Bestuurdersaansprakelijkheid bij faillissement: een harde les uit Breda
De Rechtbank Zeeland-West-Brabant[1] heeft op 14 mei 2025 een belangrijk vonnis gewezen over bestuurdersaansprakelijkheid in faillissement. Centraal stond de vraag of het bestuur van Maverick Valves Manufacturing HQ B.V. (HQ) in faillissement aansprakelijk kan worden gesteld voor het handelen van HQ.
De feiten in het kort
HQ werd in 2017 opgericht om de activiteiten van NVM Schiedam B.V. over te nemen. Vanaf het moment van oprichting was HQ verlieslatend en volledig afhankelijk van haar groepsmaatschappijen. In 2025 werden de machines van HQ naar het buitenland verplaatst en werden de voorraden aan de groepsmaatschappijen verkocht. De curator oordeelde dat deze gang van zaken zou moeten leiden tot de aansprakelijkheid van het bestuur krachtens artikel 2:248 BW.
De hoofdregel van bestuurdersaansprakelijkheid
Op grond van artikel 2:248 BW geldt als hoofdregel dat een bestuurder in geval van faillissement hoofdelijk aansprakelijk is voor het tekort van de boedel, indien hij zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en aannemelijk is dat dit een belangrijke oorzaak van het faillissement is. De curator kan deze vordering instellen over de periode van drie jaar voorafgaand aan het faillissement.
Het oordeel van de rechtbank
In kwestie oordeelde de rechtbank dat het bestuur van HQ bewust een risicovolle structuur in stand hield en verlieslatende activiteiten voortzette zonder externe financiering of het treffen van maatregelen ter bescherming van de crediteuren. Door de verplaatsing van machines en de verkoop van voorraden, bleef er uiteindelijk voor de crediteuren niets over. Volgens de rechtbank waren de risico’s voor het bestuur en is het faillissement een direct gevolg van kennelijk onbehoorlijk bestuur.
Het bestuur voerde verweer en gaf aan dat er externe factoren waren die het faillissement hebben veroorzaakt. De rechtbank ging hier niet in mee en oordeelde dat het bestuur de continuïteit van de vennootschap moet bewaken en het crediteurenbelangen dient te respecteren. De consequenties voor het bestuur zijn fors: hoofdelijk aansprakelijkheid voor het volledige boedeltekort. De bestuurders hebben na vonnis een voorschot ter hoogte van € 2 miljoen aan de boedel moeten betalen.
Ondernemers opgelet!
Deze uitspraak onderstreept dat het voortzetten van verlieslatende activiteiten zonder reële kans op herstel en zonder bescherming van crediteuren kan leiden tot persoonlijke aansprakelijkheid. Bestuurders doen er goed aan om tijdig in te grijpen en de nodige maatregelen te treffen om de crediteuren te beschermen. Het nalaten daarvan kan vergaande gevolgen hebben. Het advies aan ondernemers is om u tijdig te laten adviseren door een juridisch expert.
Heeft u hierover vragen? Neem dan contact op met ons kantoor. Wij staan klaar om uw situatie te beoordelen.
[1] Rb. Zeeland-West-Brabant, 14 mei 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:5501.