorstart van het ziekenhuis met een zo groot mogelijke opbrengst voor de crediteuren en beperking van de maatschappelijke schade, failleert het ziekenhuis op 24 juni 2013. Diezelfde dag realiseren de curatoren een doorstart met SMC, een samenwerkingsverband van drie ziekenhuizen (waarmee RvP eerder in gesprek was). SMC koopt de activa, bestaande uit inventaris, voorraad en immateriële activa voor een bedrag van € 6 miljoen. De immateriële activa, waaronder de (overige) goodwill, waardeert men op € 1,‐. SMC biedt aan een groot deel van het personeelsbestand dienstverbanden aan. Een aantal medisch specialisten ontvangt bericht dat van hun diensten geen gebruik (meer) zal worden gemaakt.

Twee van hen betrekken SMC en een aantal andere partijen (de medisch specialisten binnen SMC zijn gevrijwaard door SMC) in rechte en vorderen schadevergoeding tot bedragen van respectievelijk € 2.895.064,‐ enerzijds en € 2.273.030,‐ wegens pro‐se onrechtmatig handelen, althans het profiteren daarvan door SMC, van de curatoren enerzijds en SMC zelf anderzijds. Ook leggen zij ongerechtvaardigde verrijking aan hun vorderingen ten grondslag en vorderen zij voorts reputatieschade (€ 25.000,‐ per dag) en bereddingskosten en rente. De kern van hun standpunt is dat hun praktijk door SMC is toegeëigend, zonder een  goodwill)vergoeding te betalen. De Rechtbank oordeelt tot afwijzing van de ingestelde vorderingen, behalve die uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking, voor die vordering was de Rechtbank voornemens een deskundige te benoemen. Tussentijds appel werd toegestaan. Het Hof overweegt dat een direct causaal verband ontbreekt. De vermogensverschuiving (van de vrijgevestigde medisch specialisten naar SMC) voltrok zich via het faillissement van RvP. Een veronderstelde (indirecte) verrijking staat als zodanig niet in de weg aan toewijsbaarheid van een vordering uit art. 6:212 BW, een rechtsverhouding tussen de verrijkte (SMC) en een derde kan dit anders maken. In het onderhavige geval vindt de gestelde verrijking van SMC haar rechtvaardiging in de met de curatoren gesloten overeenkomst voor de doorstart, maar ook in de overeenkomsten die SMC sloot met zorgverzekeraars en met patiënten. Het faillissement van het RvP en de gevolgen daarvan voor de overeenkomsten – welke door de curatoren ex artikel 37 faillissementswet niet gestand werden gedaan ‐ met de vrijgevestigde specialisten komt in beginsel voor risico van deze laatsten. Zij gaan er overigens ook zelf van uit dat als er geen doorstart was geweest, zij dan geen vordering zouden hebben. Het Hof oordeelt dat de (veronderstelde) verrijking vanwege het faillissement scenario geacht moet worden een redelijke grond te hebben. Het Hof oordeelt voorts dat uit de voorgeschiedenis geen enkel aanknopingspunt is te vinden dat de doorstart en pre‐pack‐procedure als vooropgezet doel hadden om van de medisch specialisten af te komen en er ook overigens geen grondslag is te vinden om te komen tot het oordeel dat onrechtmatig zou zijn gehandeld. De specialisten hebben daartoe onvoldoende naar voren gebracht en bovendien niet voldaan aan de op hen rustende stelplicht. Het Hof wijst dan ook al de vorderingen af.

Mr. Robert Lonis, december


Uitspraak 1 december 2017 van de Hoge Raad over het elektronisch patiëntendossier

22-12-2017
De Hoge Raad heeft op 1 december 2017 geoordeeld dat het elektronisch patiëntendossier geen ontoelaatbare inbreuk op de privacy van patiënten met zich meebrengt omdat de verwerking van de persoonsgegevens berust op in vrijheid gegeven, voldoende specifieke toestemming van de betrokken patiënten. Hoewel ten aanzien van het elektronisch patiëntendossier is geoordeeld dat er sprake is van een rechtsgeldige toestemming, blijkt uit de uitspraak van 1 december 2017 ook dat de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) strenge eisen stelt aan de rechtsgeldige toestemming.

De Wbp reguleert op nationaal niveau de verwerking van persoonsgegevens. Op grond van die wet is het in beginsel verboden om bijzondere persoonsgegevens te verwerken. Bijzondere persoonsgegevens zijn onder meer gegevens betreffende iemands gezondheid. Omdat bij de gebruikmaking van het elektronisch patiëntendossier voornamelijk gegevens worden verwerkt betreffende iemands gezondheid, is die verwerking in beginsel niet toegestaan. De Wbp regelt echter een aantal uitzonderingen op het verbod om bijzondere persoonsgegevens te verwerken. Zo is het verbod niet van toepassing indien de verwerking geschiedt door hulpverleners, instellingen of voorzieningen voor gezondheidszorg of maatschappelijke dienstverlening voor zover dat met het oog op een goede behandeling of verzorging van de betrokkene, dan wel het beheer van de betreffende instelling of beroepspraktijk noodzakelijk is. Daarnaast geldt er bijvoorbeeld ook een uitzondering indien de verwerking geschiedt met uitdrukkelijke toestemming van de betrokkene.

De verwerking van de bijzonder persoonsgegevens bij gebruikmaking van het elektronisch patiëntendossier geschiedt op basis van de uitdrukkelijke toestemming van de betrokkene. De vraag die bij de procedure bij de Hoge Raad aan de orde was, is of die toestemming de verwerking van de bijzondere persoonsgegevens rechtvaardigt. De Hoge Raad heeft te dien aanzien overwogen dat bij iedere gegevensverwerking moet zijn voldaan aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Dit brengt met zich mee dat de inbreuk op de belangen van betrokkene niet onevenredig mag zijn in verhouding tot het met de verwerking te dienen doel, en dat dit doel in redelijkheid niet op een andere, voor de betrokkene minder nadelige, wijze kan worden verwerkelijkt. Ook als de gegevensverwerking in beginsel is toegestaan omdat er toestemming is gegeven voor de verwerking, blijft de eis gelden dat de verwerking in het concrete geval noodzakelijk moet zijn met het oog op het omschreven doel van de verwerking.

De toestemming van de patiënt ziet in het bijzonder op situaties van waarneming en noodgevallen, waarbij de eigen huisarts veelal niet beschikbaar is om de gegevens uit het medische dossier aan de andere behandelaar ter beschikking te stellen. Op voorhand is echter lastig te voorzien wanneer zich een waarneemsituatie zal voordoen en welke klachten deze zal betreffen. Het gebruik van de algemene professionele standaard acht de Hoge Raad gerechtvaardigd, gelet op het doel van de gegevensuitwisseling. Dat daarbij niet in elke situatie alle gegevens relevant zijn, is inherent aan het samenstellen van een algemene standaard. Daarbij acht de Hoge Raad relevant dat de patiënt het recht heeft om in overleg met de huisarts informatie uit te sluiten van opname in het elektronisch patiëntendossier. Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden is de Hoge Raad tot het oordeel gekomen dat er wordt voldaan aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.

De in de Wbp opgenomen eis dat toestemming specifiek gegeven dient te worden, brengt met zich mee dat de toestemming gericht op een bepaalde en/of gespecificeerde gegevensverwerking moet worden verleend. Een zeer brede en onbepaalde machtiging om gegevens te verwerken voldoet daar niet aan. Hoewel op het toestemmingsformulier voor het elektronisch patiëntendossier  uitsluitend “ja” of “nee” kan worden geselecteerd op de vraag of hij zijn gegevens beschikbaar wil stellen, meent de Hoge Raad dat er ook is voldaan aan dit vereiste. De toestemming wordt door de Hoge Raad als voldoende specifiek beschouwd omdat degene die de toestemming verleent, weet welke concrete gegevensset in welke situatie voor welk type zorgverleners inzichtelijk is. Wel geeft de Hoge Raad aan, dat er meer keuzevrijheid voor de patiënt moet worden doorgevoerd, zodra dit technisch uitvoerbaar is.

Hoewel de Hoge Raad in de uitspraak van 1 december 2017 concludeert dat er is voldaan aan de vereisten voor een rechtsgeldige toestemming, blijkt uit de uitspraak ook dat er strenge eisen worden gesteld aan de toestemming. De wilsuiting dient in vrijheid te zijn geuit, het moet voor de betrokkene duidelijk zijn waarvoor de toestemming wordt gegeven en een zeer brede en onbepaalde machtiging tot het verwerken van persoonsgegevens wordt niet als een rechtsgeldige toestemming aangemerkt. Daarnaast is van belang dat, ook als de gegevensverwerking in beginsel is toegestaan omdat er toestemming is gegeven voor de verwerking, moet worden getoetst of de verwerking in het concrete geval noodzakelijk is met het oog op het omschreven doel van de verwerking.

Als u er niet zeker van bent of de door u gevraagde toestemming rechtsgeldig is, dan is raadzaam om daarover juridisch advies in te winnen. Onze advocaten staan u graag bij.

mr. S. Kleerebezem



Cees Okkerse biedt een petitie aan voor opening Lelystad Airport in april 2019

19-12-2017
Als voorzitter van de initiatiefgroep Lelystad Airport moet door heeft Cees Okkerse vanmiddag een petitie overhandigd aan de Vaste commissie Infrastructuur en Waterstaat.

De petitie bestaat uit 1.000 stembiljetten van ondernemers en 10.000 handtekeningen van inwoners en bedrijven uit Flevoland die vóór de opening van het vliegveld in april 2019 zijn.

Met het aanbieden van de petitie willen de initiatiefnemers van Lelystad Airport moet door de Tweede Kamer een tegengeluid laten horen zodat de zwijgende meerderheid een stem krijgt.